Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: Fryslân 4;2 (1998), 3-5.

Titia Brongersma
Een Friese dichteres in de 17e eeuw

Lotte Eilskov Jensen en Harm Nijboer

In 1686 komt bij de Groningse drukker Carel Pieman een dikke bundel poëzie uit, getiteld De Bron-swaan, of mengeldichten. De bundel bevat allerlei soorten gedichten: van verjaardagsgedichten tot frivole herdersliedjes, van raadselachtige rijmpjes tot religieuze psalmberijmingen en een viertal gedichten in het Fries. Op de titelpagina prijkt in fraaie letters de naam van de auteur: Titia Brongersma. In de lofdichten voorin de bundel wordt zij uitbundig geprezen als de ‘Friese Sappho’ en een ‘vermaarde zangheldin’. Ze is volgens een van de lofdichters zelfs een roemenswaardig ‘cieraadt van ons tijdt’, waar ze in haar geboorteplaats Dokkum trots op kunnen zijn.

Afbeelding 1.
Frontispice van de Bron-swaan.

Titia Brongersma komt een bijzondere plaats in de Nederlandse literatuurgeschiedenis toe, want zij was een van de eerste vrouwen die een eigen dichtbundel publiceerde. In de zeventiende eeuw waren zelfstandige publikaties van vrouwen zeer uitzonderlijk. Van bekende dichteressen als Tesselschade en Anna Roemers verschenen er wel gedichten in druk, maar die werden opgenomen in het werk van mannelijke collega’s. Pas in de achttiende eeuw werd het gewoner dat vrouwen eigen werk uitgaven. Van schrijfsters als Betje Wolff en Aagje Deken, Lucretia van Merken, Juliana de Lannoy en Elisabeth Post is een indrukwekkend oeuvre overgeleverd. Maar toen Brongersma met haar Bron-swaan voor de dag kwam, was dat nog iets ongewoons. Naast de Bron-swaan heeft ze mogelijk zelfs nog een tweede bundel afgeleverd onder de titel Hemelsche Orgeltoonen. Van deze tweede bundel is echter geen enkel exemplaar bekend en het is uiterst onzeker of deze ooit de drukpers bereikt heeft. Wel publiceerde Titia een gedicht in de in 1687 door Pieman uitgegeven Kort en bondige beschrijvinge beschrijvinge van de schrickelijcke water-vloedt den 13. November 1686 over de provincie van Stadt en Lande ontstaen. Het was een gedicht op de 'brandt in de veenen van Sap-meer', een zware veenbrand die op 2 mei 1687 bij de Wildervank ontstond en vooral ook in Sappemeer veel schade aanrichtte.

'Reuzenmythe'ontrafeld

Behalve als dichteres verwierf Brongersma ook bekendheid als ‘archeologe’. In 1685 bracht ze de pinksterdagen door bij vrienden in het Drentse Borger, waar ze uit nieuwsgierigheid een ‘opgraving’ verrichtte bij de plaatselijke hunebedden. De ontdekking die zij daar deed werd door de Groninger arts Ludolf Smids in zijn Schatkamer der Nederlandse Oudheden (1711) als volgt beschreven: ‘En siet! sy ontdekt ... voor het eerst veel kleene kieselsteenen, straat gewys nevens malkanderen geset. Hier onder stonden veel ronde potten, seer ruw en plomp gevormd, bruinblaauw of donker rood van verf ... Wat moeite sy ondertussen deede, om sulk een aschkannetje geheel uit deesen hoop te lichten, sy vielen toch alle in scherven.’ Brongersma was daarmee de eerste die aantoonde dat de hunebedden oude grafsteden zijn en geen bouwwerken uit de tijd der reuzen zoals men tot dan toe dacht.

Afb. 2. Opgraving hunebed.
Titia Brongersma, linksonder gezeten, leidde op 11 juni 1685 de opgraving in het Grote Hunebed te Borger. Gravure van J. Schijnvoet uit Ludolf Smids, Schatkamer der Nederlandsse Oudheden.

Ongehuwd

Over het leven van Titia Brongersma is verder weinig overgeleverd. Voor zover valt na te gaan duikt haar naam nergens in de archieven op en de enige bronnen met betrekking tot haar zijn de Bron-swaan en enige opmerkingen die haar vriend Ludolf Smids in een aantal geschriften aan haar wijdde. Met deze gegevens achter de hand wist de genealoog Ru Brongers onlangs op overtuigende wijze aan te tonen dat zij rond 1650 te Dokkum is geboren als dochter van Bronger Wijtses en Aeltien Koerts. Haar vader was zijn loopbaan als veldscheerder (militair chirurgijn) begonnen en had zich in 1641 als (burgerlijk) chirurgijn te Dokkum gevestigd. Verder is bekend dat Titia zich later te Groningen vestigde, waar zij waarschijnlijk ergens rond 1700 is gestorven. Getrouwd is ze nooit geweest. In de lofdichten op haar wordt ze steeds als ‘maagd’ of ‘juffer’ aangeduid.

Deftig of toch niet?

Toch wringt er hier iets. Een chirurgijn was in de zeventiende eeuw weliswaar een eerzaam maar zeker geen bijzonder deftig man. Het is daarom enigszins verwonderlijk dat een dochter van een ‘eenvoudige’ chirurgijn als een deftige juffer triomfen in de poëzie kon vieren; temeer daar Titia Brongersma geen voorname echtgenoot aan de haak had geslagen. Maar waarschijnlijk was haar familie aanzienlijker dan zij op het eerste gezicht lijkt. De stamboom van Titia kent namelijk een opvallende witte plek.

Vooralsnog is onbekend wie haar grootmoeder van vaders zijde was. Er zijn echter drie sterke aanwijzingen die het vermoeden rechtvaardigen dat Titia’s grootmoeder een dochter is geweest van Bronger Brongersma (1559-1626), de secretaris van Kollumerland. Ten eerste komen een aantal voornamen (Bronger, Pier/Pieter, Geesje, Taets/Tjitske en Griet) veelvuldig voor onder zowel de directe familieleden van Titia Brongersma als de ons bekende nazaten van Bronger Brongersma. (Cf. Brongers, It Beaken, 1996 & Feitsma,Us Wurk, 1968) Verder wordt op deze manier verklaard waarom Tjitske of Taets Brongers als Titia Brongersma door het leven kon. En een derde aanwijzing vormen tenslotte de Leeuwarder relaties van Titia. Als haar grootmoeder inderdaad een dochter van Bronger Brongersma was, dan had zij twee oudooms en een oudtante die in de stad Leeuwarden in aanzienlijke kringen verkeerden: de advocaat Julius Brongersma, de goudsmid en burgemeester Hillebrandt Brongersma en Geesje Brongersma, echtgenote van Tobias Gutberleth, de rector van de triviale school.

Friesche Iufferdom

Deze Leeuwarder connectie zou wel eens belangrijke schakel in het leven van Titia Brongersma geweest kunnen zijn. In een van haar gedichten beschrijft ze dat ze vele plezierige wandelingen langs de Leeuwarder singel heeft gemaakt en uit dit gedicht zou men kunnen opmaken dat zij gedurende enige tijd in deze stad gewoond heeft. Wandelen langs de stadssingel was geen hobby voor eenvoudige meisjes, maar een gedistingeerd tijdverdrijf voor het ‘Leeuwarder jufferdom’. Dat de dochter van een Dokkumer chirurgijn zich met enig gemak onder de Leeuwarder juffers kon begeven, was waarschijnlijk niet mogelijk geweest als zij geen voorname verwanten in de stad had gehad.

Afb. 3. De Leeuwarder singel.
Gezicht op de Leeuwarder singel nabij de Wirdumerpoort. Potloodtekening uit 1664 (Gemeentearchief Leeuwarden).

Literaire circuits

Dat Titia Brongersma zich relatief gemakkelijk onderhield met de hogere kringen blijkt ook uit de Bron-swaan. Hierin staan een groot aantal lofdichten op vele mannen en vrouwen die bijna zonder uitzondering tot de maatschappelijke en culturele elites van Friesland en Groningen behoorden. Onder de adressaten bevinden zich onder andere de Friese dichter Adriaan Tymens, de Franeker hoogleraar Nicolaas Blanckaert, de predikant van Oude Pekela Andreas ten Have en de al eerder genoemde Groninger Arts Ludolf Smids. De meeste gedichten zijn echter opgedragen aan andere vrouwen, waaronder enige met een adellijke titel. De Bron-swaan geeft dan ook een mooi beeld van de literaire circuits waarin Brongersma opereerde.

Uit de bundel valt op te maken dat zij zich deels welbewust inschreef in de algemene traditie van die tijd. Zo hanteert ze allerlei gangbare genres als het sonnet en de pastorale herdersklacht. Bovendien refereert ze op talloze plaatsen aan mythologische figuren en verhalen uit de Klassieke Oudheid, zoals het een echte renaissancedichteres betaamt. Verder zijn er diverse links te leggen naar werken van andere auteurs. Zo bevat de Bron-swaan vertaald werk van de Franse dichter Ronsard. Ook staan hier een aantal lofdichten in op zogenaamde ‘femmes fortes’, legendarische vrouwen geschiedenis. Mogelijk heeft Brongersma zich hierbij laten inspireren door de Gallery der doorluchtige vrouwen (1685) van haar vriend Ludolf Smids, waarvoor ze zelf een lofdicht schreef. Brongersma’s gedicht ‘Op de heerlikheyt van de Thee’ houdt mogelijk verband met haar nauwe contacten met de familie Blanckaert. In hetzelfde jaar dat de Bron-swaan verscheen, publiceerde Steven Blanckaert een bewerking van Cornelis Bontekoe’s Gebruik en misbruik van den Thee.

Vrouwelijke bezigheden

Misschien wel interessanter dan de manier waarop Brongersma zich conformeerde aan de algemene literaire traditie, die vooral door mannen gedomineerd werd, is de manier waarop Brongersma deel uitmaakte van een specifiek vrouwelijke lees- en schrijfcultuur. De meeste personen waar zij haar gedichten aan opdraagt, zijn immers van haar eigen sekse. In de gedichten aan haar vriendinnen prijst ze vaak hun huiselijke hobby’s, zoals borduren, bloemschikken of boetseren. Ook andere typisch vrouwelijke bezigheden als weven en naaien zijn onderwerp van haar poëzie. Maar het is niet alleen het huiselijke dat in de gedichten doorklonk. Af en toe moedigt Brongersma een vriendin aan een bepaald studeer- of schrijftalent verder te ontwikkelen. Zo spoort ze ‘de konst-lievende Juffer J.V.B.’ enthousiast aan met de woorden: ‘doorsnuft de boeken’. Aan de ‘wijs-gierige Juffer Euphemia Mechteld Schyr-beek’ houdt ze de volgende les voor: ‘want waar de Leersugt heerst, daar bloeyt de wetenschap’.

Dominerende mannen

Brongersma vervulde dus een aanmoedigende rol ten aanzien van vrouwen in haar omgeving. Zo bevat de Bron-swaan enkele gedichten voor andere dichtende vrouwen, zoals Ida Maria Veelkers, Swaantje ter Horst en Klara Barthols. Van deze vrouwen kennen we alleen van Swaantje ter Horst een publikatie, maar het is mogelijk dat Brongersma vaker gelegenheidsverzen met deze vrouwen uitwisselde. Zelf heeft ze ook haar vrouwelijke voorbeelden: de Friese dichteres Eelkje van Bouricius, de Amsterdamse dichteres Katharina Lescaille en de geleerde Anna Maria Schurman krijgen volop lof toegezwaaid.

Overigens lijkt Brongersma zich wel bewust te zijn van haar uitzonderingspositie als vrouw in het door mannen gedomineerde literaire wereldje. Spreekt ze haar vriendinnen soms bemoedigende woorden toe om kunstzinnige talenten te ontplooien, naar mannen neemt ze een uiterst bescheiden, bijna nederige houding in. Zij brengt slechts ‘dorre en schorre klanken’ voort. Haar ‘swaantje’ houdt zich liever verscholen in het riet en durft zich nauwelijks te vertonen aan anderen. Haar prestaties blijven - ze benadrukt het steeds opnieuw - ver achter bij die van mannelijke collegaschrijvers.

Onder- en herwaardering

Wellicht heeft Brongersma in haar bescheidenheid het nodige onheil over haarzelf afgeroepen. Negentiende-eeuwse auteurs schreven op een bewonderende toon over haar opgravingen te Borger, maar haar poëzie werd in overwegend afkeurende termen beschreven. Zo noemde de biograaf Van der Aa de Bron-swaan een ‘vrij onbeduidend bundeltje’. De auteurs van een satirisch getint reisverslag uit 1843 typeerden haar verzen als ‘wansmakelijk gerijmel’ en Wopke Eekhoff sprak van ‘gebrekkige gelegenheidsverzen’. In de loop van de twintigste eeuw is dit oordeel wel enigszins bijgesteld. De aandacht die er in de afgelopen eeuw aan Brongersma is besteed, geldt evenwel vooral de vier gedichten die ze in het Fries heeft geschreven. Deze gedichten worden door de Encyclopedie van Friesland (1958) getypeerd als van 'een zekere naïeve bekoorlijkheid'. Pas door recente ontwikkelingen in de literatuur- en cultuurgeschiedenis beschikken we over geschikte kaders om het werk van Brongersma op zijn juiste waarde te schatten.

Om de Bron-swaan op zijn merites te kunnen beoordelen moet men de specifiek vrouwelijke lees- en schrijfcultuur van de zeventiende en achttiende eeuw als referentiekader hanteren. Het onderzoek hiernaar is in Nederland echter nog maar pas op gang gekomen. Zo verscheen vorig jaar de bundel Met en zonder lauwerkrans over Nederlandse en Vlaamse schrijfsters in de vroegmoderne tijd, een boek dat - ondanks de vuistdikke omvang - vooral bedoeld is als een stimulans tot nader onderzoek.

Wegbereidster

Weliswaar heeft Kees Fens zich in een recensie van deze bundel afgevraagd of de hierin behandelde schrijfsters (waaronder Brongersma) niet terecht door literatuurhistorci genegeerd zijn, maar uit deze opmerking blijkt vooral dat ook een begenadigd literatuurcriticus de pointe missen kan. De toenemende deelname van vrouwen aan literaire activiteiten in de zeventiende en achttiende eeuw is namelijk een ontwikkeling met verstrekkende sociale en culturele gevolgen. En deze reiken verder dan een strikt feministisch perspectief. Zo was de opkomst van de Romantiek in Engeland een ontwikkeling die voornamelijk gedragen werd door vrouwen.

Juist zo’n breed perspectief doet het werk van Brongersma tot zijn recht komen. De verzen die zij voor haar vriendinnen schreef vormen het levendige bewijs dat zich aan het eind van de zeventiende eeuw ook in Friesland en Groningen een specifiek vrouwelijke lees- en schrijfcultuur ontwikkelde. Weliswaar had Brongersma voorgangsters als Sybille van Griethuysen en Eelkje van Bouricius, maar deze dames schreven nog niet binnen een specifiek vrouwelijke traditie. Het verschijnen van de Bron-swaan is in dit opzicht een breekpunt. Brongersma effende het pad voor achttiende-eeuwse Friese dichteressen als Jetske Reinou van der Malen, Clara Feyoena van Sytzama, Carolina Coulon en Cynthia Lenige. In de achttiende eeuw waren lezen en schrijven onmisbaar geworden voor de verfijnde omgangsvormen van dames en juffers uit de gegoede kringen in Friesland en Groningen. En Titia Brongersma kan in deze ontwikkeling een belangrijke rol toegeschreven worden.

Bijlage

Op de ongemeene plaisierige Wandelplaats, de Cingel: buyten om de stadt Leeuwarden

O Weeld'rig Yperwout begrandigt in V paden,
Met wat een herten lust heb ik V vaak betreen,
En in V Gallery veel uyren doen besteen
Om daar in't Boom-prieel mijn suffe geest t'ontladen.
V kruynen die soo steyl tot aan de wolken schieten
Bekransen vaak mijn hooft, soo dat dees puyk-warand,
De Pallem-gaarden trots van Keyser Ferdinand
Waar't Friesche Iufferdom haar vreugt komt door genietê.
Maar schoon dees vvandel-baan, en effene Boscagie
Dat Leeuwaards festen Croont, en Gragte boorden ciert,
Niet naa vvaardy van my mag vverden belauwriert
Vergun dan dat ik V van eygen Telg pluymagien.
Berey een Lof-festoen, die ik ten toon mach rijgen
Aan't Oude hoofsche spits: om uwe Cingel-Tuyn
Te stellen op haar Troon: en dat ik uyt basuyn
V Roem: die grooter is, als 't opperhof der frijgen
Wast dan als Ceders, en groey op tot Populieren,
Sort Amberdroopjes uyt, bedruyp V stigters hant
Die in soo juisten rey V tronken heeft geplant,
En doet V Schoonheyt, met een Fenix vlerk beswieren.


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer