Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: Fryslân 10;4 (2004), pp. 16-20.

De dood van Bonifatius: gevolg van een verkeerde kersteningsstrategie?

Hans Mol

Iedere Nederlander wordt tegenwoordig weer geacht te weten wat er op 5 juni 754, nu ruim 1250 jaar geleden gebeurde. Het is opgenomen in de zogenoemde historische canon die op de lagere en middelbare school moet worden onderwezen: op die datum werd Bonifatius bij Dokkum door een troep rovers vermoord. De samenstellers van de canon en de auteurs op wie ze zich steunen, hebben het zich vermoedelijk nooit gerealiseerd, maar moord is niet het goede woord voor wat er toen is gebeurd. Moord geldt in de Germaanse rechtsopvatting als een heimelijke en zeer oneervolle daad. Zoals we uit de overgeleverde teksten kunnen opmaken is Bonifatius met zijn gevolg echter helemaal niet onverhoeds overvallen maar kwam hij bij een openlijk gewapend treffen om het leven. Geen moord dus maar doodslag. De aanval vond immers niet plaats in het donker van de nacht maar bij het aanbreken van de dag met blinkende wapens, schilden en speren, op een tijdstip waarop gewoonlijk veldslagen werden uitgevochten.

Foto:
Het beeld van Bonifatius in het Bonifatiuspark te Dokkum.

Volgens Bonifatius' hagiograaf Willibald, die overigens vrij kort nadien zijn verhaal aan het perkament toevertrouwde maar zelf niet bekend was met Friesland, waren de daders rovers die op goud en zilver uit zouden zijn geweest, en die teleurgesteld waren toen ze alleen maar boeken vonden. Als men zich echter realiseert dat de heilige en zijn medemissionarissen begeleid werden door wapenknechten die voor de veiligheid van de groep borg moesten staan, is dat weinig waarschijnlijk. Wie de mannen ook waren die het kamp van Bonifatius in de vroege morgen aanvielen, ze zullen erop gerekend hebben dat zijn lijfwachten zich dapper zouden weren. Dat die dat volgens Willibald niet deden op Bonifatius' aanwijzing dat men geweld niet met geweld moest keren, is als een vrome topos te beschouwen. Bij het verhaal over de wraakactie na de marteldood is immers allerminst sprake van dergelijke ideaaltypische houding.

Evangelisatiecampagne

De lezer merkt uit deze benadering meteen al dat ik de dood van Bonifatius niet zie als een uit de hand gelopen overval. Het was minder een ongeluk als wel het resultaat van een weloverwogen, gecoördineerde actie van Friezen die zich te weer wilden stellen tegen de kerstening. Volgens hun eigen wetten, zoals we die kennen uit de Lex Frisionum, hadden ze het volste recht tempelschenners en de aantasters van heiligdommen met de dood te bestraffen. Het omhakken van heilige bomen behoorde tot het missierepertoire van Bonifatius, maar berichten daarover zijn voor Friesland niet overgeleverd. Er wordt in dit geval slechts in het algemeen gemeld dat hij heidense riten verstoorde. Als het al niet daardoor was, kunnen we ons wel voorstellen dat Bonifatius met zijn massale evangelisatiecampagne - want zo mag je een intocht van meer dan vijftig zendingsgeestelijken met vermoedelijk het dubbele aan bijbehorend logistiek personeel wel noemen - zijn tegenstanders zonder meer al geprovoceerd heeft. Als we dan de mogelijkheid terzijde laten dat Bonifatius er bewust op uit was de marteldood te ondergaan - en waarom zou hij zijn eigen leven en dat van al zijn moeizaam opgeleide metgezellen in de waagschaal hebben willen stellen - dan moeten we simpelweg concluderen dat hij niet de juiste aanpak had gevolgd om zijn kersteningsdoel te bereiken. Missionaris gedood, missie mislukt, zou men cru kunnen zeggen.

We zouden Bonifatius overigens tekort doen als we van een eenmalig evenement zouden spreken. In de levensbeschrijving van Sturmi, een leerling van Bonifatius en eerste abt van Fulda, wordt namelijk meegedeeld dat Bonifatius in 753 verder Friesland in getrokken is; en met verder bedoel ik dan voorbij Utrecht: ad ulteriora Fresonum loca paganico ritu dedita. Dat is in de meer verwijderde streken van de Friezen die nog onder het heidendom zuchtten. Aangezien Friesland bewesten het Vlie toen al als christelijk gold, moet deze omschrijving wel betrekking hebben op de landen van de huidige provincie Fryslân. Halbertsma heeft in zijn boek over Frieslands Oudheid verondersteld dat Bonifatius bij de campagne van 753 Westergo bezocht om in 754 Oostergo te bewerken. Dat is een logische speculatie maar ook niet meer dan dat, omdat er in de bronnen verder niets over meegedeeld wordt. Daarmee krijgt de campagne wel meer relief, maar het beeld ervan - van zeg maar een grootschalige indrukwekkende aanpak die in korte tijd succes beoogde te brengen - wordt er niet door gewijzigd.

Belangrijkste apostel

De jaartallen 753/754 maken deel uit van een verhoudingsgewijs lange reeks missiefeiten met betrekking tot de Friese landen. Ik breng ze nog maar eens even in herinnering. In 695 wordt Willibrord tot aartsbisschop van de Friezen gewijd. In 714 wordt hij door Radbods bezetting van Utrecht gedwongen zijn kersteningswerk aldaar te onderbreken. Hij trekt zich terug naar Echternach om pas in 719 na Radbods dood terug te keren. In 734 wordt Friesland tussen Vlie en Lauwers voor de missie geopend door Karel Martels' overwinning op Bubo in de slag bij de Boorne. Vijf jaar later sterft Willibrord. Nog weer vijftien jaar later komt Bonifatius dan gewelddadig om het leven. Nadien wordt in Dokkum een kerk gebouwd die als missiecel moet dienen en waar achtereenvolgens Willehad en Liudger werkzaam zijn. Na de door Karel de Grote neergeslagen Saksenopstand van Widukind van 782 krijgen die beide missionarissen ieder een deel van de rest der Friese gebieden als missieterrein aangewezen. Liudger is actief in het Friesland aan weerszijden van de Eems, Willehad in het Beneden-Wesergebied. Beiden kunnen deze territoria dan redelijk snel toevoegen aan de door hen gestichte bisschopszetels, respectievelijk van Munster en Bremen. Maar dan schrijven we al het begin van de negende eeuw. Dat betekent dat we 754 kunnen plaatsen halverwege een tijdperk van meer dan honderd jaar kerstening van het langgerekte territorium der Friezen.

Bonifatius geldt nog steeds als de belangrijkste apostel der Friezen naast Willibrord. De vraag die ik nu wil proberen te beantwoorden is hoe we zijn Friese kersteningswerk moeten waarderen naast dat van Willibrord, Willehad en Liudger. En wat kunnen we leren uit het succes van de diverse missiemethoden van deze vier over de aard van de Friese samenleving van die dagen?

Laat succes in Oostergo

Met de door mij genoemde data en termijnen is al aangegeven dat de kerstening van Frisia een buitengewoon moeizame en langdurige onderneming was. Vergelijk dat eens met het naar verhouding veel en veel grotere Engeland. Dat kon sinds de komst van missionarissen uit Rome in 597 binnen een halve eeuw bekeerd worden, dankzij de successievelijke conversio van de aan elkaar verwante koningsfamilies die de diverse rijkjes der Angelsaksen bestuurden. In het midden van de zesde eeuw bestond er al een vlakdekkend bisdomssysteem en waren er overal relatief rijke kloosters en munsters verrezen, die in het land als uitvalsbases fungeerden voor missionerende geestelijken.

Willibrords eerste onderneming was weinig bemoedigend door de afwijzende houding van Radbod, een Friese heerser die in zijn ogen als rex (koning) aangesproken kon worden. De Franken zagen hem als een machtig man, wiens dochter in aanmerking kwam om in de eigen koninkijke kring te worden opgenomen. Maar in hun teksten vindt men hem als dux aangeduid, dat is als hertog of legeraanvoerder. De geleerden zijn het er inmiddels wel over eens dat hij over een aanzienlijke machtsbasis in het huidige Holland moet hebben beschikt, met als centrum mogelijk Velzen. Hij lijkt ook een veroveraar te zijn geweest, met interesse voor het oude Romeinse cultuurgebied langs de Rijn, vanaf de monding tot voorbij Utrecht, alwaar hij wellicht kon steunen op inkomsten uit fisci of uitgebreide landgoederen. Er is wel verondersteld dat hij ook over delen van Frisia beoosten het Vlie zou hebben geregeerd, maar daar is nauwelijks een aanwijzing voor behalve in latere legenden. In ieder geval kon geen enkele onderneming van Willibrord slagen zonder zijn medewerking. Vandaar dat Bonifatius, die in 716 in Utrecht aankwam om de praktijk van het missiewerk te leren, nog niets kon aanvangen. Radbod was op dat moment nog volop in leven.

Pas na Radbods dood en de opportunistische overwinningstocht van Karel Martel die daarop volgde, konden de missionarissen zich van hun eigenlijke taak kwijten in Friesland bewesten het Vlie, langs de Vecht, bij de Maas- en Rijnmondingen en in Kennemerland. Met koningsgoed, voor een deel ongetwijfeld bestaande uit geconfisqueerde Radboddomeinen, konden in deze gebieden her en der kerken gedoteerd worden. Het is opvallend dat de oudste godshuizen hier, onder meer van Vlaardingen en Velzen uit de jaren 720-726 dateren. Bonifatius heeft daar in zijn leerjaren tot 722 aan meegewerkt. Van hem is bekend dat hij actief was in Woerden, de Vechtstreek en te Velzen. Toen Willibrord hem echter vroeg zijn assistent (met de waardigheid van koorbisschop) te worden, weigerde hij, zogezegd omdat hij zijn toekomst afhankelijk stelde van zwaarder wegende directieven uit Rome. Over de achterliggende reden wordt nog steeds druk gespeculeerd; een van de verklaringen is dat hij meer ambities had dan het voortzetten van Willibrords moeizame werk in Friesland tussen Maas en Vlie. Dat hij, met andere woorden, uit diens schaduw wilde komen.

Maar los daarvan: er moest in dit geval eerst een inheemse heerser gepaaid dan wel overwonnen worden eer men de bevolking de blijde boodschap kon verkondigen. Voor de goede orde schrijf ik er maar meteen bij dat van een benadering van individuele zielen in de maatschappij van die dagen natuurlijk geen sprake kon zijn. Het kwam erop aan de vorst of/en de al dan niet zelfstandige elite te overreden. Was die eenmaal om, dan volgde de clientêle vanzelf. Zo konden Willibrord en zijn assistenten de halmen vrij snel oogsten, ook nadat Bonifatius hun gezelschap verlaten had. In de periode tot 739 lijken naast Velzen en Vlaardingen ook de belangrijkste andere kerkelijke centra van het latere Holland tot in Wieringen en Texel toe als Echternachs of Utrechts bezit tot stand gekomen te zijn.

Kaart:
De moederparochies / eigenkerkdistricten in noordelijk Oostergo. (Uit P.N. Noomen, 'De goederen van de abdij Echternach'.)

Bezitsverwerving

Dan klemt de vraag hoe het na 734 verder liep met Friesland tussen Vlie en Lauwers. Karel Martel versloeg Bubo aan de slag bij de Boorne, maar lijkt daar niet eenzelfde vervolg aan te hebben kunnen geven als in 719 met Radbod; wat dan te denken geeft over de fundamenten van Bubo's machtspositie. Om daar zinnig over te kunnen speculeren, lijkt het me echter nuttig eerst eens te zien naar de gegevens over de oudste kerken in dit deel van Frisia.

Waar zijn die te lokaliseren en in welke periode kunnen ze tot stand zijn gekomen? Laten we daartoe even de blik op het kaartje van Oostergo slaan. Het is al enige tijd bekend dat de abdij van Echternach, zeg maar het basiskamp van Willibrord, waaraan hij een groot deel van de onder zijn leiding gestichte eigenkerken toewees, in dit gebied op den duur over vier belangrijke godshuizen beschikte, te weten twee kerken op Terschelling, één op Ameland en de kerk van Holwerd, die naast die van Dokkum tot de oudste kerken van Oostergo kunnen worden gerekend. In alle vier de gevallen hebben we te maken met reeds lang bestaande nederzettingen op oud cultuurland. De ecclesia van Holwerd lag bijvoorbeeld vrij centraal in Oostergo op de oude oeverwal langs de Waddenkust, en dus goed bereikbaar vanuit zee. Ze blijkt gewijd te zijn geweest aan St. Willibrord zelf. Daaruit valt af te leiden dat zij pas enige tijd na het overlijden van de heilige tot stand kwam.

Recent onderzoek van mijn collega Paul Noomen naar andere aanwinsten van Echternach in de streek, met name naar die in Humsterland en Middag ten oosten van de Lauwers, heeft uitgewezen dat we deze bezitsverwerving in verband kunnen brengen met de activiteit van Willehad in de jaren zestig en begin zeventig van de achtste eeuw. Deze gaf toen namens de Utrechtse bisschop leiding aan de gedachteniskerk met de bijbehorende missiegemeenschap, die na Bonifatius' dood te Dokkum was gesticht: de ecclesia ac servorum Dei habitatio in loco eodem (kerk en woonstee van dienaren Gods in dezelfde plaats). In zijn vita wordt beschreven dat hij schenkingen van Friese edelen, nobiles, in ontvangst nam en ook onderricht gaf aan hun kinderen. Vanuit Dokkum deed hij in deze tijd ook vergeefse pogingen de missie over de Lauwers steviger te funderen. Willehad behoorde tot het verwantschapsnetwerk van Willibrord, wat ook verklaart dat hij tijdens en kort na de grote Saksenopstand van Widukind zich in Echternach terugtrok, alwaar zijn verwant en goede vriend abt Beonrad, die zelf even goed aan Willibrord gerelateerd was, hem gastvrijheid bood. Willehad kan in die context heel goed behalve aan Utrecht ook een deel van zijn kerkstichtingen aan Echternach hebben overgedragen.

Als we echter geen oudere instituties kunnen vinden, moet dat wel betekenen dat de echte bekering van Friesland tussen Vlie en Lauwers eerst na 754 een aanvang nam, en dat die pas tegen de jaren tachtig resultaat begon af te werpen. Fulda, de plek waar Bonifatius kwam te rusten en waar hij het meest intensief werd vereerd, blijkt overigens niet bij deze vroege kerkstichtingen betrokken. De abdij heeft later mogelijk wel de stichting van de Bonifatiuskerk van Cornwerd helpen realiseren en ontving in de negende eeuw een reeks kleinere schenkingen in Westergo en Oostergo.

Hoe moeten we het verklaren dat er tussen 734 en 753 vrijwel geen christelijke activiteit in deze streken lijkt te zijn ondernomen? In Bonifatius' bekende brief aan Stephanus II van 753 waarin hij opkomt voor de autonomiebelangen van Utrecht tegenover Keulen, schrijft hij wel terecht dat een deel van Frisia nog voor de Heer moet worden gewonnen. En Willibald meldt eveneens met zoveel woorden dat de Friezen aan gene zijde van het Almere nog volstrekt heidens waren. Bonifatius had dus heel goed in de gaten dat Frisia nog maar voor een derde deel gekerstend was sinds Willibrord in 695 met zijn missie begon. Men zou dat de clerici van de missiepost Utrecht kunnen verwijten, als zou de steeds ouder wordende Willibrord hen te weinig gestimuleerd hebben, en zou hun activiteit na diens dood helemaal stil zijn komen te vallen vanwege gebrek aan leiding. Maar dat is wel erg makkelijk, als we weten dat ze feitelijk alleen onder voldoende Frankische rugdekking konden opereren. Het ligt daarom meer voor de hand de oorzaak in een stagnerende expansie bij de Frankische heersers te zien, vanwege moeilijk te overwinnen verzet van de regionale elite.

Kersteningshistorici, die gebruik maken van Frankische bronnen, hebben de neiging Frisia als een groot samenhangend geheel te zien. Misschien geldt dat zelfs wel voor de missionarissen van destijds. Willibald spreekt over één gens (volk), met één naam, die echter wel uiteenvalt in vele pagi (gouwen) met verschillende benamingen, die door diverse wateren en rivieren van elkaar gescheiden zijn. De Lex Frisionum maakt een verdeling in drieën, waarbij heel nadrukkelijk de gebieden tussen Zwin en Vlie, tussen Vlie en Lauwers en tussen Lauwers en Wezer van elkaar onderscheiden worden.

Van een overkoepelende samenhang was toen geen sprake. Ze lijkt er in mijn opinie ook nooit te zijn geweest, ondanks de van archeologisch zijde zo enthousiast uitgewerkte theorieën over een Fries koninkrijk dat in Wijnaldum een residentie zou hebben bezeten. Daarvoor wijken de nederzettingsstructuren in de gebieden ten westen en ten oosten van het Vlie ook te veel van elkaar af. Ten westen vinden we de oudste, verspreide bewoning vooral op de smalle geestgronden achter de duinen, de oeverwallen van de rivieren en de keileem-opduikingen van Texel en Wieringen. Ten oosten hebben we in de achtste eeuw te maken met een relatief dichte bevolking in een reeds behoorlijk ontwikkeld terpengebied. We kunnen ons rustig de vraag stellen of dat wellicht ook in die tijd al een andere politieke structuur heeft gekend. En wel zo een dat de Frankische machthebbers weinig kans zagen die na 734 snel te beheersen. In dat verband is het opmerkelijk dat Pepijn III ook na de dood van Bonifatius weinig in het werk stelde om Frisia ten oosten van de Lauwers te veroveren. Hij liet een strafexpeditie uitvoeren, en zorgde voor een meer permanente aanwezigheid van zijn soldaten onder aanvoering van de prefect Abba, maar bepekte zich verder tot het consolideren van de pas nu uitgebouwde machtspositie in Oostergo en Westergo.

Bonifatius' aanpak via de heersers

Was dit Frisia dan ook wel geschikt voor de kersteningsmethode van Bonifatius, zo kunnen we ons afvragen. Als we hem na 722 heel in het kort volgen, zien we hem bij voorkeur op hoog niveau opereren. Dat is begrijpelijk vanuit zijn eigen adellijke achtergrond en zijn eerste ervaringen met diplomatieke taken nog in Engeland. Zijn kerkpolitieke carrière begon immers in 705 met een gevoelige missie om een opdeling van Angelsaksische bisdommen te helpen voorbereiden in overleg met de aartsbisschop van Canterbury en de koning van Wessex. En was de snelle expansie van de kerk in zijn vaderland nu juist niet gerealiseerd door de bekering van koningen? Het kan dan ook niet verbazen dat hij in 716 in Utrecht meteen toenadering zoekt tot de al meermalen genoemde Radbod.

Foto:
Zegel van de abt Jacobus van de Norbertijnen-abdij van Sint Bonifatius te Dokkum, gedateerd 29 november 1465, met de voorstelling van de dood van Bonifatius (uit: Catalogus Bonifatius-tentoonstelling 1954).

Wanneer hij door de paus tot bisschop is benoemd en tot legaat (gevolmachtigd gezant) voor Germanië is aangewezen, gaat hij op dezelfde manier te werk. Hij legt eerst goede contacten met de machthebbers ter plaatse, sticht vervolgens christelijke missiecellen, die hij het liefst toevertrouwt aan Angelsaksen die hij uit zijn eigen verwantschapskring of bredere opleidingsnetwerk kent, en probeert ze van een stevige bescherming te voorzien, door Frankische heersers die het gebruik van het zwaard niet schuwen. Hoe zo'n missieklooster bemand en geleid moest worden, had hij van Willibrord geleerd. Het dagelijkse zendingswerk, waartoe hij zich onder Willibrord zelf had gezet, laat hij echter over aan zijn volgelingen en metgezellen. Zelf lijkt hij zich meer op de spectaculaire introductie-manifestaties te hebben toegelegd. Alles op basis van Romeinse voorschriften en uitgangspunten, vooral ook toegepast op het voorbeeldig gedrag van de missionarissen zelf.

Met deze strategie weet hij in verbazend korte tijd de grondslagen van de kerk in Hessen en Thüringen te vestigen. Beide territoria waren in zekere zin net zo eenvoudig te kerstenen als de Angelsaksische koninkrijkjes van de zevende eeuw. Er waren centrale heersers en invloedrijke grootgrondbezitters die snel voor het christendom konden worden gewonnen; als er al serieuze tegenstand geleverd werd, dan was die afkomstig van Saksische overheersers, die zich tijdelijk meester van het gebied maakten maar die - evenmin als hun religie - op weinig sympathie bij de oorspronkelijke bewoners konden rekenen. De Frankische beschermers van Bonifatius zagen dat hier ook vlot winst te halen viel, met het veroveren en confisqueren van grote domeinen, zodat de kerk zich stevig gesteund wist door het wereldlijk gezag. Binnen anderhalf decennium had de missie er zo zijn fundering gekregen, in bisschopszetels, kloosters en centrale parochiekerken. Waardoor Bonifatius de handen vrij kreeg voor de volgende grote taak die hij voor zichzelf weggelegd zag aleer de eindtijd zou aanbreken: de hervorming van de Frankische kerk.

Dat hoofdstuk is echter voor ons thema minder van belang, behalve dan in die zin dat Bonifatius erdoor op een zijspoor zou raken. Zijn al te felle optreden leidde ertoe dat de Frankische hofmeiers, later koningen, hem na bewezen diensten ter zijde moesten schuiven. Met voor Bonifatius als vervelend gevolg dat hij niet de beschikking kreeg over de aartsbisschoppelijke zetel van Keulen, die hij voor de missie onder de Friezen en Saksen nodig had omdat de metropoliet rechten op hun gebieden kon claimen. Want juist de kerstening van die volken was nog maar heel langzaam gevorderd.

Het is bekend dat de kwestie Keulen Bonifatius flink dwarsgezeten heeft. Hij kreeg het minder voorname en belangrijke Mainz toebedeeld, maar meende daar op het eind van zijn leven zelf weinig meer te kunnen uitrichten. Zijn leerling en vertrouweling, de Angelsaks Lullus, werd er door hem tot koorbisschop benoemd met het vooruitzicht er uiteindelijk in zijn voetsporen als aartsbisschop te treden. Zo kreeg hij aan het eind van zijn leven de handen vrij om zijn karwei in Friesland af te maken. Hij trad op als custos van de Utrechtse kerk, trachtte die via de paus onder het formele toezicht van Keulen weg te halen, en wist er ondanks zijn verzwakte politieke positie, bij koning Pepijn in mei van het jaar 753 nog enkele stevige materiële garanties voor op schrift te krijgen.

De meest geschikte aanpak in noordelijk Frisia

Had Bonifatius enig idee welke machthebbers hij voor het welslagen van een vlotte kersteningscampagne in Friesland tussen Vlie en Lauwers moest benaderen? Het lijkt er niet op. Willibald weet geen namen van centrale heersers te noemen. En hoogstwaarschijnlijk waren die er ook niet. Anders hadden de Franken via hen, door middel van verovering of dwang, er hun gezag al lang en breed gevestigd sinds hun overwinning van 734. Dan waren er met hun bescherming al missiecellen gesticht waarop Bonifatius kon terugvallen. Kennelijk was er geen sprake van een centrale en verticale machtsstructuur en moeten we uitgaan van machtsdeling door een groot aantal kleinere potentaten: de nobiles van wie in de Vita Willehadi melding wordt gemaakt. De aanpak waarvoor Bonifatius koos, is nu wel bekend: een korte maar groots opgezette campagne die erop gericht was een groot aantal mensen te imponeren en tot de doop te bewegen. Het bleek niet de juiste te zijn.

Hoe had het dan wel gemoeten, zal de lezer zich misschien afvragen? Dat is lastig te zeggen, maar ik ben geneigd hier om Willehad en Liudger als succesvolle voorbeelden te zien. Zij opereerden evengoed als Bonifatius onder de dekking van de Frankische macht, maar lijken meer tijd genomen te hebben om het vertrouwen van de elite te winnen. Ze vestigden zich zelf langdurig in missiecentra ter plaatse. Daarbij schakelden ze hun eigen adellijke netwerken in, om die te verbinden met sympathiserende Friese adelsgroeperingen. Willehad had daarbij het voordeel dat hij verwant was aan de inmiddels vereerde Willibrord. Liudger was een Fries uit de Vechtstreek en kleinzoon van de edelman Wurssing die Willibrord had geholpen. Hij wist zich onder andere gesteund door een in Noord-Drenthe gevestigde familielid, Thiadgrim, die hem de kerk van Arlo schonk. Kortom, in dit decentraal georganiseerde land was de kerstening vooral een zaak van jaren achtereen geduldig netwerken en rondreizen vanuit een plaatselijke uitvalsbasis.

Als we het dus over Bonifatius' betekenis voor de kerstening van de Friese landen hebben, moeten we vaststellen dat die geringer is geweest dan vaak gedacht, geringer in elk geval dan de bijdragen van Willibrord, Willehad en Liudger. Daarvoor was zijn werkelijke missie-inzet te kort en was deze minder adequaat van uitvoering. Zijn dood leidde er weliswaar toe dat de Franeken meer inspanningen leverden dan voorheen om de bekering van Westerlauwers Friesland te doen slagen. Maar in het geheel van het kersteningsproces zijn die eerder te duiden als een verdere stap dan als een beslissende wending. Bonifatius was in mijn ogen beslist een grote persoonlijkheid, maar dan niet zozeer als Friezenapostel als wel als organisator, missieplanner en kerkhervormer op Europees niveau.

Bronnen en literatuur

J.C. Besteman, J.M. Bos en H.A. Heidinga, Graven naar Friese koningen, de opgravingen in Wijnaldum (Franeker 1992).
Marco Mostert, 754: Bonifatius bij Dokkum vermoord (Hilversum 1999).
P.N. Noomen, 'De goederen van de abdij van Echternach in de Friese landen', Jaarboek voor Middeleeuwse Geschiedenis 2 (1999) 7-37.
Reinhold Rau (ed.), Briefe des Bonifatius/ Willibalds Leben des Bonifatius, nebst einigen zeitgenössischen Dokumenten (derde druk, Darmstadt 1994).
Kaj van Vliet, In kringen van kanunniken. Munsters en kapittels in het bisdom Utrecht 695-1227 (Zutphen 2001).


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer