Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: Fryslân 3;4 (1997), 24-26.

Domela Nieuwenhuis en familie-eer
'En al beschouwen alle broeders mij als den verloren broeder'

Bert Altena

Onlangs verscheen van de hand van de auteur van dit artikel, met medewerking van Rudolf de Jong De familiecorrespondentie van en over Ferdinand Domela Nieuwenhuis 1846-1932 (Amsterdam, 1997). Briefwisselingen vallen voor historici in de categorie 'egodocumenten'. Dat zou de indruk kunnen wekken dat het in dergelijke briefwisselingen om de persoon van de correspondenten gaat. Natuurlijk is dat ook zo, maar de waarde van dergelijke egodocumenten is groter. Brieven kun je immers ook lezen met het oog op informatie over de wereld om de briefschrijvers heen. Ze worden dan getuigen van tijd en milieu.

Afbeelding 1.
Domela Nieuwenhuis op latere leeftijd.

Die sociale informatie is het onderwerp van dit artikel. Wat vertellen de brieven die vandaag gepubliceerd worden over 'familie'? Ik hoop iets daarvan te tonen door middel van het begrip 'familie-eer'. Tot op zekere hoogte betreden we daarbij nieuw land, want al is familie-eer bij de adel, of in verband met huwelijksgebruiken of bloedwraak wel onderzocht, het terrein van de alledaagse familie-eer in de burgerij is minder verkend.

Standenmaatschappij

In de negentiende eeuw moet het vertrekpunt voor elke analyse van familie-eer het begrip van stand zijn, want de negentiende-eeuwse Nederlandse maatschappij was een Standenmaatschappij. De stand, waarin je werd geboren, bepaalde je gedragsvrijheid: de mensen met wie je omging, de groep waaruit je je huwelijkspartner koos of de wijze waarop je je welstand toonde. Hij bepaalde ontwikkelingsmogelijkheden, maar ook de ideeën die je over maatschappelijke onderwerpen kon hebben en zeker de wijze waarop je die ideeën kon uitdragen en de mate waarin naar die ideeën geluisterd werd. Stand was zodoende nauw verbonden met ideeën over eer en fatsoen en omdat de stand op die manier maatschappelijk gedrag ordende, ordende het standsdenken tegelijkertijd op een informele manier de maatschappij. Dat gaf een breuk met de standscode een extra dimensie.

Eer als schakelstation

Familie bemiddelde tussen stand en individu. Door bloed- en huwelijksbanden hielden families de standen bijeen en gaven ze hun leden een plaats in de stand. Familie-eer is dus een schakelstation tussen het individu en de normen die de stand hanteert. Maar we moeten goed bedenken dat 'eer' een omstreden terrein is. Eer ligt niet vast, maar is het voortdurend resultaat van interpretaties over de aard van een situatie, over de normen van de stand, over de plaats van de familie in de stand, over de plaats van het individu in de familie. Eer is dus iets levends.

De familie Domela Nieuwenhuis was op weg vanuit de gerespecteerde burgerij deel te worden van de vaderlandse elite. Ferdinands vader was dan wel hoogleraar theologie, maar hij woonde aan het Singel. Toen hij als gevolg van zijn tweede huwelijk, met de puissant rijke Mariane Meijer, verhuisde naar haar huis aan de Herengracht maakte hij tegelijkertijd sociale promotie. Mevrouw Meijer opende de deur naar de Amsterdamse elite. Ferdinands oom Wolterbeek, haar zwager, was bijvoorbeeld bankier en commissaris van de Nederlandsche Bank. Roddel en achterklap Ferdinands oudste broer Co zette de opgang van de familie voort. Hij raakte verzwagerd aan de familie De Brauw en moest na zijn huwelijk "oom" zeggen tegen Willem van Erp Taalman Kip, minister van marine in de jaren zeventig. Zuster Fanny volgde in de voetsporen van haar oudste broer. Zij had een goede vriendin in Coos Heemskerk, de dochter van Jan Heemskerk, die minister-president was toen Ferdinand in 1887 de gevangenis in moest. Ja, het Nederland van de elites was klein. Het hing bovendien van onderling informeren, zo niet regelrecht roddelen, aan elkaar. Zo gaf een vriendin van Fanny uit Assen inlichtingen over een meisje dat bij Ferdinand dienstbode wilde worden. Ferdinands oudste schoonzus Betsy wist in 1891, nog voordat Ferdinand getrouwd was, reeds te melden dat zijn aanstaande vierde vrouw in Indië niet van onbesproken gedrag was geweest. Die vierde vrouw was de weduwe Feith, de uit Harlingen afkomstige Johanna Godthelp. De opmerkingen over haar gedrag kwamen van iemand uit de familie van Bertha's eerste man, die dit aan professor P.J. Blok had meegedeeld. En de historicus Blok was weer goed bevriend met Co. In de Nederlandse elite werd wel degelijk op iemand gelet met alle gevoeligheden op het gebied van familie-eer van dien.

Uitbundig vertoon

Leden van de familie konden aan vergroting van de eer bijdragen. Ferdinands eerste huwelijk in 1870, met Johanna Lulofs, was zo'n moment. Met gepaste trots vertellen broers en zuster Fanny dat leden uit de Amsterdamse elite, mevrouw Bicker en mevrouw Heineken, tegenwoordig waren en dat de stoet naar het stadhuis maar liefst zes eigen rijtuigen telde. Dat was nog beduidend chiquer dan huurrijtuigen. Mevrouw Bicker en mevrouw Heineken waren ongetwijfeld via stiefmoeder Mariane Meijer met de familie Domela Nieuwenhuis bekend geraakt. Mariane Meijer bezat overigens ook een eigen rijtuig mét palfreniers. Maar Ferdinand is natuurlijk niet bekend geworden om de manier waarop hij het aanzien van de familie oppoetste. Doorgaans lezen we in de boeken dat de familie de socialist de rug toekeerde en niets meer met hem te maken wilde hebben. Juist deze verachting strekte hem in de arbeidersbeweging tot een eer, die tot op de dag van vandaag aanhoudt. De brieven die we vandaag publiceren laten echter zien, dat het zo eenvoudig allemaal niet lag.

Ultravrijzinnig

De familie wees niet tezelfdertijd eensgezind zijn denkbeelden af. Eén preek van de ultravrijzinnige Ferdinand was voor de stiefmoeder in 1870 al meer dan ze kon verdragen. Zus Fanny en broer Johan trokken één lijn met haar, broer Co waarschijnlijk ook. Maar broer Hendrik vond de preken van Ferdinand wel interessant en broer Adriaan in Duitsland naderde op zijn geestelijke zoektocht soms zelfs het atheïsme. Ferdinands socialistisch ijveren werd even later wél door allen afgewezen, maar ook toen bleef een fundamentele band bestaan. Dat blijkt uit de zorg waarmee de familie hem omringde toen zijn derde vrouw overleden was, of toen hij in 1887 de gevangenis in moest.

Lust en last

Natuurlijk was het niet prettig voor de familie, dat Ferdinand zijns weegs ging. Hendrik werd op de beurs aangesproken door collega's. Co kreeg het idee dat hij om zijn revolutionaire broer niet tot hoogleraar benoemd werd. Adriaan. de jongste broer, liet een wetenschappelijke carrière in Nederland daarom zelfs achterwege. Neef Peder Nieuwenhuis, die in het Deense leger carrière maakte, dacht dat de naam Domela Nieuwenhuis in heel Europa in een slecht daglicht raakte. Dat desondanks de betrekkingen met Ferdinand niet werden doorgesneden, kwam door een besef van christelijke liefde, maar ook door plicht. Op haar sterfbed had stiefmoeder Mariane Domela Nieuwenhuis-Meijer geëist: "Blijft onderling de geest der liefde aankweeken." De kinderen konden nu niet de lust van haar enorme erfenis aanvaarden zonder ook de last erbij te nemen van een blijvende band met broeder Ferdinand. Dus deden de broers en zuster hun best in hem de broeder en niet de socialist te zien.

Crisis

Nu eenmaal deze gedragscode was aangenomen, gold het deze onverkort te handhaven. Inbreuk op deze gedragscode was aantasting van de familie-eer. Zo ontstond in 1888 een flinke crisis, twee jaar na de dood van de stiefmoeder en een jaar nadat Ferdinand uit de gevangenis was ontslagen. Co en Betsy waren 25 jaar getrouwd en Betsy kwam uit een familie van militairen. Haar broers maakten bezwaar met de revolutionair aan één tafel te zitten, waarop Co besloot Ferdinand niet uit te nodigen. Dat leidde tot de grootst mogelijke bonje met zijn twee nog overgebleven broers, Adriaan en Johan. Adriaan weigerde ten enenmale mee aan te zitten. Woedend schreef hij aan Johan: 'Co schrijft, dat de familie Hagedoorn ons op de weegschaal geplaatst heeft en Ferdinand om politieke redenen te licht bevonden, zoodat dit lid der familie D.N. incl. beide zonen, wegens zijne overtuiging, afgeschreven werd. Daar wij geen voorrecht boven anderen begeeren en in familiefeesten geen verband met de politiek kunnen ontdekken en daar wij geen lid der familie D.N. op de weegschaal der H. wenschen geplaatst te zien, moesten wij ons voornemen opgeven, dit feest bij te wonen. Evenals F. bezoeken wij Co op een neutralen dag, wanneer niemand naar zijne politieke geloofsbelijdenis gevraagd wordt en hopen, geen onderscheid makende en alle voorschriften van vreemden van de hand wijzende, met allen in vrede te leven in den geest onzer overleden moeder, die evenmin aan de H. het hoofdwoord toekende. Mijn point d' honneur verbood mij anders te handelen.' Omdat Co, die niet minder opvliegend was dan Adriaan alle relaties met Adriaan dreigde af te breken, besloot daarop broer Johan overstag te gaan en te komen.

Altruïsme

En Ferdinand? Die wekte niet de indruk zich door de gevoelens van zijn familie te laten leiden. "Waar ik bemerk, dat men mij nu ja duldt als familielid, als het niet anders kan, maar toch somwijlen vrij duidelijk te kennen geeft, dat men zich mijner schaamt, daar zal ik mij niet opdringen. Ik vindiceer het recht eener overtuiging voor mij evengoed als een ander dit voor zich doet en ik zal dit blijven doen, al moet ik daardoor breken met allen, want mijn beginsel gaat mij boven alles en voor mij zou geen geluk kunnen bestaan, als ik mij zelf betrapte op ontrouw aan mijn beginsel." Hij mat de eer van de familie niet af naar hetgeen de standscode eiste, maar naar hetgeen hij vond dat die code en eer moesten eisen. Diverse malen plaatste hij zijn altruïsme tegenover het egoïsme van broers en zuster. Zo had hij ooit een enorm bedrag aan de inmiddels overleden broeder Hendrik geleend en dat geld was hij bij diens faillissement kwijtgeraakt. Ook hielp hij personen die eerst bij een der broeders hadden aangeklopt. Kortom, de socialist was de ware christen en palaverde niet over maatschappelijke noden, maar deed er wat aan. Dergelijke vergelijkingen drongen zich vooral aan hem op, wanneer hij zelf geld wilde lenen. Want hij wist heel goed hoe het eergevoel van zijn broeders en zuster werkte. In het boek komt dit treffend naar voren in 1901, toen hij op een financieel debacle afstevende en vooral broer Johan en zuster Fanny, de zachtsten van de Domela Nieuwenhuizen, onder druk zette. Uiteindelijk bezweken Johan en Fanny. Fanny kon slapen noch eten, maar de doorslag gaf het vooruitzicht dat een faillissement van de revolutionaire broer schande over de familie zou brengen.

Ik zal hier niet uitweiden over de manier waarop Ferdinand zijn eigen eergevoel bij zijn kinderen probeerde in te prenten. Dat onder zijn kinderen en kleinkinderen vegetariërs gevonden werden, getuigt van succes. De brieven aan Johanna laten zien hoeveel opvoedend werk de vader daarvoor moest verzetten. Interessanter is de vraag in hoeverre de familie-eer van de Domela Nieuwenhuizen Ferdinands gedrag als publiek persoon beïnvloedde.

Principieel

In de eerste plaats is van belang dat hij gedragscodes van juist de elite afwees. Ferdinand Domela Nieuwenhuis was eigenlijk een vreemd leider voor een emancipatiebeweging. Afkomstig uit de elite hoefde hij niet meer geëmancipeerd te worden. Natuurlijk wilde hij ook in die kringen erkend worden, maar daar wenste hij geen prijs voor te betalen. Dat bood hem de mogelijkheid afstand te doen van veel zaken die andere emancipatoren voor belangrijk hielden: een parlementszetel, partijleiderschap, erkenning in de wereld der wetenschap en theorie. Een en ander maakte zijn optreden in het algemeen minder verkrampt, vrijer, dan dat van tijdgenoten als Abraham Kuyper en PieterJelles Troelstra. Ten tweede: ook Domela Nieuwenhuis was niet vrij van krampachtigheden. Wees hij oneerlijk, onprincipieel en onrechtlijnig gedrag van zijn standsgenoten af, dan moest hij zelf zeer sterk aan zijn principes vasthouden. In de inleiding op het boek schrijven we dat zijn socialisme en anarchisme iets gedwongens hadden, iets onvrijs. Dat hangt samen met het feit dat Ferdinands eer van Sollen de familie-eer van Sein moest overtreffen. Zo ontstond bij hem een socialisme en anarchisme dat de mens moest bevrijden door middel van vele verboden: godsgeloof, drankgebruik, roken, vlees eten. Het is algemeen bekend hoezeer dit voorbeeld de anarchistische beweging heeft beïnvloed.

Anarchist

Uiteindelijk zouden alle spanningen verdwijnen naarmate de oude dag ouder werd. Op de 72e verjaardag van broer Co kwamen gezellig op de koffie, naar neef Jan Derk vaststelde: "Twee generaals, een kapitein, een kapiteinsvrouw, een gepensioneerd kapitein, een gouverneursdochter, een Commissaris der Koningin's weduwe, een anarchist, een secretaris-generaal van oorlog, een president van het hof, een vicepresident van den Hoogen Raad, een secretaris van de Hervormde Synode." Die moeilijke broeder Ferdinand was weer teruggekeerd in de schoot der familie. Op je oude dag ga je om je familie-eer niet meer strijden.


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer