Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: Fryslân 8;2/3 (2002), 8-17.

Het Fries Genootschap als koploper in museaal besef
Negentiende eeuwse initiatieven tot musealisering van de volkscultuur in Friesland

Ad de Jong*

Afgelopen Goede Vrijdag nam een gezin met zes kinderen - waaronder een baby - uit Hoofddorp zijn intrek in een heel klein landarbeidershuisje uit Damwoude, dat sinds enkele maanden is herbouwd in het Nederlands Openluchtmuseum. Zij zijn er bij wijze van experiment voor de paasdagen gehuisvest om anno 2002 te ervaren hoe het is om met een groot gezin in een dergelijk klein onderkomen te leven, zoals dat in 1947 nog het geval geweest moet zijn. Het huisje is werkelijk heel bescheiden: één kamer met drie bedsteden, een stal met een levende geit en een plankje met twee petroleumstellen, dat het keukengedeelte vormt. Stromend water is er niet, laat staan een douche, en de plee is buiten. Het totaal heeft een oppervlakte van slechts 30 m².

Voor het museumpubliek van vandaag is het niet meer voldoende een dergelijk huisje alleen maar vanaf een afstand te bekijken, graag wil men het beleven en het allerliefst er in leven, al is het maar voor enkele dagen. De oproep van het museum voor dit experiment vond gehoor bij wel 130 gezinnen, waaruit het gezin uit Hoofddorp uiteindelijk is gekozen. Toen een van mijn collega’s bij een voorbespreking de ouders bij voorbaat hartelijk dankte voor hun bereidheid onder zulke barre omstandigheden te willen leven, verklaarden zij nadrukkelijk dat zij het museum dankten uitverkoren te zijn voor deze unieke ervaring. Afgezien van het avontuur dat zij tegemoet gingen, vonden zij het ook uitermate leerzaam voor de kinderen te leven zonder de hedendaagse luxe.

Op zoek naar Hindeloopen

Het experiment met het gezin in het Waldhûske uit Damwoude is een uitvloeisel uit een museale ontwikkeling van ongeveer anderhalve eeuw die in het negentiende eeuwse Friesland haar pionierstijd beleefde. Ik neem nu dan ook samen met u afscheid van het Nederlands Openluchtmuseum anno 2002 en ga terug naar de universiteit van Franeker (toen athenaeum geheten) in 1823. Daar waren op een avond ten huize van Professor J.W. de Crane de Leidse student Jacob van Lennep en zijn pas afgestuurde vriend Dirk van Hogendorp neergestreken tijdens hun voettocht door Nederland. Onder het verorberen van snetlaagjens en colombijntjes – ter geruststelling van de vegetariërs onder u: dit waren geen vogeltjes maar koekjes – zal het gesprek ongetwijfeld gekomen zijn op het bezoek dat beide Leidse heren enige dagen eerder gebracht hadden aan Molkwerum en Hindeloopen. Zij waren er naartoe gegaan om de kleding van de vrouwen te bezichtigen, maar in Molkwerum kwamen zij geen mens tegen, terwijl het dorp geheel vervallen was. Vervolgens trokken zij door naar Hindeloopen, dat er vanaf een afstand goed uitzag, maar tegenviel toen ze eenmaal in het stadje waren aangekomen. Ook daar kwamen zij geen vrouwen tegen, hoewel zij graag hadden willen zien hoe de klederdracht was.

Van Lennep was al op de hoogte van merkwaardige gewoonten bij de ‘vrijerij’ in Hindeloopen en van het feit dat de Hindeloopers slechts één vertrek in hun huis bewoonden, terwijl de pronkkamer alleen gebruikt werd bij geboorte en dood. Dat alles wilde hij graag met eigen ogen aanschouwen, maar hij kreeg niets te zien. Teleurgesteld over de Hindeloopers die ‘zeer schuw en vooral voor vreemdelingen bevreesd’ waren, trokken Van Lennep en Van Hogendorp verder naar Workum. Ten tijde van de voettocht van Van Lennep en Van Hogendorp door Nederland, waren Hindeloopen en Molkwerum plaatsen die niet overgeslagen mochten worden. Dat waren zij al eeuwen, want raadpensionaris Johan de Witt zond zijn voorname buitenlandse gast prins Cosimo de Medici, de latere groothertog van Toscane al in 1669 naar Molkwerum om de plaats te bezichtigen. De plaats was toen nog geen bezienswaardigheid vanwege de pronkkamers, maar wel vanwege de bijzondere taal, de merkwaardige kleding – de vrouwen droegen hoofddeksels in de vorm van een doos - en het feit dat de huizen zó ongeordend waren neergezet dat een onbekende er verdwaalde als in een doolhof. Een van de adjudanten van de prins maakte er een pentekening van in zijn journaal, waarop inderdaad een chaotische hoop huizen te zien is.

Als er één geleerde was, die de teleurstellende ervaring van Van Lennep en Van Hogendorp in Hindeloopen en Molkwerum weer enigszins goed kon maken dan was het wel De Crane. Deze had een etnologische blik avant la lettre op het verschijnsel en bestudeerde de zeden en gewoonten in combinatie met de taalkundige ontwikkeling en de oudheden. Hij zag de eigenaardige gewoonten in beide plaatsen als oeroude Friese zeden, die sinds de Middeleeuwen onveranderd waren gebleven. Wat de toelichting van De Crane aan de Leidenaren inhield, hebben de heren helaas niet beschreven; het enige dat zij in hun reisverslag vermeldden was wat zij gegeten hadden en dat De Crane een engel van een meisje had die het allemaal opdiende.

Eekhoff

Afb. 1. Portret Eekhoff.
Wopke Eekhoff, boekhandelaar en gemeentearchivaris van Leeuwarden.

Enkele jaren na het bezoek van Van Lennep en Van Hogendorp, in 1827, werd het Fries Genootschap opgericht. Reeds in de eerste vergadering meldde De Crane een onderzoek naar Molkwerum en Hindeloopen aan als een waardig onderwerp voor het nieuwe genootschap.

Lange tijd liet het Genootschap het onderwerp echter liggen totdat de Tweede Afdeling van het Fries Genootschap, de afdeling die ging over de oudheden, in 1848 een nieuwe voorzitter kreeg, Wopke Eekhoff (1813-1880). Sinds 1834 was deze Leeuwarder boekhandelaar lid van het deftige Fries Genootschap. In tegenstelling tot de meeste andere leden beschouwde hij de bijeenkomsten van het Genootschap niet als aristocratisch tijdverdrijf. Hij wilde werkelijk verzamelen, documenteren en publiceren. Nog maar een jaar lid, kwam hij al met voorstellen om de verschillende afdelingen van het Genootschap te activeren, maar deze vielen onder de oudere leden niet in goede aarde. Als voorzitter van de Tweede Afdeling kreeg hij nu de kans een en ander naar eigen inzicht te organiseren. De twee belangrijkste onderwerpen waarmee de Tweede Afdeling zich vanaf 1848 ging bezig houden, waren Hindeloopen en de terpvondsten. Terpafgravingen (vanwege de vruchtbare grond) kwamen steeds meer voor en leverden archeologisch interessante vondsten op. Dit nieuwe onderzoeksterrein werd gestimuleerd door de Germaanse oudheidkunde of ‘Germanenforschung’, die in de late achttiende eeuw in Duitsland tot ontwikkeling was gekomen. Het ging daarbij niet alleen om archeologisch, maar ook om volkskundig onderzoek. Duitse geleerden als Johann Gottfried Herder (1744-1803) en de broers Jacob (1785-1863) en Wilhelm (1786-1859) Grimm zochten naar sporen van de oude Germanen in volksverhalen en -liederen.

Materiële volkscultuur

Afb. 2. Hindelooper dracht.
Het vlechten van het haar in Hindeloopen, volgens J.H. Halbertsma een traditie die al door de Romeinse schrijver Tacitus beschreven is en kenmerkend is voor de vrije Friezen. Tekening door Hendrik Lap (1824-1874).

Zoals Auke van der Woud in zijn boek De Bataafse hut laat zien, vond er aan het eind van de achttiende en in het begin van de negentiende eeuw een kentering plaats in de oriëntatie op het verleden. Werden de culturele wortels daarvóór vooral gevonden in de klassieke cultuur, dat wil zeggen de Griekse en Romeinse oudheid, met de Romantiek ging men zich meer richten op de wortels van het eigen volk en die meende men te vinden in het Oudgermaanse verleden. Naar men dacht – we zagen het bij De Crane - bewaarde de volkscultuur nog sporen van dit verleden. Van iets dat ruw en onbeschaafd was en bestreden moest worden, werd de volkscultuur verheven tot iets dat gekoesterd en bewaard moest worden. De relatie tussen terpvondsten en Hindelooper voorwerpen was dan ook minder ver verwijderd dan wij vanuit de huidige verkaveling van het museale veld zouden denken. De terpvondsten werden in het jaarverslag van het Fries Genootschap genoemd ‘de stomme getuigen van het huiselijk en maatschappelijk leven onzer voorvaderen’. De weinig aan verandering onderhevige volkscultuur leverde naar men dacht ook voorwerpen op, die getuigden van de zeden en gewoonten van verre voorouders. De belangstelling voor de archeologie werkte die voor de volkskunde in de hand. Het waren twee wegen om tot hetzelfde te komen: de oorsprong van de Friezen. Eekhoff had interesse in ‘materiële cultuur’ en zette vaart achter de catalogus van oudheidkundige voorwerpen in de provincie Friesland, waaraan het Genootschap eerder al was begonnen. Eekhoff besloot de studie van Hindeloopen een hoge prioriteit te geven. Daarbij moesten vragen beantwoord worden over de oorsprong van de eigenaardigheden van Hindeloopen, de periode waarin de afwijking in de zeden, kleding en taal van de overige Friezen begon, en de eventuele buitenlandse invloeden. Hij stelde het Genootschap voor één exemplaar te verzamelen van ieder onderdeel van de huisraad en de kleding. Eekhoff voegde daar nog aan toe, dat dit onderzoek nú moest plaatsvinden, aangezien anders de nog levende bejaarde inwoners van Hindeloopen zouden zijn overleden en daarmee oude overleveringen verloren zouden gaan.

Intussen besloot Eekhoff ook zelf eens in Hindeloopen op bezoek te gaan. Nauwkeurig onderzocht hij de voorwerpen aanwezig bij de Bank van Lening, bij de burgemeester en op het stadhuis. Hij verbaasde zich over de schat aan oude stukken, die daar bewaard werden. Daaronder vond hij houten en zilveren modelltjes van voorwerpen uit het huishoudelijk gebruik. Van de houten modelletjes wilde hij van ieder soort één verzamelen ten behoeve van het Fries Genootschap, om zo een miniatuurcollectie van de zonderlinge huishoudelijke voorwerpen van de Hindeloopers bijeen te brengen. Als begin van deze collectie gelukte het hem een ‘zeer net bewerkt’ trapje en stoofje te verwerven. Omdat er geen goede afbeeldingen van de klederdracht en de pronkkamer bestonden, had de Hervormde predikant van Hindeloopen, H.A. Ferf, de schoenmakersknecht Hendrik Lap, ‘die aardig kon teekenen’, gevraagd hiervan afbeeldingen in kleur te maken. Eekhoff bestelde er een aantal voor het Fries Genootschap. De tekeningen waren volgens Eekhoff wel niet geheel naar de regelen der kunst, maar kwamen hem toch ‘zoo wáár’ voor, dat zij ‘een duurzame waarde’ zouden hebben. Lap kon de tekeningen maar op enkele overgebleven kamers baseren. De tekeningen van klederdrachten maakte hij op aanwijzingen van een paar hoogbejaarde weduwen. Eekhoff beperkte zich niet tot de tekeningen. Ook kocht hij voor het Genootschap een aantal Hindelooper kledingstukken (waaronder een sitsen wentke, de beroemde lange vrouwenjas voor de zondagse dracht die van voren open gedragen werd). Doordat de Hindelooper voorwerpen nu als tekens van oorspronkelijkheid en continuïteit werden gewaardeerd, namen zij toe in belang en pasten zij in het repertoire van het Fries Genootschap. Zij konden beginnen aan een tweede, museaal leven. De meubels waren nog slechts houten modelletjes. Het was ook nog maar een begin. Weldra zouden de echte meubelen volgen.

Friese identiteit

In 1851 meldde Eekhoff dat de verzameling voorwerpen was toegenomen. Tot dan toe had het Genootschap alles bewaard als een onbewerkte en ongeordende hoop. Met name de rijke oogst uit de terpen had ertoe geleid, dat een ordening moest worden aangebracht. Daartoe had het Genootschap zich ‘eene doelmatige kast’ aangeschaft, waarin de voorwerpen door de zorg van Eekhoff nu zo gerangschikt waren, ‘dat het geheel een bezienswaardig kabinet aanbiedt’. Bij deze ene kast zou het echter al spoedig niet blijven. De verzameling Hindelooper kleding en meubelmodellen die Eekhoff aanlegde, was zo een eerste teken van musealisering van volkscultuur. Onder musealisering versta ik het meenemen van objecten, die ter plaatse dreigen te verdwijnen en het onderbrengen van deze objecten in een nieuwe, beschermende omgeving. Daar krijgen zij een nieuwe functie en nieuwe betekenis: van gebruiksobject worden zij bezienswaardigheid. Eekhoff trok de Hindelooper voorwerpen als het ware uit hun lokale context en bracht ze in een algemeen-Friese context. Deze verplaatsing werd door hem gerechtvaardigd als een reddingsactie: in situ ging het karakteristieke nu immers onherroepelijk verloren. Rond het midden van de negentiende eeuw waren het typerende Hindelooper interieur en de klederdracht al bijna uitgestorven. De herplaatsing binnen het gedachtegoed van het Fries Genootschap diende echter een ander doel dan redding alleen. Het ging ook om nieuwe betekenisgeving. Uit Eekhoffs nauwelijks verhulde maatschappijkritiek, een kritiek op het verkwanselen van de eigen identiteit door het volgen van de mode van Parijs, blijkt dat het niet alleen ging om de oudheidkundige waarde van de voorwerpen. Het ging ook om een cultuurpolitiek doel: het wijzen op het belang van de eigen Friese identiteit.

Noordzee-relaties

Friesland liep hiermee voorop in Nederland. Dit had waarschijnlijk te maken met het feit, dat de behoefte aan eigen identiteit bij de elite in deze provincie groter was dan elders. Friesland had in de nieuwe eenheidsstaat zijn autonome positie, die het als gewest van de Republiek had, verloren. Veel zaken werden nu in Den Haag beslist. De hoogtijdagen van de Friezen lagen, anders dan in ‘Holland’, niet in de Gouden Eeuw, maar in de vroege Middeleeuwen, in de zevende tot de negende eeuw, toen Friesland zich uitstrekte langs de Noordzee van de Eider (in Sleeswijk) tot aan het Zwin bij Brugge of verder naar het zuiden. Friesland speelde toen een belangrijke rol in het Noordzeegebied samen met de Britse eilanden en Scandinavië. De terpvondsten waar het Fries Genootschap zich mee bezig hield, werden hieraan gerelateerd, de gevonden munten vertelden immers het nodige over de handelsbetrekkingen. Vanaf 1840 organiseerde het Fries Genootschap zogenaamde winteravonden. Deze werden met een zekere regelmaat gehouden, meestal zo'n vier- à vijfmaal per winter (november tot en met maart) bij voorkeur bij volle maan, zodat de leden die buiten Leeuwarden woonden goed de weg naar huis konden vinden op het donkere platteland. Doorgaans hield een van de leden een lezing, was er daarna discussie en werden er nog losse mededelingen gedaan of werd een gedicht in het Fries gedeclameerd. Eekhoff deed er geregeld verslag over zijn vorderingen met de studie van Hindeloopen. Op deze bijeenkomsten zochten de leden naar de oorsprong van de Friezen in de eerste eeuwen na Christus, de vroegere grenzen van hun woongebied, de Friese taal, het Fries recht, de Noordse mythologie en de verwantschap met andere Germaanse stammen zoals de Angelen en de Saksen, waarmee de Friezen samen Groot-Brittannië binnenvielen.

In Friesland was men eerder en meer ontvankelijk voor de Germaanse oudheidkunde en de zich ontwikkelende volkskunde dan in de rest van Nederland. Dit bleek ook uit de contacten, die het Fries Genootschap met vergelijkbare buitenlandse gezelschappen legde. Zo was er een uitwisseling van publicaties met o.a. het Koninklijk Gezelschap van Noordsche Oudheidkunde in Kopenhagen, de Smithsonian Institution en de Philological Society in Londen. Tekenend voor de oriëntatie op de middeleeuwse Noordzee-relaties was het feit dat het Fries Genootschap vooral contact zocht met genootschappen en geleerden in Groot-Brittannië en Denemarken. Tot de honoraire leden hoorden in 1843 een aantal Engelse en Deense geleerden, uit Duitsland alleen Jacob Grimm. De bijzondere positie die men Friesland toedacht had ook te maken met de omstandigheid, dat het gebied niet door de Romeinen bezet was geweest en dat de Friezen als enige Germaanse stam ten tijde van de Grote Volksverhuizing (vijfde en zesde eeuw na Chr.) op dezelfde plaats waren blijven wonen. Daardoor dacht men dat het Germaanse karakter zich bij de Friezen in zuiverder vorm gehandhaafd had dan elders en dat de gebruiken zich bij hen beter hadden kunnen handhaven, wat voor de ‘Germanenforschung’ natuurlijk een buitenkans was. Het was een facet dat met name in Duitsland de aandacht trok en maakte dat Duitse volkskundige musea vaak objecten uit Friesland voor hun verzamelingen probeerden te verwerven, tot complete Hindelooper kamers toe.

Van gebruiksgoed tot erfgoed

Afb. 2. Portret Halbertsma.
Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869).

De reiziger die sinds 1855 Leeuwarden bezocht, kon in het nieuwe gebouw van het Paleis van Justitie iets bijzonders zien. Achter de indrukwekkende, kolossale zuilengalerij van het in neoclassicistische stijl opgetrokken gebouw ging meer schuil dan het gerechtshof alleen. In twee lokalen ervan bevond zich het Antiquarisch Kabinet van Friesland, ook wel het Fries Kabinet van Oudheden genoemd. Het was in 1853 opgericht door het Provinciaal Bestuur. Daar was de verzameling te zien die het Fries Genootschap sinds de oprichting in 1827 bijeen had gebracht. In de ene zaal kon de bezoeker een aantal schilderijen en tekeningen van staten en stinzen (adellijke landhuizen en versterkte woningen) zien, in de andere bevonden zich de oudheden en boeken. In het midden van laatstgenoemde zaal stonden vier met glas bedekte kasten met daaronder twaalf schuifladen voor de terpvondsten en proeven van de verschillende grondsoorten. Aan de wanden hingen schilderijen. Natuurlijk trok ook de ‘keeftkast’ de aandacht. Daarin waren de Hindelooper kledingstukken opgeborgen, die het erelid dr. Joost Hiddes Halbertsma (1789-1869), de beroemde Friese taal- en letterkundige, had verzameld en geschonken aan het Kabinet. Deze besloegen bij elkaar zo'n 23 kledingstukken en accessoires uit Hindeloopen, zoals mutsjes, doeken, hemden, rokken, schorten, alsmede een ‘wentke’ en een ‘kassekyntje’ (een kort jak van sits als daagse kleding), beide van ‘Oost-Indische’ sits. Een bijzondere plaats nam ook een staalboek in, waarin 82 stalen van Hindelooper bonte stoffen, meest uit Oost-Indië, opgenomen waren. De kledingstukken waren hiermee flink ‘opgewaardeerd’. Waren zij voordien uitsluitend ter plaatse als ‘gebruiksgoed’ gedragen door de Hindelooper bevolking, nu de traditionele kledingstukken in Hindeloopen zelf nauwelijks meer gedragen werden, waren zij als Fries ‘erfgoed’ tentoongesteld in de provinciale hoofdstad. Het verzamelen van klederdrachten was toen in de rest van Nederland een nog onbekend verschijnsel.

Halbertsma werd evenals Eekhoff geïntrigeerd door de Hindelooper cultuur. In de periode, dat hij predikant was in Bolsward, deed hij al onderzoek in de Zuidwesthoek. Zijn eerste aantekeningen dateren zelfs van 1820. Later in Deventer, waar hij doopsgezind predikant was, verzamelde Halbertsma tal van voorwerpen. Zijn huis was een ‘rijk museum’ met zóveel verschillende voorwerpen dat een bezoekster ervan duizelde. Kennis van de oudheden was voor Halbertsma geen dode studie. De studie van gebruiken en zeden, was gunstig voor de gezondheid en kracht van de burgers van de staat, aldus Halbertsma in een brief aan het kamerlid L.C. Luzac. De werktuigen en sieraden van vroeger waren volgens hem de uitdrukking van de aard en het karakter van de oude Friezen. Een linnen mutsje en doekje uit Hindeloopen waren volgens Halbertsma niet zomaar een mutsje en doekje, maar een dracht, die verwees naar de oude Friese vrijheid. De Hindelooper kappen – wij hebben het al over de hoofddeksels in de vorm van een doos gehad- waren zo ruim, dat daaronder lange vlechten kunnen worden opgerold, zodat het haar niet kort geknipt hoefde te worden. Halbertsma gaf daarbij de volgende toelichting: ‘Door die lange vlechten plaatsten de Friezinnen zich niet slechts onder de vrouwen van een vrij volk, maar onder de aanzienlijkste vrouwen der Germaansche rassen’; dit in tegenstelling tot de onvrijen, die bij de oude Germanen verplicht waren kort haar te dragen’. Halbertsma legde hier een direct verband tussen de Friese volkscultuur en de beschrijving van de gewoonten bij de oude Germanen van de hand van Romeinse schrijvers. Zo vergeleek hij het vlechten van het haar ook met de gewoonte om het haar op te knopen bij de Germaanse Sueben, zoals beschreven door de geschiedschrijver Tacitus (ca. 55 - ca. 120 na Chr.)

'Vervloeijen der Europische nationaliteiten'

De betekenis, die Halbertsma aan de objecten gaf, was dat zij de herinnering aan het grootse verleden van het Friese volk hoog hielden. Het ging daarbij om wat de sterk Engels georiënteerde Halbertsma noemde de ‘publick spirit’ (sic), die het voorgeslacht bezielde en die het Friese volk moest blijven bezielen. De klederdrachten namen daarbij een belangrijke plaats in. Die waren de uitdrukking van het nationaal gevoel voor 't schoone. Hij deed dan ook een beroep op het nationaal gevoel van de Friezen om het Kabinet te verrijken met zulke voorwerpen. Dat was nodig, want de nieuwe generatie gaf volgens hem niets meer om erfstukken, zoals huisraad en klederdracht. Er dreigde een jonge elite te ontstaan, die liever dan het erfgoed van het eigen volk te koesteren zich overgaf aan een Europees-kosmopolitische cultuur, in het bijzonder de mode uit Parijs. Deze jongeren keken meewarig neer op datgene wat hun ouders hun hadden nagelaten. Bij het ‘naderend vervloeijen der Europische nationaliteiten’ , zo formuleerde Halbertsma het, zouden zij de traditionele erfstukken verkopen om modieuze artikelen aan te schaffen.

Halbertsma's opvattingen waren een duidelijk voorbeeld van ‘etnisering’ van klederdracht: de klederdracht werd onlosmakelijk gekoppeld aan het volk en het volkskarakter van de Friezen; naar binnen toe moest de klederdracht het gevoel van gezamenlijke afkomst en eensgezindheid opwekken, naar buiten toe de herkenbaarheid van het Friese volk versterken. Halbertsma's tegenstelling klederdracht-mode had te maken met zijn opvatting over de tegenstelling volk-elite. Deze was bepalend voor het soort voorwerpen dat hij verzamelde. In het volk zag hij de gewone mensen die zich niet konden onttrekken aan de begrenzingen in tijd en ruimte die het leven hun stelde. Daardoor vertegenwoordigden zij continuïteit (in de zin van traditie) en nationaliteit (in de zin van het inheemse). De elite, die zich wel kon ontworstelen aan deze begrenzingen, richtte zich op een standaard die buiten de natie lag, een standaard die boven de grenzen van de nationaliteiten uitging en daarmee kosmopolitisch was. Het typisch nationale en traditionele, het eigene, was volgens Halbertsma dus alleen te vinden bij het gewone volk; wilde men er zicht op krijgen, dan moest men voorwerpen uit de cultuur van het gewone volk verzamelen en bestuderen. Daarom kreeg het Fries Kabinet van Halbertsma een groot aantal objecten uit de volkscultuur ten geschenke zoals kleding en huisraad, merendeels afkomstig uit Hindeloopen. Het Fries Kabinet was met deze volkskundige collectie een noviteit in Nederland. Niet het invloedrijke Germanisches Nationalmuseum in Neurenberg was een voorbeeld voor Halbertsma, maar vooral de kabinetten van oudheden die hij in Groot-Brittannië had leren kennen. Wat hem daar aansprak, was, dat er naast een nationale verzameling van oudheden in het British Museum in elk graafschap en in vele steden afzonderlijke kabinetten waren. De gehechtheid aan het eigen graafschap of de geboortestad maakte volgens Halbertsma, dat men zich intensief voor deze kabinetten inspande, terwijl het grote British Museum mensen uit de afgelegen provincies niet aansprak.

Het Fries Kabinet

Een dergelijke inspanning hoopte hij ook bij de Friezen te bewerkstelligen. Zijn Programma voor Frieslands Kabinet, beginnend met de oproep ‘Friezen!’, is te beschouwen als een appèl aan het Fries regionaal gevoel, waarvoor hij zelf overigens de term ‘nationaal’ gebruikte.

Er waren tussen het Fries Kabinet en de privé-kabinetten uit de achttiende eeuw overigens enkele wezenlijke verschillen. In de eerste plaats ging het nu niet meer om een universele collectie, maar om inheemse bodemvondsten en voorwerpen betreffende de eigen geschiedenis. Er werden geografische criteria gesteld aan de collectie, namelijk dat deze betrekking zou hebben op Friesland. Ten tweede ging het niet meer om een encyclopedische collectie van voorwerpen uit de hele wereld, maar om een collectie met een nationaal cultuurpolitiek doel: het Fries kabinet moest het eigen erfgoed bewaren en doorgeven aan een volgende generatie, waarbij verwacht werd dat dit de identiteit van de gemeenschap zou ondersteunen. Het Fries Kabinet kreeg dan ook een openbare functie. Het sleutelwoord in deze verandering was het woord erfgoed. Sprekend over het bewaren van de overblijfselen van het voorgeslacht, over erfenis en erfgenamen, introduceerde Halbertsma in feite het begrip cultureel erfgoed, al noemde hij dat niet met name. Zoals notabele families hun tastbare familieherinneringen bewaarden en mede daarmee hun familie identiteit gaven - het is prachtig door Henk Nicolaï beschreven voor de Kingma's, die overigens aangetrouwde familie van Halbertsma waren - zo kon het collectieve erfgoed de Friese gemeenschap identiteit geven. In feite heeft het begrip ‘erfgoed’ een tijdsperspectief naar twee kanten: enerzijds slaat het op het verleden, dat men ontvangt en zich toeeigent; anderzijds slaat het op de zorg voor het erfgoed met het oog op de toekomst: het voor latere generaties te behouden en betekenis te geven. Bij Halbertsma vinden wij dit dubbele perspectief van verleden en toekomst terug. Enerzijds wijdde hij zich aan de studie van de volkscultuur en verzamelde die om het volk waartoe hij hoorde en daarmee zichzelf te leren kennen. Anderzijds ging het hem ook om de toekomst, de bestemming. Het was Halbertsma's bedoeling, zo beschrijft Goffe Jensma het in Het rode tasje van Salverda, dat de Friese burger zich bewust werd van zijn Friese karakter. Halbertsma vertelde de Friezen wie zij waren geweest, maar ook wie ze zouden moeten blijven. Het Fries Kabinet speelde hierbij tijdens Halbertsma's leven nog slechts een beperkte rol, het was immers een bescheiden collectie in twee vertrekken. De stap naar een ruimere verbreiding van het erfgoed door middel van een grote tentoonstelling was nog slechts een kwestie van tijd.

Grote Historische Tentoonstelling

De boodschap die Halbertsma het Kabinet meegaf, is goed begrepen, zeker in kringen van het Fries Genootschap. Het Kabinet breidde meer en meer uit en in 1877 kon het Fries Genootschap zijn 50-jarig bestaan vieren met een grootse tentoonstelling in het Stadhouderlijk Hof hier in Leeuwarden. Het idee voor de tentoonstelling was afkomstig van de nog jonge C.H.F.A. Corbelijn Battaerd, die in 1874 bestuurslid werd van het Fries Genootschap en custos van de verzamelingen munten en penningen. Hij diende een voorstel in om ook in Friesland een tentoonstelling van oudheden te houden zoals de jaren daarvoor al in diverse steden in Nederland tot stand was gebracht. Hij had inmiddels informatie ingewonnen bij de commissies die deze tentoonstellingen hadden georganiseerd en vernomen dat de uitkomst van al die tentoonstellingen financieel voordelig was geweest. Hij achtte een dergelijke tentoonstelling ook in Friesland wenselijk als stimulans voor het bewaren van oudheidkundige voorwerpen. Mr. J. Dirks, voorzitter vanaf 1852 en inmiddels de ‘grand old man’ van het Genootschap, stond sympathiek tegenover het plan, maar zag op tegen het vele werk. Het was Battaerd die de zaak wilde doorzetten. Hij werd wel beschreven als een ‘man van de daad, die gaarne te midden van de drukte zat’. Toen er voldoende aanwijzingen waren, dat men zou kunnen beschikken over belangrijke bruiklenen en bijdragen aan het waarborgfonds, besloot het Fries Genootschap definitief tot het houden van de tentoonstelling. Er kwam een aparte tentoonstellingscommissie, waarvan Dirks voorzitter werd en Corbelijn Battaerd secretaris . Ook Eekhoff werd lid van de commissie. Halbertsma maakte dit alles niet meer mee: hij was in 1869 op 79-jarige leeftijd overleden. Met het tentoonstellingsplan stortte het Genootschap zich in een ambitieus project, dat ook financieel niet zonder risico was. Men spiegelde zich echter aan andere tentoonstellingen van ‘oudheden’, die elders al gehouden waren, zoals in Zaandam (1874) en Amsterdam (1876). De tentoonstelling in Amsterdam werd ter gelegenheid van het 600-jarig bestaan van die stad gehouden in het voormalige Oudemannenhuis.

Amsterdams voorbeeld

Battaerd zwoegde maanden lang van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat om alle voorbereidingen te treffen. Er werd een programma ontwikkeld bestaande uit zeventien thema's, volgens welke de voorwerpen tentoongesteld zouden worden. Een grote rubriek was die van zeden en gewoonten, waaronder verstaan werd zaken als huisinrichting, volksvermaken, schaatsen, kaatsen en zeilwedstrijden, kinderprenten, kleding en sieraden en tradities uit de levenscyclus. Het programma was duidelijk geënt op de andere tentoonstellingen die al hadden plaatsgevonden. Van de Historische Tentoonstelling van Amsterdam nam men vitrines over. Evenals in Amsterdam koos men in Leeuwarden de naam ‘historische tentoonstelling’ in plaats van het gebruikelijke ‘tentoonstelling van oudheden’. In nog een ander opzicht was de Amsterdamse tentoonstelling bepalend. Daar had men diverse complete vertrekken ingericht: twee kamers, één uit de zeventiende en één uit de achttiende eeuw, en verder een slaapkamer en een keuken, beide uit de zeventiende eeuw. De routing voor de bezoekers liep door deze vertrekken heen, zodat men de interieurs van binnen uit kon beleven. Deze ‘ensembles’ waren ingericht door de latere architect van het Rijksmuseum, dr. P.J.H. Cuypers, die ook de routing had ontworpen. Volgens J.A. Alberdingk Thijm waren zij zeer geslaagd omdat zij de bezoeker de illusie gaven verplaatst te worden naar de zeventiende of achttiende eeuw. Het leek wel of Maria Tesselschade zo binnen zou komen wandelen om achter haar spinnewiel te gaan zitten.

Wat aansprak was kennelijk het totaalbeeld dat de vertrekken opleverde, waarbij alle voorwerpen in hun context werden geplaatst, althans in wat Cuypers hun context achtte te zijn. Cuypers zou later bij de inrichting van het nieuwe Rijksmuseumgebouw op de ervaring van het totaalbeeld voortbouwen, door de vormgeving van de zalen qua stijl en datering aan te passen aan de voorwerpen die er tentoongesteld werden. Verder liet hij een kapel, een schepenzaal en een Oudhollandse kamer in het Rijksmuseum inbouwen. Voor zover bekend, was het op deze Historische Tentoonstelling van Amsterdam dat Nederland voor het eerst kennis kon maken met deze manier van inrichten van complete kamers. Wij kunnen Cuypers dus beschouwen als de vader van het ‘museaal ensemble’ in Nederland. Het fenomeen was echter niet exclusief Nederlands, al zouden de Oudhollandse kamers die indruk kunnen wekken. De eerste complete kamer werd al in 1832 door de Franse oudheidkundige Alexandre Du Sommerard ingericht. Hij stelde zijn omvangrijke verzamelingen op een evocatieve en schilderachtige wijze tentoon in het Hôtel de Cluny in Parijs; daaronder was een gereconstrueerde inrichting van de kamer van koning Frans I. Cuypers moet deze kamer ongetwijfeld gekend hebben.

Hindelooper kamer

Afb. 3. Hindelooper schildersjongen.
Christoffel Bisschop (1828-1904), Hindelooper schildersjongen (ca. 1900), Fries Museum.

Na Cuypers' primeur in Amsterdam zorgde de Historische Tentoonstelling van Friesland voor een volgende primeur door diens concept toe te passen op een ‘etnografisch’ interieur. Bij de voorbereiding van de tentoonstelling in Leeuwarden werd niet alleen besloten een zeventiende eeuwse slaapkamer en een keuken in te richten zoals in Amsterdam. Geheel origineel was het voornemen een Hindelooper kamer te reconstrueren. Battaerd ging daarvoor naar Hindeloopen, samen met timmerman J. Vonk, die voor het timmerwerk voor de tentoonstelling was aangesteld en met de schilder P. Bosma, die in de arm genomen was om de tegels van de Hindelooper kamer op de muur na te schilderen. Daar gingen zij zich op de hoogte stellen van de ‘nog aanwezige overblijfselen’ zodat zij zich een voorstelling konden maken van de vroegere toestand van zo’n kamer. Bovendien zou Battaerd proberen in Hindeloopen de meubels en de kleinere voorwerpen die traditioneel in de kamer hoorden in bruikleen te krijgen. De burgemeester van Hindeloopen had geregeld dat enige gebouwen van binnen bekeken konden worden. Van de Hindelooper meester- timmerman Wiggerts werden een houten beschot, verschillende deuren en bedsteedeuren in bruikleen verkregen, die per schip naar Leeuwarden werden gestuurd.

Het liep allemaal voorspoedig en Battaerd kreeg voldoende meubelen en porselein in bruikleen. Tenslotte liet hij vier levensgrote houten poppen vervaardigen voor het uitbeelden van een gezin uit Hindeloopen in klederdracht. Deze werden naar Hindeloopen gestuurd om daar onder het toeziend oog van mevrouw Corbelijn Battaerd door een aantal dames te worden aangekleed. Een exacte kopie van een oorspronkelijk bewaard gebleven kamer werd het niet, want dergelijke kamers waren inmiddels verdwenen. De inrichting vormde ook geen ensemble dat altijd bij elkaar gehoord had, maar bestond uit diverse bruiklenen. De Hindelooper kamer was dus een reconstructie op basis van ‘overblijfselen’ in Hindeloopen zelf. Bij deze reconstructie zullen de tekeningen van Hendrik Lap goede diensten hebben bewezen, al moeten wij bedenken dat die ten dele ook al op herinneringen gebaseerd waren. De reconstructie getuigde echter wel van grote zorgvuldigheid: in Hindeloopen werd nagetrokken wat nog na te trekken was en de lokale bevolking werd te hulp geroepen. Dat gold ook voor het aankleden van de poppen. Dat de tegels op de wanden niet echt konden zijn, maar nageschilderd werden, hing uiteraard samen met de tijdelijkheid van de tentoonstelling. In zekere zin was de reconstructie van de Hindelooper kamer vergelijkbaar met de romantische restauratiepraktijk van Cuypers, waarbij met de relicten van het verleden een nieuw geheel werd samengesteld. In de kamer was met de houten poppen een gezin uit Hindeloopen uitgebeeld, geschaard rond de tafel om thee te drinken. Dankzij de opdracht een fotoreportage van de tentoonstelling te maken - destijds heel modern - kunnen wij ons een behoorlijke indruk maken van het tafereel in de Hindelooper kamer.

Theatraal museumconcept

Er waren zoveel Hindelooper objecten ingezonden, dat lang niet alles een plaats kon krijgen in de kamer zelf. Battaerd wilde die laten zien zoals die werkelijk geweest was en niet vol gezet met vitrines. Daarom kreeg een aantal Hindelooper meubels en klederdrachten een plaats op de gang. Zo werd het theatrale museumconcept van Du Sommerard via Cuypers door Corbelijn Battaerd in het etnografisch interieur toegepast. In Leeuwarden werd het een even groot succes als de kamer van Frans I in het Musée de Cluny. Over de Historische Tentoonstelling is door de oud-directeur van het Fries Museum C. Boschma het nodige geschreven. Het was een belangrijke en succesvolle gebeurtenis, die een cultureel hoogtepunt vormde voor Leeuwarden en tevens een uitstraling had naar de rest van Nederland en aangrenzende delen van Duitsland. De tentoonstelling liet een overvloed aan voorwerpen zien doordat veel meer objecten waren ingezonden dan verwacht, op zich een teken, dat de tentoonstelling kon rekenen op een behoorlijk draagvlak bij de intellectuele elite in Friesland en daarbuiten. In totaal waren er bijna 1500 inzenders. Op het gebied van volkscultuur had de tentoonstelling nog veel meer te bieden dan alleen de Hindelooper kamer, zodat deze met recht beschouwd kan worden als de eerste etnografische tentoonstelling in Nederland. Op de bovenverdieping waren nog een Amelander kamer, een zaal met Friese klederdracht, een gang vol zaken betreffende volkssporten en volksvermaken, om niet te spreken van houtsnijwerk zoals mangelplanken en allerlei kleinere voorwerpen zoals een verzameling knottedoeken en -kistjes, geboortelepels, tabaksdozen, beugeltassen, streeksieraden en een reeks oorijzers. Bovendien werd in het restaurant bediend door een meisje en een vrouw in Hindelooper klederdracht. De kostuums waren speciaal daarvoor uit Hindeloopen in bruikleen gevraagd. De commissie had tot deze vorm van levende klederdracht besloten, omdat dit al bij de ingang een goede indruk zou geven. De tentoonstelling was ook een financieel succes. In totaal hebben bijna 38.000 betalende bezoekers de tentoonstelling van juni tot en met oktober 1877 bezocht. De Hindelooper kamer werd het meest besproken onderdeel van de expositie en het is waarschijnlijk niet overdreven te stellen, dat deze er in hoge mate toe heeft bijgedragen om van de tentoonstelling ook het kassucces te maken, waardoor het mogelijk was een groot en representatief pand aan te kopen voor de vestiging van het Fries Museum.

Geen 'Historische' maar ‘Ethnografische Tentoonstelling’

Door middel van een reeks van recensies kreeg de Historische Tentoonstelling van Friesland ook volop aandacht buiten de provincie. De Franse journalist Henry Havard, die na de Commune van Parijs zijn toevlucht had gezocht in Nederland, besteedde er een serie artikelen aan in de Haagse krant Het Vaderland. De sterke nadruk - voor het eerst in Nederland - op de volkscultuur ontging hem niet. Naar zijn mening had de tentoonstelling in plaats van ‘Historische Tentoonstelling’ beter ‘Ethnografische Tentoonstelling’ kunnen heten, omdat zij meer inging op de zeden en gewoonten van het volk dan op veldslagen, voorname geslachten, moorden en omwentelingen. Ook de illusie van echtheid sprak Havard aan. Hij voelde zich plotseling in een andere wereld verplaatst. De bezoeker stond er letterlijk oog in oog met het theedrinkend gezelschap. De Hamburger Nachrichten vergeleek de illusie van de Hindelooper kamer met de kamers die eerder op de Historische Tentoonstelling van Amsterdam te zien waren. De krant kwam tot de conclusie dat o.a. door de opstelling van het tafereel in de Hindelooper kamer de Amsterdamse kamers verre overtroffen waren. De Leeuwarder arts dr. S. Sr. Coronel schreef een serie voor het Algemeen Handelsblad, die later in een apart boekje werd uitgegeven als herinnering. Ook hierin werd uitvoerig aandacht besteed aan de Hindelooper kamer, zoals uit de illustratie op het kaft wel blijkt. Met de presentatie op de Historische Tentoonstelling in Leeuwarden waren de lokale Hindelooper cultuurverschijnselen gemusealiseerd. De Hindelooper objecten waren, na eerst ‘losgemaakt’ te zijn uit hun plaatselijke context en naar Leeuwarden verscheept te zijn, nu in een nationaal-Friese context opgenomen. Coronel vond dit soort tentoonstellingen gunstig voor de ontwikkeling van het nationaliteitsgevoel. Dit alles nam niet weg, dat vanuit het Fries Genootschap, met een op Nederland en Europa gerichte voorzitter zoals Dirks, het Friese een eigen plaats kreeg binnen het Koninkrijk der Nederlanden. De vlaggen bij de ingang van de tentoonstelling lieten daar geen twijfel over bestaan: naast elkaar wapperden daar de oranje vlag, de nationale driekleur, de Friese vlag en de Oudfriese vlag.

Vooruit naar Corbelijn Battaerd

Met de belangstelling voor volkscultuur en het erfgoedbegrip van Halbertsma was de trend gezet voor verdere musealisering. Na de historische tentoonstelling van Friesland zien wij ook op nationaal niveau de belangstelling toenemen. Een jaar na de Leeuwarder tentoonstelling stuurde het Ministerie van Binnenlandse Zaken de Hindelooper kamer in op de wereldtentoonstelling in Parijs. In het laatste kwart van de negentiende eeuw, toen overal in Europa de volkscultuur gezien werd als de grondtoon van de nationale identiteit, stond ook in Nederland de verbeelding van de volkscultuur hoog in het vaandel. De gangbare mening dat in Nederland het cultureel nationalisme uitsluitend gestalte kreeg in de opwekking van de herinnering aan de Gouden Eeuw behoeft dan ook bijstelling. Wat in Friesland op museaal gebied gebeurde liep vooruit op een periode waarin nationaal en internationaal de volkscultuur vanwege haar vermeende eenvoud en natuurlijkheid grote aantrekkingskracht uitoefende op de elite. Schilders, wetenschappers en museummensen sublimeerden als ware ‘dirigenten van de herinnering’ de volkscultuur, evenals Grieg, Bartók en Dvořák volksmelodieën sublimeerden in hun composities en deze zo in concertzalen aan de stedelijke burgerij ten gehore brachten. Presentaties van volkscultuur werden een cultuurpolitiek middel, dat ingezet kon worden als bindmiddel in de samenleving en als teken van nationale identiteit, een rol die Halbertsma al toekende aan zijn verzameling van Fries erfgoed. In 1898 werden ter gelegenheid van de inhuldiging van koningin Wilhelmina klederdrachten uit alle delen van het land bijeengebracht in een nationale tentoonstelling. Samengebracht in een museum in de hoofdstad van het land, kregen de plaatselijke klederdrachten de betekenis van nationaal erfgoed.

In 1918 ging het Nederlands Openluchtmuseum open voor het publiek. Met compleet ingerichte boerderijen en huizen borduurde het voort op de presentatietechniek zoals die in Friesland met de Hindelooper kamer was ontwikkeld. Musealisering bleek een uitstekend middel om de lokale en regionale volkscultuur tot nationale volkscultuur te verheffen en er vervolgens de nationale identiteit mee tot uitdrukking te brengen. Het grootste grondstuk ‘Fryslân om utens’ in Nederland is zeker wel het Friese gedeelte van het Nederlands Openluchtmuseum met de kop hals romp boerderij uit Midlum, de zuivelfabriek Freia, de Hindelooper kamer, het waldhûske uit Damwoude, de spinnekopmolen en de tjasker. Enerzijds wijst het naar Friese cultuur, anderzijds schraagt het mede het beeld van Nederland en wellicht in de toekomst het beeld van Europa. Wij leven op het ogenblik in een tijd dat de vraag naar de nationale identiteit weer vaak te horen is. Gaat het proces van nationale eenwording uit de negentiende eeuw zich nu op Europese schaal herhalen? In de huidige debatten over nationale identiteit, Europese eenwording en globalisering hebben Halbertsma’s ideeën over de rol van het materiële erfgoed ontegenzeggelijk nieuwe actualiteit gekregen. En de Hindelooper kamer? Het Rijksmuseum in Amsterdam staat op het punt alle modernistische witte wanden eruit te gooien en het oorspronkelijke interieur van architect Cuypers in ere te herstellen. De architect H.J.M. Ruijssenaars spreekt in zijn Masterplan voor de vernieuwing van het Rijksmuseum van ‘vooruit naar Cuypers’. Kunnen wij dan achterblijven met die andere loot van Cuypers’ stam, de evocatie van het verleden door middel van compleet ingerichte interieurs? ‘Vooruit naar Corbelijn Battaerd’ dus!

* Ad de Jong is verbonden aan het Openluchtmuseum in Arnhem en sprak deze lezing uit tijdens de jaarvergadering van het Fries Genootschap op 23 april jl. De tekst wordt hier gepubliceerd zonder referenties. Hiervoor verwijzen wij naar Ad de Jong, De dirigenten van de herinnering. Musealisering en nationalisering van de volkscultuur in Nederland 1815-1940 (proefschrift, Uitgeverij SUN, Nijmegen 2001). De lezing is voor een belangrijk deel gebaseerd op dit boek, waarin zich een uitvoerig notenapparaat bevindt.


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer