Uit: Fryslân 6;1 (2000), p. 23-24.
Kollumer asielzoekers tijdens de Tachtigjarige Oorlog
Harm Nijboer
Onlangs kwam het anders zo rustige Kollum op een vervelende manier in het nieuws. De gemoederen rond het daar gevestigde asielzoekerscentrum waren zo hoog opgelopen dat de burgemeester van Kollumerland op een voorlichtingsbijeenkomst met eieren bekogeld werd. Gelukkig begreep de bestruifde burgervader dat gemakkelijke beschuldigingen van vreemdelingenhaat niet op hun plaats waren. Heel wijs riep hij daarom op tot een periode van bezinning, een ‘time-out’ in zijn woorden. Misschien kan ook een sprongetje ‘back in time’ aan deze bezinning bijdragen. Het is namelijk niet voor het eerst dat Kollum met de asielproblematiek geconfronteerd wordt. Zo'n vierhonderd jaar geleden waren het de Kollumers zelf die op de vlucht sloegen.
1580 was een roerig jaar in de annalen van de Nederlandse Opstand. Rennenberg de stadhouder van Friesland, Groningen, Drenthe en Overijssel, had, hoewel hij aanvankelijk gemene zaak maakte met de opstandelingen, alsnog de kant van de Spaanse koning gekozen. En van de genoemde gewesten bleef uiteindelijk alleen Friesland, waar de Staten tijdig maatregelen hadden genomen, in het kamp van de Opstand. Als gevolg van deze gebeurtenissen zou het Fries/Groningse grensgebied jarenlang het toneel van krijgsverrichtingen zijn. Pas na de Reductie van Groningen (1594) keerde de rust hier terug.
Vooral in de zomer van 1581 werd er hevig gevochten rondom Kollum, met alle gevolgen van dien. De Friese historicus Pier Winsemius (1586-1644) schreef later dat toentertijd ‘de gestaltenisse van Vrieslandt ellendich ende desolaet geweest is.’ Het krijgsgeweld bracht enorme schade toe en veroorzaakte vooral ook grote angst onder de bevolking. Men wist maar al te goed wat zich in 1572 in Dokkum had afgespeeld. Troepen van de Spaanse koning hadden toen de stad veroverd en waren daarna plunderend, moordend en verkrachtend door de straten getrokken. Dit schrikbeeld zal velen voor ogen hebben gestaan. Veel inwoners van het Fries/Groningse grensgebied sloegen dan ook op de vlucht toen de strijd daar los barstte.
De Ommelander boer Abel Eppens schreef in januari 1582 in zijn kroniek dat er geen boer meer tussen Groningen, Leeuwarden en Dokkum woonde. Misschien overdreef hij een beetje, maar massaal was de vluchtelingenstroom zeker. Zo weten we dat Hemme Clama, de grietman van Langewold (Grijpskerk e.o.), naar Leeuwarden was gevlucht. En als zelfs de lokale bestuurders op de vlucht sloegen, zullen er maar weinigen geweest zijn die achterbleven.
Op de vlucht
Velen zochten een veilig heenkomen in één van de noordelijke hoofdsteden, protestanten in Leeuwarden en katholieken in Groningen. En ook de kleinere steden namen vluchtelingen op. Nog maar net aangekomen in hun toevluchtsoord stond de vluchtelingen evenwel een nieuwe ramp te wachten. In de jaren 1581 en '82 heerste de pest in vele plaatsen in Friesland en Groningerland. Veel vluchtelingen werden slachtoffer van deze epidemie. Zo waren ene Ane Sapesz. en zijn vrouw Jents Jansendr. uit Westergeest naar Leeuwarden gevlucht ‘vermits de crijghsloepen ende beroerten’. Beiden stierven in het najaar van 1581 aan de pest.
In de Leeuwarder archivalia uit die tijd treffen we behalve Ane en Jents nog veel meer vluchtelingen uit het Fries/Groningse grensgebied aan. Veel vluchtelingen keerden overigens na het luwen van de strijd niet terug naar hun geboortestreek. Menigeen bouwde in de Friese hoofdstad een nieuw bestaan op. Zo verwierven in de periode 1581-1595 maar liefst achtentwintig Kollumers het burgerrecht van de stad Leeuwarden. Ter vergelijking: in de periode 1596-1610 waren dat er slechts zes.
Bogerman
De meeste vluchtelingen zijn inmiddels in de vergetelheid geraakt. Onder hen bevond zich echter ook een jongen van een jaar of vijf, die met zijn familie van Kollum naar Bolsward was gevlucht. Deze Johannes Bogerman zou later een van de voornaamste godgeleerden van het land worden. Hij stond als predikant in respectievelijk Sneek, Enkhuizen en Leeuwarden. En als voorzitter van de Dordtse synode (1619), medewerker aan de Statenvertaling (1626-1636) en hoogleraar theologie te Franeker (1633-1637) genoot hij ook landelijk groot aanzien. Bovendien was hij ook nog eens een goede vriend van prins Maurits en de Friese stadhouder Willem Lodewijk.
Hoewel zijn carrière alleszins voorspoedig verliep, is de dramatische vlucht uit Kollum Bogerman altijd bijgebleven. In het voorwoord van één van zijn geschriften bedankte hij daarom uitvoerig de stad Bolsward voor het asiel dat hem en zijn familie destijds was verleend. Een daad van menslievendheid, zo oordeelde de predikant Bogerman.
En nu
Goed, het is niet altijd mogelijk om lessen uit het verleden te trekken en vaak kan men dat ook maar beter laten. De geschiedenis herhaalt zich zelden exact hetzelfde. Maar toch, wat zou het mooi zijn als over een jaar of twintig een bekende wetenschapper, een gevierd kunstenaar of een sportheld de Kollumers zou bedanken voor het gastvrije onthaal dat hem en zijn familie werd geboden toen zij op de vlucht waren voor geweld en verdrukking.
© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries
Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke
toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.