Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: De Vrije Fries 31, pp. 104-108.

Uit den Frieschen tijd van Prof. Petrus Camper

Mr. P.C.J.A. Boeles

Sedert zijn optreden als hoogleeraar te Franeker, in 1750, heeft de beroemde chirurg Petrus Camper herhaaldelijk een rol gespeeld in het openbare leven in Friesland. Na de door het Prov. Utrechtsch Gen. met goud bekroonde prijsverhandeling over „Het leven en de verdiensten van Petrus Camper” van Dr. C.E. Daniëls, verschenen in 1880, behoeft dit niet meer te worden uiteengezet. Zijn beteekenis als hoogleeraar te Franeker is in het bijzonder beschreven door Mr. W.B.S. Boeles in diens „Frieslands Hoogeschool en her Rijks-Athenaeum te Franeker”, 2e dl. blz. 511 v.v.
Wat hier volgt is slechts bedoeld als een aanvulling. Eerst een Franeker anecdote ontleend aan aanteekeningen van den bekenden J.H. Halbertsma1.
Toen Camper, die in 1722 te Leiden is geboren en aldaar studeerde, te Franeker kwam, was hij ongehuwd. Op de bekende buitenplaats Klein Lankum, gelegen 1 K.M. ten Westen van de stadsgrachten van Franeker, woonde destijds de burgemeester van Harlingen Doede Johannes Vosma, die het huis belangrijk had laten verbeteren en het voorzag van een besten wijnkelder. Vosma was gehuwd met Johanna Bourboom, die veel jonger was dan hij en een dochter van een burgemeester van Leeuwarden.
Vosma begon te sukkelen en Camper praktiseerde over hem. Na een bezoek aan den patiënt bleef Camper nog eenigen tijd met mevrouw in eene andere kamer. Het toeval wilde, dat Jan Pieters van der Bildt, de bekende instrumentmaker van de Franeker Hoogeschool en daaraan sedert 1754 verbonden, op voormeld oogenblik een der door hem vervaardigde telescopen (p. 105) gericht had op Klein Lankum en aldus bespiedde wat er plaats vond.
Toen van der Bildt bij gelegenheid den heer Camper over Lankum sprak gaf hij hem den raad om als hij eene visite bij mevrouw maakte, de gordijnen te laten vallen!
Vosma overleed en Camper trouwde in 1756 de weduwe, waardoor Klein Lankum in zijn bezit kwam. In 1755 verliet hij Friesland en bij zijn terugkeer in 1773 vestigde hij zich te Kl. Lankum, waar hij gelijk bekend, geruimen tijd heeft gewoond. Hier correspondeerde hij o.a. met Goethe over een tusschenkaaksbeen. Bovendien had hij, althans gedurende enkele jaren, een huis te Leeuwarden op den Oranje-Eewal, dat hem tot Mei 1782 voor f. 250,- per jaar verhuurd was. Daar dit huis den 25 Januari 1782 verkocht werd aan den rentmeester der geestelijke goederen G.J. Voorda, moest hij omzien naar eene andere woning en daarop heeft betrekking, de hier volledig volgende brief van 29 Oct. 1782, waarop Mevrouw Mr. J. Goslings-Lysen onlangs bij eene lezing de aandacht vestigde en die door haar welwillend ter publicatie in de Vrije Fries aan ons werd afgestaan. Het origineel behoort tot het archief van C. L. van Beyma, in het Rijksarchief te Leeuwarden (I no. 1).
Deze brief geeft een indruk van den geestigen toon, die Camper soms in zijn particuliere brieven aansloeg. Een stijl, die tegenwoordig wat omslachtig en al beeldsprakig voorkomt. In denzelfden trant is geschreven de eerste van een negental ongepubliceerde brieven van Camper, in het familie-archief van Kingmastate te Zweins, thans in het Rijksarchief te Leeuwarden; uit de jaren 1754-1787 en meerendeels gericht aan een der heeren van Beyma thoe Kingma te Zweins.
Daar gaat het over het bestellen van tinnen waterborden, d.i. holle borden, die met warm water gevuld, geschikt waren „om de regte geuren niet te verliezen van het kostbaar eeten” en die het gebruik van komforen enz. overbodig maakten.2
De hier afgedrukte brief van 1782 is gericht aan den bekenden patriot Jhr. Coert Lambertus van Beyma, destijds secretaris van de grieteny Westdongeradeel te Ternaard, eigenaar van een huis aan den Oranje-Eewal te Leeuwarden. Het huis lag naast het door Camper tot 18 Mei 1782 gehuurde pand. Camper geeft in zijn schrijven den indruk weer, die hij van het te huren huis (p. 106) kreeg. Het schijnt een oud gebouw geweest te zijn, merkwaardig vooral door de eigenaardige kelders, waarvan men zich ook thans nog een indruk kan vormen. De kelders van de huizen aan de Zuid-zijde van den Eewal liggen toch ten deele onder de voor die huizen loopende straat en hadden vóór de demping van de hierlangs loopende gracht - een gedeelte van de Ee - een uitgang bij het water, zooals dat thans nog het geval is bij de huizen aan „de Kelders” te Leeuwarden.
Volgens mededeeling van de stedelijke archivaresse Mej. R. Visscher is het tegenwoordige huis no. 50 aan den zuidkant van den Eewal, twee huizen vanaf de Gr. Hoogstraat, het hier bedoelde. Het behoort tot de reeks, gelegen tusschen de Minnema- en de Gr. Hoogstraat, die volgens Eekhoff3 sedert 1619 gebouwd zijn als een nieuwe buurt, die reeds in 1630 den naam Oranje-Eewal gekregen had. Die naam was voor Eekhoff onverklaarbaar. Wellicht geeft de brief de gezochte verklaring, want daarin lezen wij, dat in den gevel van het huis „en basrelief in steen gehouwen en cierlijk verguld De Orange-Ewal” staat. Een gevelsteen dus, die thans verdwenen is.

Brief van Petrus Camper aan Coert Lambertus van Beyma.

Leeuw(arden) den 29 Octobs 1782.

WelEdele Heer!

Zedert dat ik huysen heb leeren kennen, en eene groote veelheid daarvan in verscheidene gewesten van het Noorden van Europa gezien hebbe, is er geen geweest, welkers zamenstelling, zonderlinge bouworde, en wonderlijke kelders, en souterrains mij meerder hebben doen verbaasd zijn, dan het huys op Ewal, beroemd wegens zijn uythangbord4, thans met alle zijne kamers, kelders en trappen voor de helft toebehoorend aan Uwe WelEdelheid! Het menschelijk lighaam heeft zoo veele holligheden niet, als er in dat gebouw worden gevonden, ook zoud ik lang ten eynde van mijn Latijn geweest zijn, wanneer de bouw van ons lighaam, zoo ongeregeld, en zoo duyster ineen gewrogt was. Ik ben zeker, dat alle de beroemde architecten van Vitruvius af tot Nootenboom toe moeite zouden hebben om er eene goede chorographische en scenographische tekening van te leveren.
Ik heb mij echter verstout om er een schets van in mijn almanak te maaken, behalve van de souterains, en kelders daar een ingenieur toe vereischt wordt.
Zonderling heeft mij bevallen het klein gebouwtje in den tuyn, als geschikt voor iemand van mijnen smaak om er eene quasi-anatomie van te maaken. Echter heeft mij een akelig denkbeeld gegeeven de oude kostbaare en met eene kas voorziene bedsteede, tegens den Oostmuur van het huys op de boven voorkamer! Het behangsel van de beneden agterkamer heeft mij evenwel zoo goed niet voldaan als de gallerie van Dusseldorff. (p. 107) De keuken is een physick motif om frugaal te zijn want een van beide is waar, of de potten moeten er uytblijven ofwel de kokmeid, zonder deeze beide kan echter geen gerecht klaargemaakt worden. Dit gebrek houd ik voor eene deugd, zoodat ik daarover niet wil eenige bedenkingen maaken. Beneden in de voorkamer is geen schoorsteen, en verschaft dus een wettig voorgeeven van niet te konnen stooken zoodat ook daarin een merkelijk voordeel plaats heeft. Twee kamers, een zeer beperkte keuken, een klein snij of vilkamertje. Boven eene groote voorkamer, en om hoofsch te spreeken met een kabinet, eene achterkamer, mede met een kabinet, een proper en modern kamertje boven de keuken. Groote en gederobeerde trappen, wasch- en wijnkelders, kuylen, gaten en andere grotten, even kurieus als die van den St. Pietersberg, hebben mij zoodanig doen verwonderd en ingenomen zijn met dat huys in en op de Orange-Ewal, dat er mijne keuze op gevallen is, om het voor een paar jaaren of iets langer te huyren wanneer de Heeren Eigenaars daartoe mogten hellen, op voorwaarde van wel te willen laaten wegneemen de zooevengemelde bedstede sampt kassen, laaden hoeken, winkels en verder verhoolene loketten op de voorkamer boven. De schoorsteen is om de telamones5 te fraai om die te veranderen. De vensters als te klein om er mijn hoofd door te steeken zullen mijne nieuwsgierigheid beteugelen: zoodat die nog konnen blijven. Het behangsel van de binnenkamer is meestal vergaan; het zou konnen gelapt en naa er alvorens een origineele copye van gemaakt te hebben, om een eeuwigduurend model te houden van de bizarrerie van het menschelijk vernuft: bekleed worden met een papierbehangzeltje. Misschien was een deur om van de voorkamer in de Eetzaal te gaan, eene verbetering; dog daarop zal ik de consideratien afwagten.
Naa deese korte inleiding en aanwijzing van de voor en naadeelen van dit aloud gebouw, want ik geloof niet dat er een stins gevonden wordt in dit gemeenebest, welkers antiquiteit ophaalen kan tegens de voortreffelijke overblijfsels van de achtbaarheid op de voorbovenkaamer? Naa zeg ik, dus kort aangetoond te hebben alwat ik, schoon oppervlakkig in het gemelde oud kasteel heb in oogenschijn genoomen, heden middag een weinig misschien voor den middag; de geduurige regen belettede mij juyst op te merken, het oogenblik dat de zon den meridiaan verbijging, of onder doorging, omdat er waarschijnelijk nog eene onmeetbaare ruymte agter de zon is volgens de waarneemingen van Anaximander, daarna thans door Tycho, en Copernikus verlicht, niet vreemd van schijnen. Om kort te zijn, hetzij een weinig voor of op den middag zoo heb ik het huys gezien zoo net mogelijk met Bruinsma, die ook moeite had om er een juyst en adaequaat denkbeeld van te vormen. Evenwel zag hij, dat het moest worden gedeeld in cavitates6 superiores, intermediael en interiores. Hij vergeleek de cavitates inferiores met de vier maagen van eene koe en waarlijk nogal met rede. Dan hij zeide mij, dat UED. nomine uxoris eigenaar was van de helft, met en beneffens den Heere burgemeester Coulon, welkers grootachtbaarheid niets konde nog goed vondt te zeggen van de verhuyringe, of die wezenlijk geschieden konde, dan of die slegts waarschijnlijk, of mogelijk geheel onzeker was? Zijn Ed. verklaarde niet te weeten, wat UEd. daarover hadt beschooren?
Ook geloof ik dat Zijn.E. GrootAchtb. daar niet in dwaalde, alzoo het buyte toverye niet wel geschieden kan, dat wij eens anders gedagten zonder spraak of pen te gebruyken, konnen begissen. Ook geloof ik dat ZEd. geen tovenaar is en daerom verwonderde ik my in geenendeele over deeze onwetenheid, die bij alle redelijke menschen verschoonige verdient ook bij (p. 108) U WelEd, die schoon jong, te veel hebt in de wereld om hieromtrent niet met mij overeen te stemmen. Mijn verzoek komt derhalven hierop uyt, dat ik gaarne wilde weeten van of door UWE. hetzij door mondelinge of door graphische onderrichtinge Eerstelijk of het huys op de Orange Ewal, daar in de gevel De Orange Ewal, en basrelief in steen gehouwen en cierlijk verguld in de gevel staat, naast den beleefden Heere Voorda, inderdaad te huyr is?
Ten tweede met de nodige en aangehaalde veranderingen tot welk eene prijs?
Ten derden En eijendelijk hoelange?
Het zou mij aangenaam zijn indien UWE zulks ten spoedigste geliefde te laaten weeten, aan die zig met verschuldigde achting en eerbied tekent
WelEdele Heer
Uwe Gehoorz. Dienaar
Petrus Camper
Raptim!

De nog bewaard gebleven enveloppe, waarin de brief verzonden werd, was verzegeld met een grootendeels intact gebleven afdruk in donkergroen lak van het cachet van Camper, dat voor zooveel mij bekend, tot dusverre geen beschrijving vond. Zijn wapen stelt voor een anker, meer niet, met de noodige omlijsting van krullen en als helmteeken het zelfde anker op kleineren schaal. Het onderschrift, dat slechts ten deele bewaard bleef en aangevuld kon worden met behulp van een lakstempel op een brief van 30 Maart 1787 in het archief van Kingma-State, luidt: AVT BENE AVT NON dus: of goed of niet. Blijkbaar een variant van het trotsche: „aut Caesar aut nihil”

Noten

In druk verschenen als voetnoten hier omgenummerd naar eindnoten.

1) Deze aanteekeningen zijn als no. 501 vermeld op blz. 1847 van den catalogus der handschriften in de Provinciale Bibliotheek te Leeuwarden. Dit m.s. is echter sedert 1887 onvindbaar. Het door mij vermelde werd in 1884 door den gedeputeerde J. van Loon uit voormeld handschrift overgenomen en toegezonden aan Mr. W.B.S. Boeles. Zoo kwam het in mijn bezit.
2) Het Friesch Museum bezit dergelijke holle borden van 18e eeuwsch porselein.
3) Geschiedk. beschrijving van Leeuwarden, II, blz. 47 v.v.
4) Hier is kennelijk bedoeld de verderop genoemde gevelsteen.
5) Ontleend aan het Fransche „telamons”: beelden, die iets dragen. Dus houten consoles met menschenhoofden of steenen caryatiden.
6) holten


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer