Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: Fryslân 6;2 (2000), pp. 8-10.

Mr Pieter Albertus Vincent baron van Harinxma thoe Slooten (1870-1954). De laatste gouverneur van Friesland

Meindert Schroor

'Achter zijn ouderwetsch bureau-ministre in het provinciehuis, in Gedeputeerden, in de Staten, heeft hij gepoogd de geschiedenis tegen te houden'. Dat was het oordeel van Sjoerd van der Schaaf over Commissaris Piet Harinxma in Je Maintiendrai in november 1945. Positiever was de beoordeling van lector Pieter Sipma in de Vrije Fries in 1955: 'mei troch him heart Fryslan ta dy Nederlânske provinsjes, dy't navenant it bêst troch de besettingstiid hinne kommen binne'. Over geen enkele twintigste-eeuwse Fries lopen de meningen zo uiteen als over mr Pieter Albertus Vincent baron van Harinxma thoe Slooten. Hij was commissaris der koningin in Friesland gedurende bijna de gehele eerste helft van de vorige eeuw (1909-1945) en voor mij, ondanks het feit dat ik nog geen jaar na zijn verscheiden werd geboren, meer dan wie ook de persoon die direct en indirect het meest zijn stempel op het twintigste-eeuwse Friesland heeft gedrukt.

Foto
Van Harinxma geschilderd door Piet van der Hem in 1944. Het portret werd in opdracht van het Friesch Genootschap geschilderd ter gelegenheid van zijn 20- jarig voorzitterschap.

Uit beschrijvingen van Piet Harinxma komt het beeld naar voren van een man die zichzelf veeleer als 'gouverneur' of als 'onderkoning' van Friesland als rechterhand van de vorstin beschouwde, dan als de vertegenwoordiger van de uiteenlopende belangen van zijn al even uiteenlopende onderdanen. Wie was deze man, 'die de piano's in de boerderijen heeft zien binnendragen en ze heeft zien terugbrengen' en volgens een bewierokende Leeuwarder Courant van 21 oktober 1950 in de moeilijkste jaren - tussen zijn zeventigste en vijfenzeventigste - ervoor zorgde dat Friesland zo gaaf mogelijk de Duitse bezetting weerstond?

Referentiekader

Bij zijn aantreden waren de Nederlandse provincies, ook Friesland, qua macht en bevoegdheden al meer dan een eeuw schimmen van hun voorgangers, de nagenoeg zelfstandige republikeinse gewesten van weleer. De competentie van de provinciebesturen beperkte zich sedert vooral tot de terreinen van waterstaat, armenbestuur, onderwijs en het toezicht op de gemeenten. Het Friese provinciale bestuur had zich met name in de jaren 1840-1890 met verve gekweten van zijn ingeperkte taken. Talloze nieuwe (kunst) wegen waren met provinciaal subsidie aangelegd en verbeterd, maar bij de aanpak van de binnenwateren hadden vooral de afwateringsbelangen van de agrarische sector vooropgestaan. Tezelfdertijd waren de regionale cultuur en geschiedbeoefening opgebloeid. Adel en burgerij waren bevangen door een zelfgenoegzaamheid die in het drietal decennia voor 1880 kon profiteren van een bloeiende agrarische sector. De verheerlijking van het Friese verleden vond zijn apotheose in de grote historische tentoonstelling van 1877 en de opening van het Fries Museum in 1881. Luxe voorwerpen, fraaie schilderijen en kaarten getuigden van de grandeur van weleer. Binnen dat geheel vormde Friesland het geografische, culturele en politieke referentiekader. Daar was (en is) de provincie altijd net iets meer dan de middelste bestuurslaag binnen het koninkrijk, en in de harten van veel bewoners in feite een niet-souvereine natie.

Foto
De commissaris op zijn werkplek in karakteristieke pose.

Verval en turbulentie

Vader Binnert Philip van Harinxma trad aan op het moment (1878) dat aan deze idylle op hardhandige wijze een einde kwam. Toen hij in 1909 na 32 jaar afscheid nam waren de verhoudingen totaal veranderd. Daarbij was Van Harinxma senior getuige geweest van grote economische en sociale omwentelingen. Veranderingen die het duidelijkst blijken uit de loop der bevolking. Bij het aantreden van Van Harinxma senior telde Friesland 320.000 zielen en bij zijn vertrek in 1909 359.000, dat wil zeggen slechts 12 % meer inwoners. Het was qua groei de absolute hekkesluiter in ons land. Per saldo vertrokken destijds 104.000 mensen meer uit Friesland dan dat er zich nieuwkomers vestigden. Het economisch verval was zo mogelijk nog schriller en kwam onder meer tot uiting in het snel slinkende Friese aandeel in de totaalopbrengst van de directe belastingen: van bijna elf naar slechts drie procent!
Tegen deze achtergrond van verval en vertrek had de in maart 1904 verschenen cri-de-coeur van de edelman Theo baron van Weideren Rengers, getiteld De economische toestand van Friesland, geklonken als het geluid van een roepende in de woestijn. Als een van de weinigen had hij zich gezet aan de landbouwkredietverlening en landbouwindustrialisatie van zijn geboortegewest. Hoewel Binnert Philip al in 1880 (!) constateerde dat Friesland tot zijn leedwezen werd beroofd van veel krachtige jonge mannen, bekommerde hij zich in de turbulente jaren die volgden vooral om de handhaving van orde en rust. Tot de weinige nieuwe initiatieven van economisch belang behoorden de aanleg van de Nieuwe Zwemmer en het Tjongerkanaal in de jaren 1880.

Oude antwoorden

Toen Van Hannxma junior aantrad ging het wal beter met Friesland, maar sociaal-economisch gezien was het zijn aansluiting met bijna alle overige delen van Nederland kwijtgeraakt. Binnen twee jaar na zijn aantreden maakte het Verslag der Staatscommissie tot het nagaan van den toestand waarin het binnenschipperijbedrijf verkeert gehakt van een van de laatste traditionele economische pijlers van Friesland. We hadden weliswaar het langste net van binnenwateren en de meeste binnenschippers, maar het waren te krappe en ondiepe vaarwegen bevaren door 'een macht aan' schippers op veel te kleine schepen. Goed voor een Elfstedentocht - waarvan de eerste in het jaar van Piet Harinxma's aantreden was gehouden - dat zeker, maar volstrekt ontoereikend voor een gezonde ontwikkeling van deze tak van transport. Folklore, een hang naar het verleden en het zoeken naar oude antwoorden op nieuwe problemen, tegen die achtergrond was Piet Harinxma de juiste man op de juiste plek.

Op zijn post

Bij zijn aantreden gaf de nieuwe commissaris al meteen aan waar zijns inziens de accenten lagen. Met de opmerking 'ik stel mij voor het gezag krachtig te handhaven, als onmisbare voorwaarde om orde en rust te doen heerschen, zonder welke welvaart en bloei niet denkbaar zijn..' trad hij aanstonds in de sporen van zijn vader. Als telg uit een geslacht van oude Friese landadel gold zijn belangstelling vooral het platteland, de landbouw en alles wat daarmee samenhing, de waterstaat voorop. Ook koesterde Piet Harinxma een sterke band met het koningshuis met zijn Friese wortels. Een juridische opleiding versterkte zijn strikt formele. legalistische en daarmee tamelijk enge kijk op de maatschappij en de taken van de overheid daarin. Zo had Friesland tot ver in de twintigste eeuw een echte bestuurder aan het hoofd. wiens optreden achteraf en terecht als taktisch en bekwaam zou worden beoordeeld. Meer dan wie ook paste Piet Harinxma als vertegenwoordiger van de kroon in een gewest, waarvan de krachtige identiteit en een als rijk ervaren en trots gekoesterd verleden op voorhand een moderne ontwikkeling in de weg leken te staan. Het verbaasd dan ook allerminst dat hij zich tegen ruimere bevoegdheden voor Provinciale Staten ('een praatcollege keerde. Evenmin verwondert ons het feit dat Gedeputeerde Staten op zijn instigatie meerdere malen huns inzien te ruimhartig geformuleerde gemeentelijke begrotingen vernietigden. Daarmee werden veel lokale initiatieven voor het creëren van werkgelegenheid in de knop gebroken. Ook conservatieve en plooibare burgemeesterskandidaten konden op zijn steun rekenen. En uiteindelijk was ook het op zijn post blijven van de 'gouverneur in de bezettingsjaren, Piet Harinxma's variant op Colijns devies 'Saevis tranquillis in undis' (standvastig tussen de woelige baren).

Verdiensten

Veel van de fouten die Piet Harinxma naderhand werden aangewreven kunnen op het voorgaande worden teruggevoerd. Dat hij meer een regenteske voorman was - de eerste burger van Friesland - dan een voortrekker tussen het volk is communis opinio. Maar ook hier geven nuances kleur aan een monochrome schildering van zijn persoon en functioneren. In zijn beginjaren stimuleerde hij de bouw van een tweetal boezemgemalen, waarvan het in 1920 door koningin Wilhelmina geopende, later naar ir D.F. Wouda genoemde, stoomgemaal bij Tacozijl de bekendste is. Bovendien heeft Friesland het vooral aan hem te danken dat zijn dijken reeds twee decennia vóór de overstromingsramp van 1953 op een voor die tijd veilige hoogte waren gebracht. De totstandkoming van de naar hem genoemde vaarweg Fonejacht-Harlingen is in belangrijke mate aan zijn niet aflatende inspanningen op dat terrein te danken. Tenslotte maakte hij zich ook sterk voor de electrificatie van Friesland, met het Provinciaal Electriciteits Bedrijf (PEB) als centrale stroomproducent.

Emigratie

Het waren uitsluitend deze positieve wapenfeiten die door de filoloog Pieter Sipma in zijn in 1955 aan Piet Harinxma gewijde en in De Vrije Fries gepubliceerde necrologie werden geëvoceerd. Sipma's karakterschets ('In stoere Fries, in krêftfiguer') stond haaks op de schriele erfenis waarmee de nieuwe provinciale bestuurders, voorgezeten door de 'Drent' mr Henri Pieter Linthorst Homan, kort daarvoor waren geconfronteerd. Friesland was een achtergebleven gebied met nauwelijks industrie, met een magere bezetting van de provinciale griffie en de waterstaat, met een groot tekort aan documentatie en geen plannen. Uiteraard waren crisis en oorlog daaraan debet, maar vooral ook een bestuurlijke cultuur waarvan Piet Harinxma de voornaamste exponent, de patroon was geweest. Vijfjaar na zijn gedwongen afscheid bleek de oud-gouverneur nog geen van zijn opvattingen voor betere te hebben ingeleverd, integendeel. Terwijl Linthorst en de zijnen aanstonds de provinciale 'swetten' breder uitzetten met het inrichten van een Economisch-Technologisch Instituut (ETIF), een Provinciale Planologische Dienst (PPD), een Fryske Kultuerrie en een Stichting Friesland voor Maatschappelijk Werk, herhaalde en specificeerde de oud-commissaris zijn standpunten. 'Industrialisatie. We zullen wel moeten, maar of het de oplossing is? Ik ben niet optimistisch gestemd en ik geloof niet dat we het ermee zullen halen. (..) Ik voor mij meen dat men beter de emigratie kan bevorderen dan de industrialisatie. Het is zo: bij emigratie bestaat het gevaar dat vele van de besten wegtrekken, maar zal dat de achterblijvenden niet dwingen om harder aan te pakken?' (Daarbij moeten we bedenken dat het vertreksaldo tussen 1909 en 1950 in absolute zin met 103.000 praktisch even hoog was als in de moeilijke periode daarvoor en in de veertig jaar na 1950 ruimschoots halveerde tot 48.000.)

Eilanden

Hoe conserverend Piet Harinxma dacht, of anders geformuleerd hoe sterk hij historische en juridische gegevenheden als richtsnoeren voor zijn beleid nam, blijkt in hetzelfde interview als hij zijn opvattingen weergeeft over grenscorrecties. Het was zijns inziens oppassen geblazen 'met die Groningers, ze lonken naar Schiermonnikoog, maar ik geloof niet dat het een goede maatregel zou zijn'. Maar nog bonter maakte de oud-gouverneur het met zijn stellingname tegen een definitieve inlijving van Vlieland en Terschelling bij Friesland. Zoals bekend waren beide eilanden in 1942 door de bezetter bij Friesland gevoegd, een maatregel die in 1951 werd bekrachtigd. 'Ze waren' volgens Piet Harinxma 'door Noord-Holland nogal verwend'. Een krasse uitspraak wanneer we bedenken dat vrijwel alle dorpsstraten op beide eilanden toen nog ongeplaveid waren!

Middelmatig

Zo wierp Piet Harinxma als exponent van een bestuurscultuur die sterk conserverend werkte en nieuwe initiatieven in de weg stond zijn lange schaduw nog decennialang vooruit. Met name daar waar Friesland schreeuwend behoefte had afstand te nemen van een al te legalistisch, ruraal en defaitistisch zelfbeeld. Dit alles doet afbreuk aan de onomstreden, eerder gememoreerde verdiensten die hij voor Friesland had. Wellicht gaf hijzelf de beste definitie van een bestuurder door te stellen dat hij indertijd deze post had aanvaard omdat 'de meest middelmatige geesten voor de regering het meest geëigend' waren. In een van regionale identiteit doordrenkt gewest als Friesland had integendeel een doordouwer, zowel naar de Friezen toe als naar buiten, niet misstaan. De tekortkomingen van Van Harinxma weerspiegelen in wezen dan ook de tekortkomingen van een bestuurselite waarvan hij destijds de voornaamste representant was. Alszodanig blijft hij voor mij de persoon die de meeste invloed uitoefende op hoe Friesland er in de twintigste eeuw heeft uitgezien.


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer