Uit: De Vrije Fries XXXI (1932), pp. 109-111.
Geschenk Statenbijbel
S. Cuperus
Onder de aanwinsten voor de Genootschaps-bibliotheek zal men als geschenk van Mevr. de Weduwe Goinga-Koopmans te Mantgum aantreffen eenen Statenbijbel van 1637. Van dit geschenk moge hier de bizondere waarde in 't licht worden gesteld.
Het Friesch Genootschap bezat reeds enkele uitgaven van den bijbel of gedeelten daarvan. Onder
die zijn merkwaardig twee exemplaren - het eene vroeger eigendom van den bekenden Utrechtschen
hoogleeraar Jod. Heringa - van eene uitgave van 1582, gedrukt te Harlingen bij Peter van Putte;
een Nieuw Testament in 1563 gedrukt bij Lenaert der Kinderen; een N.T. gedrukt te Deventer in 1722
- naar eene uitgave van Nic. Briestkens 1560 - met liederenbundel „De geestelijke
Goudschaale”, welke uitgave bij Doopsgezinden geliefd scheen te zijn; - al deze merkwaardig
als bijbeluitgaven uit den eersten tijd der Hervorming met Nederlandschen tekst, echter niet
overgezet uit de oorspronkelijke talen. Voorts een Italiaansche bijbel van 1562 en, in de
Bisschop-kamer een fraaie Duitsche bijbel met platen, in Luthersche vertaling, gedrukt in 1682 te
Neurenberg. Eindelijk, eveneens uit de Bisschop-verzameling een „Staten”- bijbel,
gedrukt „TAmstelredam bij Jacob Pietersz. Wachter op den Dam 1643, met consent van de H.H.
Burgemeesters ende Regierders deser Stede.” Van bizondere beteekenis deze
„Staten”- bijbel, omdat hij eigenlijk een ongeoorloofde overdruk is van den
oorspronkelijken Statenbijbel, - tot den druk waartoe de Staten- Generaal van 1637 af voor 15
jaren uitsluitend het recht hadden verleend aan de weduwe en Erfgenamen van wijlen Hillebrant J.
van Wouw, hunne „Ordinaris Druckers” -, zoodat deze bijbel een bewijs in folio is
zoowel van de vermetelheid van Amsterdamsche drukkers tegenover de Staten-Generaal als van het
machtsbesef der Amsterdamsche overheid, die de ongehoorzaamheid dier drukkers dekte met haar
„consent”.
Maar een echte Statenbijbel, d.i. een zoodanige, als krachtens besluit van
de Synode van Dordrecht in 1618 en op last - wat den eersten druk betreft ook op kosten - van de
Staten-Generaal (p. 110) uit de oorspronkelijke talen in het Nederlandsch
was overgezet, bevond zich in de bibliotheek van het Genootschap, behalve dan in den vorm van een
kerkboek of eene verminkte uitgave, niet. Toch is het deze bijbel geweest, die gedurende bijna
drie eeuwen door heel ons Protestantsch volk uitsluitend in gebruik is geweest, zijnen stempel
heeft gedrukt niet slechts op den godsdienst, ook op de kunst en de taal der Nederlanders, en die,
behalve het stichtelijke boek bij uitnemendheid, is genoemd een monument der Nederlandsche taal.
Te opmerkelijker was in eene boekerij, die zooveel, wat op Friesland betrekking heeft, bevat, deze
leemte, omdat het juist Friesche godgeleerden zijn geweest, t.w. Johannes Bogerman, pred. te
Leeuwarden, later hoogleeraar te Franeker, en Fetse Hommes (Festus Hommius), pred. te Leiden,
beide geboren en getogen in Friesland, die - zoowel voor de geschiedenis der Nederlandsche als die
der Friesche taal is dit, zij het dan in omgekeerden zin, merkwaardig - het leeuwenaandeel hebben
gehad in het tot stand komen van dien Nederlandschen bijbel.
Door genoemde schenking is dit ledig nu aangevuld, of, zoo men wil, deze
steen des aanstoots weggeruimd. Dat op te verrassender wijze, daar van dien Statenbijbel de
geschonkene een zeer bizondere uitgave is. Eerst hierom, omdat het een exemplaar is van den vrij
zeldzamen eersten druk van 1637. Jammer genoeg kan dit, door de aanwezigheid der handteekening van
Barent Langenes, den door de Staten-Generaal gemachtigde om de echte exemplaren te waarmerken,
niet bevestigd worden, omdat de keerzijde van het titelblad in het overigens gave en zorgvuldig
bewaarde boek geschonden en met wit papier overdekt is. Maar het blijkt onweersprekelijk uit de
namen van den drukker op het titelblad en uit de tekst zelve, die o.a. bevat de later verbeterde
drukfouten - van welke wel de merkwaardigste is de weglating der woorden: „de
landpalen” in Joz. 13², welke woorden pas in 1686 na een plechtig besluit der
provinciale synoden, zijn ingelascht. Dan een bizonder exemplaar, omdat het eene eigenaardige
geschiedenis heeft gehad. Op het koperen beslag toch van den stevigen leeren band lezen wij:
„Boeck bestelt deur ordre van de Heere Siuck van Burmania, Grietman ende Dijckgraef over
Wymbritseradeel aen het dorp Goinge Anno 1640.” Het boek is dus eerst eigendom geweest van
het dorp Goenga. Om gebruikt te worden bij welke gelegenheden? Zeker (p.
111) niet voor den eeredienst in de kerk van Goenga. Immers dan zou het daar eene vaste
plaats hebben gekregen op den kansel. Wanneer dan wel? Het antwoord ligt in het duister evenals
dat op de vraag, hoe het boek in het bezit is gekomen van de familie Goinga. De schenkster wist te
vertellen, dat haar echtgenoot Lolle Thys Goinga, in leven hoofd der o.l. school te Oosterwierum,
het had geërfd van zijn vader Thijs Sikkes Goinga, wiens naam als eigenaar met potlood op een
wit blad in het boek staat vermeld. Welke schakels er zijn geweest tusschen laatstgenoemde en het
dorp Goinge, en van welken aard - koop of schenking - de overgang van het dorp naar de
gelijknamige familie was, van het een noch van het ander bestaat echter heugenis.
Dank zij de zeer gewaardeerde schenking heeft het boek zijn blijvende
plaats gekregen in de bibliotheek van het Friesch Genootschap. Het moge er niet slechts bezichtigd
worden als eene merkwaardigheid, ook - al zal eene andere boekerij daarvoor eerder gezocht worden
- geraadpleegd om eene oorspronkelijke lezing der Statenoverzetting.
© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries
Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke
toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.