Uit: Fryslân 11;1 (2005), 6-8.
Prulpoeet of volmaackt dichter?
De Rijm-konstige wercken van Klaas Pieters Hoeckstra
Lotte Eilskov Jensen
In een top tien van meest curieuze dichters aller tijden, zou Klaas Pieters Hoeckstra beslist hoog eindigen. Deze houtbewerker van meubelen uit Leeuwarden publiceerde in 1679 een bundel poëzie, die vooral de aandacht trok vanwege de talrijke grammaticale fouten en 'kreupele rijmen'. Ondanks zijn povere dichterskwaliteiten verdient Hoeckstra toch onze aandacht, omdat hij een van de weinige handwerkslieden was die er in slaagden een eigen dichtbundel uit te brengen. Zijn kromme verzen maakten zelfs zoveel indruk dat zijn collega-dichters hem 'vereerden' met een spotbundel.
Vergeten lokale helden
Wie op zoek is naar onbekende dichters uit lang vervlogen tijden, kan zijn hart ophalen in de Digitale Bibliotheek der Nederlandse Letteren (DBNL, zie www.dbnl.nl). Een klik met de muis op een willekeurige letter uit het alfabet levert een reeks auteursnamen op, van wie de meesten nu volstrekt onbekenden zijn. Enig idee wie bijvoorbeeld Achior van den Abeele, Piter Idema, Lambertus Maaldrink, Peter Tant en Joannes Zammers zijn? Of Michiel Zachmoorter, Bruno Daalberg en Artus de Haas? Misschien waren het ooit lokale helden, maar ze zijn, met vele anderen, in de vergetelheid geraakt. Dat geldt ook voor de Friese dichter Klaas Pieters Hoeckstra, wiens naam we in de DBNL bij de H aantreffen. Deze zeventiende-eeuwse antieksnijder en stoelenmaker uit Leeuwarden schreef voornamelijk gelegenheidsverzen, variërend van meer verheven thema's (geboorte-, sterf- en huwelijkszangen op de Nassaus) tot aardsere thema's (de bloem- en fruitoogst uit zijn eigen tuin, de fraaie juffers uit zijn omgeving). Zijn verzen werden gebundeld in Alle Rijm-konstige wercken van Mr. Klaas Pieters Hoeckstra (1679), waarvan datzelfde jaar nog een tweede druk verscheen. Volgens de kenners bij uitstek van het letterkundige leven in Friesland moeten we Hoeckstra karakteriseren als een tweede- of zelfs derderangsdichter ofwel een dilettant die er maar weinig van bakte. Wopke Eekoff, voormalig stadsarchivaris van Leeuwarden, typeert Hoeckstra als 'een prulpoeet', terwijl de letterkundige Ph.H. Breuker hem een 'stumper yn it dichtsjen' noemt. Ongelijk hebben ze niet, want Hoeckstra's verzen maken metrisch en inhoudelijk nogal een stuntelige indruk. Toch bezit hij zo'n hoge curiositeitswaarde dat we hem niet zomaar uit de geschiedenisboeken weg kunnen laten. Ten eerste was een dichtende stoelenmaker een zeldzaamheid in De Gouden Eeuw. Er waren maar weinig ambachtslieden die een eigen bundel wisten uit te brengen. Ten tweede werden Hoeckstra's alledaagse verzen het voortdurende voorwerp van spot van collega-auteurs; geen andere dichter moet het zo zwaar te verduren hebben gehad tijdens zijn loopbaan als Klaas Pieters Hoeckstra. Want hoeveel dichtende ambachtslieden zullen er ooit vereerd zijn geweest met een bundel spotverzen op het eigen werk?
Dichtende houtbewerker
Klaas Pieters Hoeckstra werd geboren in 1608 of 1609 in Leeuwarden en trouwde in 1634 met de glazeniersdochter Tryntje Pieters Siccama. Hij verdiende zijn brood als houtbewerker van meubelen en daarnaast was hij een enthousiast tuinier en dichter. Zijn leven lang kampte Hoeckstra met zware schulden, wat er in 1682 zelfs toe leidde dat hij zijn huis moest verkopen. De vele rechtszaken die hij aanspande konden dat niet verhelpen (Breuker 1982). Hij was dan ook straatarm, toen hij op 9 februari 1687 werd begraven in het overgebleven muurwerk van de Oldehoofsterkerk te Leeuwarden. Hoeckstra sloeg pas op latere leeftijd aan het dichten. Zijn eerste publicatie dateert uit 1659, toen hij al rond de vijftig jaar oud was. Het ging om een gedicht in pamfletvorm, dat later ook in zijn verzameld werk werd opgenomen onder de titel 'Uytlegginge op de Vier Elementen, Toegeeigent aan de Staten van Vrieslandt'. Naar aanleiding van een 'Landdag', een vergadering van de Staten Friesland, schetste Hoeckstra de voorwaarden voor een harmonieuze, vreedzame samenleving: de mens diende zich af te keren van kwade zonden als hebzucht en hoogmoed: 'De aerde wort bedorven, door aardsche menschen boos / Draegt distelen en doornen, veel mensen zijn godloos'. Men diende zich volledig te verlaten op God, die de vier elementen lucht, aarde, water en vuur, in kon zetten om te belonen en te straffen. Een overstroming kon bijvoorbeeld gezien worden als een dreigement van God: 'Heer wil ons bewaren voor sulcken water-floed / Dat wy ons bekeeren, soo is het altijd goed'. In 1670 verscheen nog een tweede gedicht van Hoeckstra in druk, namelijk Lyk- en treurdicht over de doodt van de Hoogh Edele geboren Vrouw, Mevrou Sophia Anna geboren van Pipenpoy. Dit gelegenheidsvers werd, samen met al zijn andere gedichten, gebundeld in Alle rijm-konstige wercken van mr. Klaes Pieters Hoeckstra (1679). Wat had de stoelenmaker de lezer te bieden? Zijn bundel bestond uit vijf afdelingen: lofverzen op de Nassaus, bruiloftsgedichten voor kennissen, rijmpjes over de bloemen en het fruit uit zijn eigen tuin, gevarieerde geestelijke gelegenheidsgedichten, en tot slot een deel met lijkzangen.
Gelegenheidsverzen
Sommige gelegenheidsgedichten waren bestemd voor bekende personen uit het Friese culturele circuit, zoals de geleerde dichter Simon Abbes Gabbema, die in 1659 werd verkozen tot historieschrijver van Friesland. Ook schreef hij een vers op het paardrijden van Sybille van Jongstal en een lofdicht op het bloemschikken van de destijds bekende schilderes Margaretha de Heer. Hoeckstra deed dus zijn uiterste best om mee te draaien in de hogere Friese kunstkringen. Aanvankelijk leek hij daar ook in te slagen, want Gabbema stuurde zijn werk rond aan diverse vrienden ter keuring. Uiteindelijk keurde deze de poëzie van Hoeckstra echter geen plaats waardig in zijn bloemlezing Klioos Kraam (1656-1657), waarin hij naast groten als Vondel en Huygens ook regionale grootheden uit Friesland en Groningen voor het voetlicht bracht. Tussen Gabbema en Hoeckstra kwam het enkele jaren later tot een definitieve breuk, want beiden vochten in 1664 een rechtsgeschil uit over vermeende achterstallige huurgelden van Gabbema, dat Hoeckstra overigens verloor (Breuker 1982).
Intussen was Hoeckstra's rijmelarij al het voorwerp van spot geworden onder collega-dichters. Dat is niet verwonderlijk, als we de afdeling tuin- en fruitgedichten wat nader bekijken. In een uiterst houterig metrum bezong Hoeckstra de rijke flora uit zijn tuin:
Flora Jeuchlijck van aerd bied ons de Somer aen,
De Bloemen menighfout al in de Aerde staen, […]
Een Tulp seer fraey van kloer verçiert een Thuyn seer schoon
Een Lely wit en moy der Bloemen is de kroon,
Een Roos heel schoon en rood, Provinci-Blom geheeten,
Egelantier van reuck dient niet mee vergeeten,
Een Angelier heel fray van reuck hy overtreft,
Boven Cronepriaal, van stam hy hem verheft,
De Krokis een kleyn bloem, Phiolen van reuck zoet,
Helebris, Aconijt, fenynigh is niet goet.
Ook bood Hoeckstra herhaaldelijk in alle nederigheid een 'juffer' een boeketje bloemen of een schaal fruit aan om vervolgens haar schoonheid te prijzen. Zijn vergelijkingen pakten echter nogal eens ongelukkig uit:
Een blancke witte Hals, met paerlen schoon behangen
U Lipjes als Coraell, met bloose rode Wangen
Van duchden schoon en rick, Moey en fraey van leeden
Versiert u Juffrou schoon, Borsties wel rond besneeden
Beter als dit groen fruit, dat haest sal moet vergaen
of:
Ick Coom weer uit de Hoeck, al na mijn klein vermoogen
Met bloemkes over schoon, het moet doch al verdrogen
Hoeckstra zelf weet zijn beperkte taalgebruik intussen aan 'zijn klein vermogen', waarmee hij wellicht ook zinspeelde op de financiële malaise waarin hij permanent verkeerde. In het voorwoord van zijn verzameld werk verdedigde hij standvastig de uitgave van zijn gedichten: 'doch alles wat ik gerimt hebbe, is uyt lust en vermaeck van den dicht-Minnende Leser gedaen en niet voor de Laster-tongen, die veel tijts smaelen, en schempen op onkundige dingen, daerse geen kennese van en hebben'. Door deze 'lastertongen' liet Hoeckstra zich beslist niet weerhouden: 'doch ik hier niet na luisterende zoo koom ick dan vrypostich voor den Dach, en toon mijn geringen arbeyt aan den Leeser'.
Spottend eerbetoon
Zijn koppigheid was vermoedelijk de reden dat zijn collega-dichters besloten Hoeckstra te grazen te nemen. Om hem te 'eren' stelden ze een tweede druk van zijn verzameld werk: De Hoeck, en Noordt-star der Poësy ofte alle Rijm-konstige wercken van Mr. Klaas Pieters Hoeckstra […]. Den Tweeden Druk: Vermeerdert, verbetert, en met Lofvaerssen op d'Authuer verçiert (1679). Waarschijnlijk kwam de bundel tot stand op initiatief van de eveneens in Leeuwarden woonachtige dichter Adriaan Tymens, en mogelijk verleende ook Simon Abbes Gabbema zijn medewerking (Breuker 1982). In het voorwerk waren ruim dertig spotdichten opgenomen van vooraanstaande tijdgenoten, onder wie de advocaat en Leeuwarder schepen Suffrides Hardomans, de Friese staatsman Allart Petrus van Jongestall (de vader van Sybille), de advocaat Livius Wisselpenning, de raadsheer G ijsbert van Vierssen en de advocaat Werner Guthberleth. Op ironische wijze werd Hoeckstra op de titelpagina omschreven als: 'Ervaaren Schutter, Konstigh Beeld-snijder, Vermaarde Boom, Kruyd en Bloem-kundige, en boovenal al volmaackte Dichter, en Burger binnen Leeuwarden'. Ook was elk van de vijf afdelingen nu voorzien van een satirisch getinte 'korte inhoudt' van de 'rym-vertooningh' van de hand van Tymens. Tymens en de zijnen dreven vooral de spot met het houtenklazerige metrum en de talrijke spelfouten. De brouwsels van deze 'nieuwe Poëte star' waren echter zo uniek dat ze onaangetast dienden te blijven:
[…] nijemant zal zijn Rijm verlengen of' verkorten,
Maar laaten 't staan, als 't gaat met horten en met storten,
Wije van zijn spelling maar de minste letter scheijdt,
Zal worden als een dief' ter poorten uytgeleydt.
Behalve zijn 'kreupele rijmen' moest ook zijn vrouw het ontgelden:
Hier woont een Hovenier, een Dichter, en een schutter,
Dat liegt'stu klaas, zey Tryn, Dicht du mijn gat dat's nutter.
Risé van Friesland
Hoeckstra liet zich door dit 'eerbetoon' echter niet uit het veld slaan, want in 1684 publiceerde hij nog een Heyl- en zegen-wens, over de heerlijcke huwelijcks ztaetzy van prins Hendrik Casimir met Amalia van Anhalt. Lef kan de tuinierende stoelenmaker dus niet ontzegd worden, maar een herstel van zijn reputatie zat er niet meer in. Zelfs tot na zijn dood bleef hij nog de risé van Friesland. In een spotgedicht uit 1697 van 'B.N.W.' werd een onbekende dichter het grootst denkbare compliment gemaakt: hij deed het in elk geval nog beter dan Klaas Pieters Hoeckstra.
Want ge sijt een aerdig digter,
En een regte Beusel stigter
Die dog niets verstaenbaers zegt
[…]
Wel., gij aller sotte vader;
Seekerlijk gij brengt 'et nader
Dan KLAAS PIETERS HOECKSTRA plag.
Hoeckstra mag dan geen 'volmaackt dichter' zijn geweest, hij verdient wel degelijk een topnotering in de lijst van meest curieuze Friezen aller tijden.
Literatuur
Zie voor biografische informatie over Klaas Pieters Hoeckstra het lemma in de DBNL (geraadpleegd via http://www.dbnl.nl/auteurs/auteur.php3?id=hoek026). Aldaar wordt verwezen naar A.J. van der Aa, Nieuw biographisch, anthologisch en critisch woordenboek van Nederlandsche dichters. Tweede deel, 1845, 228-229. Een veel uitvoerige overzicht van Hoeckstra's werken en leven biedt Ph.H. Breuker, 'Master H. (Gysbert Japicx, brief XIX): wa't er wie en wat de Scheltema's der fan makken'. In: Us Wurk XXXI (1982), 29-42. Het aldaar genoemde sterfjaar (1686) moet echter vervangen worden door 9 februari 1687 (met dank aan Harm Nijboer). Een analyse van Hoeckstra's 'Uytlegginge van de vier elementen' is te vinden in Marijke Meijer Drees, 'Twee keer de vier elementen'. In: In de zevende hemel. Opstellen voor P.E.L. Verkuyl over literatuur en kosmos. Onder redactie van H. van Dijk, M.H. Schenkeveld-van der Dussen, J.M.J. Sickingen. Groningen 1993, 119-123. Over Gabbema's Klioos Kraam en het zeventiende-eeuwse Friese literaire milieu, zie Piet Visser, 'Frisia non cantat? Boekverkopers, bloemlezers en poetsenbakkers op de Helicon van 't Heitelân'. In: Klinkend boeket. Studies over renaissancesonnetten voor Marijke Spies. Onder redactie van Henk Duits, Arie-Jan Gelderblom, Mieke B. Smits-Veldt. Hilversum 1999, 165-172.
© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries
Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke
toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.