Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: Fryslân 4;4 (1998), 10-12.

Casparus Hoomis
Een onbekende Leeuwarder schilder uit de zeventiende eeuw

Harm Nijboer

Als de Nederlandse Gouden Eeuw ergens befaamd om is, dan is het wel de bloei van de schilderkunst in die dagen. Hollandse Meesters als Rembrandt, Frans Hals, en Johannes Vermeer behoren tot de grote namen uit de wereldgeschiedenis. Hoewel Friesland geen schilders van een dergelijke statuur heeft voortgebracht, nam ook hier de schilderkunst een enorme vlucht. Met name in Leeuwarden waren vele schilders werkzaam. Sporen van hun werzaamheden vinden we niet alleen in de collectie van het Fries Museum, maar ook in de stedelijke archieven. Vooral de vele boedelinventarissen die het Leeuwarder archief rijk is, bevatten een schat aan gegevens over Leeuwarder schilders en hun achtergronden. Een belangrijk deel van deze gegevens is tot nu toe aan de aandacht van (kunst)historici ontsnapt en blijkt een nieuw licht te werpen op de Leeuwarder schilderkunst in de Gouden Eeuw. Met ingang van dit nummer zal met enige regelmaat een opstel op basis van dit materiaal in Fryslân verschijnen.

Zo ver als de faam van een Rembrandt reikt, zo onbekend is de schilder Casparus Hoomis. In geen enkel museum is werk van hem te vinden en in geen enkele publicatie over de schilderkunst in de zeventiende eeuw vinden we zijn naam vermeld. Toch moet hij in de jaren zeventig van de zeventiende eeuw vermoedelijk een bekend gezicht in het Leeuwarder schilderswereldje zijn geweest, niet alleen als kunstenaar maar ook als kunsthandelaar. En in de week na 9 september 1677, toen hij een gewelddadige dood stierf, zal hij zelfs even 'the talk of the town' zijn geweest.

Katholiek

Casparus Hoomis (naamsvarianten: Hom(m)es, Ho(o)mis, Homus) wordt voor het eerst vermeld in 1665 toen hij een éénkamerwoning kocht 'achter de Groene Kan' in het noordoosten van de stad. Op dat moment noemde hij zich al 'Mr. schilder'. Van voor die datum is niets met zekerheid over zijn levensloop te vermelden. Het meest aannemelijk is dat hij even voor 1640 in Leeuwarden is geboren. Zijn naam vinden we echter niet terug in de hervormde doopboeken over die jaren. Op zich is dat niet verwonderlijk. Aangezien hij met de kerkelijke naam Casparus is getooid, zou hij best een telg uit een katholieke familie kunnen zijn. Ook het latere wedervaren van Hoomis in huwelijks- en geboortezaken wijst in die richting.

Huwelijk en carrière

Voor de jaren na 1665 geven de bronnen meer informatie over zijn levensloop. Duidelijk is dat het Hoomis toen moeite kostte om met schilderen alleen zijn brood te verdienen. Naast zijn schilderwerk was hij actief in de handel. Mogelijk was deze 'nevenactiviteit' op een bepaald moment zelfs zijn belangrijkste bron van inkomsten. In 1670 noemde hij zich koopman in plaats van schilder. Zijn kennismaking met Pietje Geerts verhinderde evenwel dat hij het artistieke helemaal verliet. Op 16 januari 1675 ging hij met haar in ondertrouw. Opvallend is dat de kerkelijk inzegening van het huwelijk achterwege bleef. Pas anderhalf jaar later op 14 oktober 1676 vroeg het tweetal een attestatie aan om in een andere kerk te kunnen trouwen. Mogelijk moest deze attestatie als het boterbriefje dienen, want op 7 september van dat jaar was hun dochter Cathalijn reeds in de hervomde kerk gedoopt. Cathalijn moet al in haar eerste levensjaren overleden zijn. Een gunstiger levenslot was voor hun zoon Elias weggelegd. In tegenstelling tot zijn jonggestorven zusje heeft Elias echter nooit het doopvond in de hervormde kerk aanschouwd. Deze gang van zaken doet nogmaals vermoeden dat Hoomis een katholieke achtergrond had.

Gezicht op de Wirdumerdijk.
Herberg De Valk (derde van rechts) in 1834, gedeelte van eenschilderij van W.F. Jansen. (Gemeentearchief Leeuwarden)

Het huwelijk met Pietje hield voor Hoomis in dat hij zich nu kon concentreren op het schildersambacht en de daarmee verbonden kunsthandel. Pietje dreef ondertussen de herberg De Valk aan de Wirdumerdijk, daarbij geholpen door haar zuster Klaaske en de diensmeid Doutzen Freerks. Lang heeft het huwelijkse geluk echter niet mogen duren. Op zondag 9 september 1677 kwam hier een gewelddadig einde aan. Van de gebeurtenissen die dag zijn verschillende getuigenverslagen bewaard. En hoewel de getuigen elkaar op details wel eens tegenspreken, is vrij goed te reconstrueren wat er toen gebeurd is.

Kroegruzie

Die dag rond 4 uur 's middags bezoeken drie personen herberg De Valk: Hermannus Boelema (zoon van de apotheker Hendrick Martens Boelema), de luitenant Ulenburg en een vreemdeling, die door de anderen kapitein genoemd werd. Het luidruchtige gezelschap eiste een romer wijn en een spel kaarten. De wijn werd geschonken maar het kaartspel werd geweigerd aangezien men in deze herberg geen gokspelen toeliet. Bovendien gaf de kapitein te kennen geen kaart te willen spelen. Hij had bij zijn metgezellen al een speelschuld van honderd daalders en hij vreesde dat zijn companen op zijn bankroet uit waren. De kapitein verliet daarom de tafel en nam elders in de herberg plaats. Ondertussen werd Boelema steeds aggressiever. Hij wilde een spel kaarten en als ze geen spel kaarten konden krijgen dan wilde hij een verkeersbord (trik-trak, ook een gokspel). Bovendien wilde hij de kapitein met geweld dwingen om nogmaals mee te spelen. Terwijl de kapitein daarop een veilig onderkomen zocht in de keuken, probeerden Pietje Geerts, haar zuster Klaaske en de dienstmaagd Doutzen Freerks de aggressieve klant tot bedaren te brengen.

Boelema werd echter alleen maar driftiger. Hij schold de dames uit voor hoeren en beet hen toe dat hun herberg een hoerenhuis was 'ende soo [sij] geen hoeren in huis hadden, dat sij alsdan elders vandaen de hoeren aldaer in huis lieten comen'. Vervolgens begon hij aan Klaaske Geerts te sjorren en te trekken. Klaaske liet dit echter niet op zich zitten en gaf haar belager enige rake klappen om de oren en in het aangezicht. Boelema ontstak daarop in razernij en trok een klein mesje waarmee hij Klaaskes gezicht wilde verminken. Eén van de aanwezige gasten, Francois Bacot, wist deze gruweldaad echter nog net op tijd te voorkomen, maar liep daarbij wel een flinke snee in zijn hand op. Op dat moment kwam Casparus Hoomis binnen. Na een kort handgemeen wist deze Boelema door de achterdeur naar buiten te werken.

Moord

De zaak leek hiermee afgehandeld, maar 's avonds even na achten stond Boelema - intussen nog dronkener - op de inmiddels gesloten deur te bonzen. Na enig aarzelen besloot Casparus toch maar te gaan kijken. Boelema stond intussen al aan de overkant van de straat te schreeuwen: 'Ick ben het geweest Casparus! Du kochel, du hoerenweert, coomt hier!' Een verstandige buurvrouw probeerde Casparus er nog van te overtuigen dat hij de provocaties van deze dronkenlap maar beter kon negeren. Boelema deed er ondertussen echter nog een schepje bovenop: 'Du schelm, du hoerekochel, du holdste het hoerhuis op, du holste geen eerlijcke vrouwluiden in dijn huis!' Deze beledigingen (in het openbaar!) kon Casparus niet over zijn kant laten gaan. Hij stormde achter Boelema aan, roepende: 'Du schelm, ick sal dij wel krijgen!' Toen het tweetal in de Peperstraat was aangekomen ontstond een handgemeen. Even nadat de omstanders het tweetal in dit (toentertijd zeer nauwe) straatje hadden zien verdwijnen klonk het ineens: ‘Moord! Moord! Moord!’.

Mannelijkheid

Kort daarop kwam Casparus met beide handen onder zijn buik het straatje uitstrompelen, krijsend: ‘Du schelm, daer steeckste du mij als een schelm, du heefte mij gequetst als een schelm, ick moet daer de doot aen sterven.’ Het waren zijn laatste woorden. Bij de lijkschouwing stelde de chirurgijn Abraham Horreus vast dat Casparus was overleden tengevolge van een messteek in de rechterlies. Met wat voor mes de fatale wond precies was toegebracht kon hij niet zeggen, aangezien het mes er met evenveel geweld uitgehaald was als het erin gestoken was. Boelema heeft kennelijk geprobeerd Casparus in zijn mannelijkheid te verminken.

Dit was duidelijk geen gewone moord. Eer speelt bij het hele voorval een belangrijke rol. In de scheldpartijen van Boelema wordt steeds de eer van Casparus Hoomis en zijn huishouding in twijfel getrokken. Zelfs de fatale messteek lijkt niet zozeer toegebracht om Casparus te vermoorden, maar om hem te onteren. Wellicht was er dus meer in het spel dan alleen een kwade dronk. Maar daarover kunnen we alleen maar gissen. Boelema is voor zover bekend nooit voor zijn misdaad gepakt en hij is er dus ook niet over verhoord. Over wat hem tot deze misdaad bewoog, zwijgen de bronnen.

Inboedel

Pietje Geerts heeft kennelijk niet lang gerouwd om de dood van haar man. Een half jaar later ging ze namelijk al in ondertrouw met de in Brussel geboren Joris Gosens. Naar aanleiding van dit huwelijk werd op verzoek van Eilart Dircks, voogd over Elias Hoomis, een inventarisatie van de inboedel gemaakt om Elias zijn deel van de erfenis van Casparus toe te kunnen wijzen. Deze inventaris is bewaard gebleven en geeft een mooi overzicht van de bezittingen van Casparus Hoomis en Pietje Geerts.

Armoedig was de inrichting van hun huis beslist niet. We treffen grote hoeveelheden serviesgoed, keukengerei en linnengoed aan. Veel van deze spullen zullen natuurlijk tot de inventaris van de herberg hebben behoord. Niettemin is het moeilijk om een onderscheid te maken tussen spullen voor zakelijk en privégebruik. De herberg was namelijk eveneens het woonhuis. En van duidelijk te onderscheiden woon- en gastenvertrekken was geen sprake. Als we de inventaris van deze herberg vergelijken met andere, dan kunnen we constateren dat De Valk een goed geoutilleerde herberg was. Wat echter opvalt is dat in de inventaris geen enkel boek vermeld wordt. Zelfs een bijbel treffen we niet aan, terwijl dit boek in boedels van deze omvang bijna altijd wel aanwezig is. Ook ‘studieboeken’ over de schilderkunst zoals inconologische werken ontbreken. Misschien had bij Hoomis, die wel kon lezen en schrijven, geen interesse voor religieuze en andere gewichtige zaken. Het is echter ook niet geheel uitgesloten dat de inventaris ons over het boekenbezit niet inlicht.

 Schilderijen waren in elk geval wel ruimschoots aanwezig. Gezien Hoomis professie zouden we ook niet anders verwachten. Bovendien was een herberg in de zeventiende eeuw niet compleet zonder enige fraaie schilderijen aan de muur. Verspreid door het huis aan de Wirdumerdijk hingen er 53 stuks, variërend in waarde van 5 stuivers tot 20 gulden. Slechts van vier schilderijen wordt vermeld wat erop stond: twee landschappen en twee winterstukken. Er hing overigens niet alleen eigen werk. Eén van de schilderijen is toegschreven aan de Amsterdamse schilder Jan Coninck. Ook de drie duurste schilderijen met een waarde van 18 tot 20 gulden zullen waarschijnlijk niet van eigen hand geweest zijn.

Kunst en handel

Dat Casparus Hoomis bepaald geen specialist in het duurdere werk was, blijkt uit de inventarisatie van zijn atelier aan het Ruiterskwartier. Op het moment dat de inventaris opgemaakt werd, bestond de handelsvoorraad uit 237 schilderijen en daarnaast nog enige losse lijsten en enige onbeschilderde doeken en panelen. Helaas wordt van geen enkel schilderij vermeldt wat erop afgebeeld stond. En anders dan de rest van de boedel is de inventaris van het atelier niet getaxeerd. Toch valt uit deze beschrijving goed op te maken welk marktsegment Hoomis bestreek. Veel van het werk wordt namelijk met een waardecategorie omschreven zoals ‘acht stuivers penneelties’. Aangezien deze waarden variëren van acht stuivers tot een rijksdaalder, kunnen we er vanuit gaan dat de schilderijen die Hoomis in voorraad had, grotendeels voor de massamarkt bestemd waren.

Overigens zullen niet alle schilderijen in het atelier van eigen hand zijn geweest. Hoomis verkocht bijvoorbeeld ook schilderijen van de Amsterdamse schilder Jan Coninck. Bovendien werkte hij samen met andere Leeuwarder schilders. Zo had hij van de erven van Helena van Aylva nog een bedrag van 118 gulden en 3 stuivers tegoed. De helft van dit bedrag kwam evenwel aan de schilder Leendert Nulck toe. Kennelijk hadden de twee gezamenlijk aan een opdracht van Helena van Aylva gewerkt. Zakelijke contacten waren er ook met de schilder Harmen Monsma, die na het overlijden van Hoomis de verkoop van zijn schilderijen voortzette.

Debiteuren

Onder de debiteuren van Hoomis treffen we nog twee Leeuwarder schilders aan: Emanuel Marant en de wijnkoper en amateurschilder Jacobus van der Gracht. Onduidelijk is waar de schuld van deze twee uit voortvloeide. Het kan zijn dat ze schilderijen of schildersmateriaal bij Hoomis gekocht hebben, maar het is ook goed mogelijk dat ze hun rekening in de herberg nog niet betaald hadden. Het ontbreken van een nadere specificatie van de schulden en tegoeden die in de inventaris geregistreerd staan, maakt het vaker moeilijk om hieruit conclusies te trekken over de handel en wandel van het schildersbedrijf. Slechts een enkele post geeft meer informatie prijs. Zo vinden we nog vermeld: ‘De generael luijtenant Hans Willem van Aylva debet als reste van meerdere somma soo van t’schilderen van een groot legerwaegen ende 9 quartiersfaendels  64-0-0’. De grens tussen schilderkunst en schilderwerk was iets waar Hoomis kennelijk niet om maalde.

Massamarkt

Casparus Hoomis was duidelijk niet één van de artistieke genieën waar de Nederlandse schilderkunst uit de zeventiende eeuw bekend om staat. Toch is de aandacht die hier aan hem besteed is, ten volle verdiend. Hoomis was namelijk een typische representant van een belangrijk doch onderbelicht segment van de Nederlandse kunstmarkt in de zeventiende eeuw. Want het waren niet alleen de grote meesters die de schilderkunst uit die dagen uniek maakten. Buitenlandse reizigers die de Nederlandse Republiek bezochten, verbaasden zich over de grote spreiding van het schilderijenbezit hier. Zelfs in vrij eenvoudige huishoudens trof men meestal wel een schilderijtje aan. Recent historisch onderzoek naar boedelinventarissen bevestigt dit beeld in grote lijnen. De Nederlandse kunstmarkt in de zeventiende eeuw was de allereerste massamarkt voor kunst in de geschiedenis. Natuurlijk hingen in die eenvoudige huishoudens geen meesterstukken aan de muur. En de democratisering van het kunstbezit in die dagen kan dan ook moeilijk beschouwd worden als de verdienste van schilders als Rembrandt of Frans Hals. Deze eer komt toe aan de schilders aan de onderkant van de artistieke hiërarchie, schilders zoals Casparus Hoomis.

Bijlage: de schilderijen in het atelier

Sestien schilderen met listen
Achtien halveguldens geschilderde pennelen sonder listen
Ellef acht stuivers penneelties ut supra
46 schilderijen van verscheiden soorten soo principalen als copijen met listen
Noch twintich ad idem
Noch vijff ende veertich ad idem
Twee rijxdaelders ongeschilderde doecken
Noch vijff ongeschilderde doecken
Sestien eenguldens geschilderde pennelen sonder listen
Vier daelders ut supra
Drie acht stuivers ut supra
Ses pennelen ongeschilderde
Noch acht van mindere soorte
Seventien geschilderde doecken
Vier ongeschilderde doecken
Negen en dartich oude listen
Noch negen en dartich soo cleine als groote schilderijen tegenwoordich onder Monsma berustende.


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer