Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: Fryslân 9;4 (2003), 13-18.

De Friese gardes aan het einde van de 18de eeuw

Peter Westenbrink

Vrijwel op de kop af 170 jaar lang lag in Leeuwarden permanent een legertje soldaten in garnizoen. Het telde 200 manschappen en wordt door Wopke Eekhoff in zijn Geschiedkundige beschrijving van Leeuwarden omschreven als de 'vorstelijke garde'. In deel IV van Het Staatsche Leger van F.J.G. ten Raa en F. de Bas heeft men het over 'de Garde van Zijn Genade'. Maar in de archiefstukken staat het bekend als de Friese gardes. Mijn voorouder Jan Westenbrink diende bij 'de Guarde' van 1787 tot en met 1801.

Er is weinig over de Friese gardes bekend. Het Staatsche Leger wijdt slechts enkele regels aan het onderwerp. Ook bij de Sectie militaire krijgsgeschiedenis in Den Haag is verder niets over de Friese gardes terug te vinden. Omdat ik niettemin graag wilde weten wat Jan Westenbrink als soldaat zoal deed, zat er dus niets anders op om zelf in de archieven te zoeken naar materiaal over dit 'stadhouderlijke' clubje mannen en jongens. Daarbij heb ik mij geconcentreerd op de laatste 50 jaar van het bestaan van de Friese gardes. Of deze halve eeuw enigszins representatief is voor de andere 120 jaar, weet ik niet. Hoewel de gardes door de jaren heen verschillende taken zullen hebben gehad, zal de aard van de taak die de Friese gardes, naar mijn idee, niet of nauwelijks zijn veranderd zijn.

Afbeelding 1. Het Hofplein in 1790 met links de hoofdwacht en soldaten van de Friese Gardes. Rechts het Stadhouderlijk Hof met twee wachtlopende gardes. (Gravure naar een tekening van J. Bulthuis. Historisch Centrum Leeuwarden)

Hoofdwacht

De compagnie Friese Gardes werd opgericht op 15 juli 1631 als onderdeel van het Staatse Leger. Het stond onder bevel van een kapitein-luitenant of een officier van hogere rang. De eerste commandant was de kapitein-luitenant jhr. Damas van Loo. Toen Jan Westenbrink in januari 1787 bij de gardes ging dienen, werd het bevel gevoerd door de kolonel commandant Graaf Theodoor Ernst van Limburg Stirum. Hij was begin 1784 de overleden kolonel kapitein commandant Baron Justus van Geusau opgevolgd. De stadhouder had in de rol van kapitein de supervisie over de gardes. De voormalige Hoofdwacht op het Hofplein (hoek St. Jacobsstraat) was het hoofdkwartier. Hier kwam men op appèl en werd onder toehoor van bijna de voltallige compagnie bekend gemaakt wie een sanctie had gekregen en waarom. Straffen bestonden doorgaans uit het verblijf van een paar dagen op water en brood in de provoost (militaire gevangenis), waarbij men aan een voet en een hand geketend was. Ook werd bij de Hoofdwacht zo af en toe een parade afgenomen, onder andere op 29 mei 1781 door een hoge officier van de provincie, de major commandant Fortuyn.

Hiaten

Sinds de oprichting heeft de compagnie steeds uit 200 manschappen bestaan. Volgens Het Staatsche Leger deel IV: verdeelden de Staten van Friesland "de 15den Juli 1631 de op hunne repartitie staande compagnieën, 1 van 200, 27 van 150 hoofden,(...)" Met de compagnie van 200 werd de Friese gardes bedoeld. Ook uit het handvol maandelijkse sterktestaten dat bewaard bleef blijkt dat de sterkte op 200 lag. Deze sterktestaten, of maandelijkse lijsten, beslaan de periode 1775 -1794 en vertonen veel hiaten. Ze bevinden zich in het Nationaal Archief in Den Haag, samen met nog twee jaarlijsten, twee conditielijsten voor kapiteins en officieren, een ranglijst, een rangeerlijst, twee stamlijsten en enkele rapportages van de commandant aan de stadhouder. Een groot deel staat ook op microfiches bij het Centraal Bureau voor Genealogie. In het Ryksargyf van Tresoar bevindt zich nog wat materiaal over de gardes uit de Bataafse tijd.

Weinig verloop

De compagnie bestond voornamelijk uit "corporaals en gemeenen". Dit waren ongeveer 180 manschappen. Met 'gemeenen' duidde men de fuseliers (soms musketiers genoemd) aan, dat wil zeggen de gewone soldaten. In 1781 is tevens sprake van de functie van grenadier en daarnaast waren er enkele (onder)officieren, zoals (kapitein)luitenants en sergeanten. Sommige manschappen vervulden bovendien de functie van vaandrig en tenslotte bevonden zich binnen de gelederen van de gardes nog een paar muzikanten. Behalve pijpers en tamboers waren dat klarinetten en hoboïsten. De beide laatste categorieën muzikanten maakten ook deel uit van de stadhouderlijke hofkapel, maar aan deze dubbele aanstelling kwam in 1785 een einde. Van de gewone soldaten was doorgaans een honderdtal "present dienst doende", dat wil zeggen dagelijks op de exercitieplaats aanwezig.

Uit onder andere de sterktestaten blijkt dat er slechts weinig verloop was in het personeelsbestand van de Friese gardes. Zo af en toe ging er eens iemand dood, ging er iemand met paspoort (dat wil zeggen: verliet de dienst), of werd een nieuweling geworven. Pas na 1795 kwam er meer leven in de brouwerij. De trendbreuk die toen optrad was ongetwijfeld een gevolg van de Bataafse revolutie. De twee overgebleven stamlijsten dateren van 21 februari en 1 juni 1801. Ze geven daarom geen reëel beeld (meer) van hoe de compagnie Friese gardes zich door de jaren heen gepresenteerd moet hebben. Uit de bewaard gebleven maandelijkse lijsten blijkt, dat de personele bezetting binnen de compagnie van 1775 tot 1795 vrijwel stabiel was. We veronderstellen daarom dat deze stabiliteit al geruime tijd bestond. De overgebleven rangeerlijst, die van 31 maart 1781 dateert, lijkt dan ook vrij representatief voor de tweede helft van de 18e eeuw. Wel is het goed mogelijk dat de periode vóór 1750 een enigszins ander beeld oplevert. Het permanente vertrek van stadhouder Willem IV uit Leeuwarden naar Den Haag in 1747 zal voor de compagnie niet zonder de nodige gevolgen zijn gebleven.

Leeftijd en beroep

Een soldaat van de Friese gardes bleef dus erg lang trouw aan zijn compagnie. Vaak diende men langer dan vijftien jaar. Eenmaal bij de Friese gardes, altijd bij de Friese gardes, zo lijkt het. Op de rangeerlijst staat bijvoorbeeld de 45 jaar oude grenadier Lodewijk Nauta. Hij was in 1781 al tien jaar bij de compagnie. Eerst zeventien jaar later, op 14 februari 1798, verliet hij na 27 jaar de dienst vanwege 'gebrek aan gezicht en benauwde borst' en omdat hij niet meer in staat was om 'de wachten te besteeden'. Hij was toen 63 jaar. De gemiddelde leeftijd van de manschappen lag in 1781 op 41 jaar. De jongste was de pijper Doede Lubach, die slechts tien jaar oud was. Freerk Hasekam was met zijn 79 jaar de oudste. Het merendeel van de manschappen behoorde tot de groep dertigjarigen, daarna volgden de veertigjarigen en tenslotte de groepen die tussen de 50 en 60, respectievelijk 20 en 30 jaar oud waren. Voorts stonden vier tieners op de rangeerlijst en elf veteranen variërend in de leeftijd van 70 tot 80 jaar. De manschappen uit deze laatste groep stonden echter allen vermeld als 'Present Ziek'. De minimumleeftijd om soldaat te mogen worden lag officieel op achttien jaar, maar daar werd regelmatig de hand mee gelicht. Zeer jonge tieners, zoals Doede Lubach, waren in het Staatse leger overigens een uitzondering.

Het gezin Lubach waar Doede uit kwam was overigens een echt 'garde gezin'. De rangeerlijst telt maar liefst zes manschappen Lubach: vader Johannes, 46 jaar en behalve Doede de zonen Pijtter, 25 jaar, Bernardus, 21 jaar, Wieberen, 20 jaar en Rinse (die klarinet speelde) die zestien jaar oud was. Behalve gardist was vader Johannes ook antieksnijder en net als zijn zoon Bernardus beeldhouwer. De rangeerlijst maakt daarvan overigens geen melding, in tegenstelling tot een tweetal andere soldaten waarvan vermeld wordt dat zij timmerman zijn. Een en ander maakt duidelijk dat wellicht meer soldaten een andere 'tak van sport beoefenden' dan louter de militaire. Wel waren de twee timmerlieden vermoedelijk 'soldaattimmerman'. De twee stamlijsten uit 1801 vermelden wel de nevenfuncties van alle soldaten en zo worden we gewaar dat circa tweederde van het aantal soldaten nog een ambacht uitoefende. Ambachten van allerlei soort, waarvan de meeste kleermaker of schoenmaker waren. Er liepen echter ook wolspinners, kaarsuitmakers, knoopmakers, boekbinders en dergelijke rond.

Omgedoopt en afgedankt

Het meest in het oog lopende verschil tussen het tweetal stamlijsten uit 1801 en de twintig jaar oudere rangeerlijst is de leeftijdsopbouw. Uit de stamlijst van 21 februari van het laatstgenoemde jaar blijkt dat de gemiddelde leeftijd toen rond de 27 á 28 jaar lag en dat was zo'n 13 jaar jonger dan in 1781. Van de oude rangeerlijst vinden we alleen de fuselier Johannes Smidt nog terug. Hij was hij op 10 oktober 1780 als 27 jarige in dienst gekomen. Maar daarmee was hij nog niet de langst dienende. Dat was de fuselier Achgel Krous, die op 21 juni 1780 op 31 jarige leeftijd in dienst trad en inmiddels de leeftijd van 51 had bereikt. Vreemd genoeg ontbreekt hij op de lijst van 1781, waarover verderop meer. Mijn voorouder Jan Westenbrink staat alleen op de stamlijst van 21 februari. Hij had er inmiddels 14 dienstjaren op zitten. Meer zouden het ook niet worden, want een maand later al, op 29 maart, werd hij op het Oldehoofster kerkhof begraven.

In 1801 waren de tijden inmiddels totaal veranderd en de Friese gardes omgedoopt in de Bataafse gardes. Na het uitroepen van de Bataafse republiek in 1795, kreeg de commandant van de gardes, kolonel commandant Graaf van Limburg Stirum, in september het ontslag aangezegd. Op 9 juni 1796 werden ook de andere leidinggevenden door de nieuwe machthebbers de laan uitgestuurd. Oud-schepen en burgemeester van Leeuwarden Roelof Storm schreef hierover het volgende in zijn dagboek: 'des avonds om halff vijff uur was de Friese Garde gekommandeerd op de lange piep; na daar een uur vertoefd te hebben, is eindelijk een commisje uit 't Committé van waaksaamheit gekomen, en doe wierd er een Ring van de garde gesloten, waar op T.D Leiber aan ijder Offijsier een Resolutje heeft overgegeven, dat sij afgezet worden van hunne dienst en sijn geweest Capitein Geusau, Capitein Sluijterman en de Adjudant F. Vast. Na sulks ontfangen te hebben, sei Leiber tegens hun: nu kunt gij maar heen gaan; gij hebt hier nu niet meer te maken; waarop direkt de Coll: van Sloten, alias van 't vrijkoor, het Commando heeft opgevat, en is met de garde na het ternooivelt gemarscheert, waarop het volk eenige stukken sijn voorgeleesen, waarop direkt 37 man hun geweer en wapens hebben afgeleid, en van Sloten is bij provisje Commandant van de garde, en heeft een schilwagt voor sijn deur staan, op het vliet.'

De 37 man die onmiddellijk hun wapens en geweer aan de kant zetten, moeten trouwe aanhangers van de Prins zijn geweest. Er zijn in het Ryksargyf van Tresoar een paar smakelijke verhalen bewaard gebleven waaruit blijkt dat anti-Oranjegezinde soldaten het niet gemakkelijk hadden binnen de compagnie. Ze werden regelmatig bespot en vernederd door de leiding. Maar ook Oranjegezinde collega-soldaten maakten hun het leven zuur. Het gros van de compagnie zal echter noch voorstander, noch tegenstander van Oranje zijn geweest. Zij waren alleen maar soldaat geworden vanwege economische motieven. Er moest brood op de plank komen.

Verjonging

De nieuwe commandant, kolonel Pier van Sloten, werd geleidelijk aan geconfronteerd met het feit dat nogal wat manschappen de dienst verlieten met aanspraak op pensioen(geld). Op 25 januari 1798 meldde hij dat 'het getal der dienstdoende manschappen bij de compagnie werkelijk verzwakt' werd. Hij deed daarbij het verzoek om iedereen die zich aanmeldde om gardist te worden, aan te nemen zodra maar enigszins bleek dat de aspirant-soldaat geschikt was. Door het uittreden van de oude gardisten en de aanwerving van nieuwe soldaten daalde de gemiddelde leeftijd binnen de compagnie met sprongen. In 1798 werden veertien manschappen aangenomen, in 1799 waren het er 35 en in 1800 maar liefst 78. In drie jaar tijd werd de compagnie dus met 127 gewone manschappen vernieuwd, ongeveer tweederde van het totaal. Van deze 128 waren 59 jonger dan twintig jaar en van hen waren 45 in 1800 aangenomen, meer dan de helft van het totaal aantal rekruten in dat jaar. Ze varieerden in de leeftijd van veertien tot negentien jaar. De meeste hadden getekend voor een periode van zes jaar. Uiteindelijk werd het voor sommigen niet meer dan drie jaar en voor velen slechts een jaar of zelfs maar een paar maanden. Op 1 juli 1801 werd de compagnie Bataafse gardes, voorheen Friese gardes, opgeheven.

'De garde uitgemarscheerd'

Wat waren de bezigheden van de compagnie Friese gardes? Waartoe dienden zij? Volgens P.H. Kamphuis van de Sectie militaire krijgsgeschiedenis 'betrok de garde wachtdiensten voor het stadhouderlijk hof te Leeuwarden en werd niet ingezet bij gevechtsakties.' De taak van de gardes betrof inderdaad het op wacht staan. Feitelijk had de eerder geciteerde oude gardist Lodewijk Nauta deze taken al verraden door te verklaren dat hij niet meer in staat was om 'de wachten te besteeden.' Behalve het stadhouderlijk hof werd ook wacht gelopen bij het landschapshuis aan de Turfmarkt. In een tweetal resoluties van Gedeputeerde Staten van 5 februari 1787 en 4 februari 1788 wordt verzocht 'om zorg te dragen dat er een behoorlijk detachement van de guarde op donderdag aanstaande bij de introductie van de ordinairs landdag voor deze jare bij het landschapshuis geplaatst worde en de wagt aldaar en bij 't collegie versterkt alsmede de deurwaarders en boden te gelasten om daarbij volgens gewoonte te assisteren.' Het was de tijd dat de patriotten Leeuwarden onveilig maakten. Blijkbaar deden de autoriteiten van de stad in tijden van (politieke en/of maatschappelijke) onrust een extra beroep op de diensten van de gardes. Ook in het begin van de Bataafse republiek werden soldaten van de gardes ingezet om 'gevoelige' posten te bewaken zoals het kruitmagazijn en de stadspoorten. Roelof Storm schreef op 23 september 1796 in zijn dagboek:'sijn hier weder de Vriese garde ingekomen, die nu de Hoekster en Wirdumer poorten de wagten betrekken.'

Uit dit inkomen kunnen we afleiden dat de Friese gardes wel eens buiten de stadspoorten vertoefden. Kleine bataljons gardisten trokken regelmatig de provincie in. Het is zelfs mogelijk dat een of meerdere groepjes soldaten zich permanent buiten Leeuwarden ophielden. Deze soldaten zouden dan na verloop van tijd afgelost worden door een verse groep. In 1799 en 1800 bevonden detachementen van de Friese gardes zich in Dokkum, Anjum, Holwerd, Hollum op Ameland als ook op Vlieland. En op 11 juni 1796, twee dagen nadat Van Sloten het commando over de Friese Gardes had gekregen, schreef Roelof Storm 'de garde uitgemarscheerd, een gedeelte na Harlingen en een gedeelte na terShelling en de overige na het eiland (...)' Vervolgens bleven ze ongeveer drie maanden weg. Eind november 1799 bevond de voltallige compagnie zich zelfs buiten de provincie. Drie maanden lag men toen in Coevorden in garnizoen.

Sauvegardiers

Nu betreft het hier de gardes ten tijde van de Bataafse republiek, maar gebleken is dat ze ook vóór 1795 buiten Leeuwarden marcheerden. Op de sterktestaten uit de jaren 1770 en 1780 staan ook 55 manschappen als 'gemanqueerd compleet waarvan 30 man voor de Provintie' vermeld. De rest van de 'gemanqueerd completen' waren verlofgangers. Dit zal dan ook de reden geweest zijn dat de eerder genoemde soldaat Achgel Krous niet op de rangeerlijst van 1781 voorkomt. Uit de sterktestaten blijkt ook dat de toenmalige commandant, Justus van Geusau, een paar keer in Harlingen verbleef. Al In 1638 hadden de Staten van Friesland bepaald dat soldaten van de garde tot 'sauvegardiers' (van het Franse 'sauvegarder' wat o.a. beschermen en beveiligen betekent) of andere buitengewone diensten bestemd zouden worden. Het lijkt er op dat Friese garde soldaten al kort na de oprichting van de compagnie regelmatig naar andere locaties binnen de provincie gedetacheerd werden, onder andere om beveiligingstaken uit te voeren.

In het laatste kwart van de achttiende eeuw valt op dat men vooral naar de kust trok, met name de afvaarplaatsen naar de eilanden Vlieland, Terschelling en Ameland. Daar verbleef men dan een paar maanden, meestal in bataljons van ongeveer vijftien tot 25 personen en de taak was om de Waddenkust te beveiligen, in het bijzonder de zeegaten tussen de eilanden. Uit een resolutie van Gedeputeerde Staten van 1 april 1793 blijkt dat in het Amelander Gat drie koopvaardijschepen door een Franse kaper waren 'genomen.' Een Afvaardiging van de Harlinger Admiraliteit had met het college van Gedeputeerde Staten van gedachten gewisseld over 'het stuk der defensie van de Kust' en 'dat sij eenparig van gedagten waaren dat tot beveiliging van 't Amelander en Friesche gat tegens de Fransche Kapers nog twee ... ... scheepen ider voorsien met agt stukken canon vier ponders en bemand met dertig koppen ter spoedigsten behoorden te worden geëqúipeerd. Een dergelijk oorlogsschip was 's Lands Hulk 'De Dwinger'', een groot plat Vaartuig, met drie Masten voorzien. Ze 'was tot afweering van booze oogmerken des Vyands, geplaatst op de Reede van Vlieland, in eene der zeegaaten, door welke de vyandelyke schepen anders in onze binnen- of zuidzee zouden kunnen booren'.

Afbeelding 2: Berigt, wegens het ongeluk van t schip s Lands Hulk

Scheepsramp

Op 4 maart 1793, keurde het college van Gedeputeerde Staten van Friesland een verzoek van stadhouder Willem V goed om een 'detachement van de Compagnie Guardes, gelegerd te Leeuwarden en ter repartitie van de provincie Friesland op woensdag 6 maart te doen inschepen op de admiraliteitshulk te Harlingen'. Het vaartuig was al in gereedheid gebracht om het detachement, bestaande uit een officier, een sergeant, een tamboer, twee korporaals en 22 musketiers, te ontvangen. Blijkbaar deed men soms dus ook voor onbepaalde tijd dienst op een oorlogsschip. Doel van de missie was het zeegat het Vlie. Op vrijdagavond 15 maart 1793 voer het schip de haven van Harlingen uit met aan boord 140 mensen en 22 kanonnen. Maar plotseling ontstond brand in de kombuis. Daarbij greep het vuur snel om zich heen en de bemanning kon nog net op tijd 80.000 pond buskruit overboord kieperen. Als noodsignaal werd het kanon afgeschoten. Hoewel de signalen door enkele Vlielander vissers werden gehoord, konden zij vanwege een dikke mist het brandende schip niet ontdekken. Van de opvarenden kwamen 67 om in de vlammen of verdronken. Volgens een kroniekje uit die tijd keerden van "van het detachement Soldaaten, sterk 27 Man, zyn slechts 12" terug in Leeuwarden. Dat was de dinsdagsavonds na het ongeluk. Enkele overlevenden waren zwaargewond geraakt en moesten met een draagberrie uit de trekschuit worden gehaald en thuis worden gebracht. "Het medelyden en de toevloed van Nieuwsgierigen by hunne aankomst was menigvuldig", aldus de chroniqueur.

Vreemd genoeg verschenen over deze grote scheepsramp geen berichten in de Leeuwarder Courant. Zoals het eigenlijk ook merkwaardig is dat er heden ten dage in de vakliteratuur amper iets valt terug te vinden over de Friese gardes. Mogelijk kan deze bijdrage een aanzet geven tot verdere studie naar het wel en wee van deze in Leeuwarden gestationeerde eenheid, ook voor wat betreft de periode vóór 1775.


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer