Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: Fryslân 9;4 (2003), 3-9

Het huis als kenmerk van materiële cultuur van de Friese boerenelite. Een terreinverkenning

J.A. Mulder

Boerderijen zijn er - ook in Friesland - in diverse soorten en maten. Deze bijdrage loopt vooruit op een diepgaande studie naar de ontwikkeling van het woonhuis van de Friese boer. Als eerste werd onderzoek gedaan naar de verschillen tussen het woonhuis van een kleine welgestelde bovenlaag van eigenerfde boeren en dat van huurboeren in het Noord-Friese kleigebied en in de Friese Wouden. We behandelen de verschillen tussen de huisvormen van eigenerfde boeren en van boerenhuizen die in opdracht van adellijke grootgrondbezitters werden gebouwd. Tenslotte gaan we kort in op de invloeden van de burgercultuur op de boerderijbouw.

Eigenerfden en huurders

Friesland stond tot jaren na de Tweede Wereldoorlog bekend als een pachtprovincie bij uitstek. In de Middeleeuwen was een belangrijk deel van de vruchtbare Friese kleigrond in het bezit van adellijke geslachten. Daarnaast behoorde omstreeks 1580 bijna 20% van het noordelijk kleigebied toe aan de verschillende Friese kloosters. Na de overname van dit kloosterbezit door de Staten van Friesland bij de Reformatie in 1580, kwam ook dit bezit in de 17e eeuw grotendeels in handen van stedelijke gasthuizen en van de Friese adel en het patriciaat, die van oudsher al veel grond bezaten.

Rond het midden van de vorige eeuw werd nog ongeveer 75% van alle Friese landbouwgrond verpacht door grotere of kleine landeigenaren en door oude charitatieve instellingen en beleggingsinstituten die vooral na de Tweede Wereldoorlog dankzij de aankoop van een aantal grote adellijke bezitscomplexen eigenaar waren geworden van vele boerderijen. De verhouding eigendom/pacht was omstreeks 1950 in de kleibouwstreek, het kleiweidegebied en de (hoog)veenstreken nog circa 25 : 75. Op de schralere oostelijke zandgronden was dit 40 : 60. Na 1950 kwam aan deze situatie een einde en momenteel is een aanzienlijk deel van de landbouwgrond boerenbezit. Het instituut pacht als relatief voordelige financieringsbron van de productiefactor grond voor de boer behoort vrijwel tot het verleden.

Afbeelding 1
Voorhuis herenboerderij.

Stinzen en States

De oudste stenen gebouwen bij boerderijen in Friesland zijn de sedert circa 1200, door adellijke grondbezitters gebouwde stinstorens, waarvan de voorlopers in hout waren uitgevoerd. De stinstorens waren meestal vierkante, van groot formaat bakstenen (zogenoemde kloostermoppen) opgetrokken, bouwwerken van gemiddeld vijf maal vijf meter in omtrek, soms wat groter. Ze bestonden uit één of meer bouwlagen boven een kelder die gedeeltelijk in een aarden verhoging was gegrondvest, die op haar beurt omringd was door een gracht. Deze torens fungeerden als verdedigingswerken. Zij bezaten slechts kleine vensteropeningen of schietsleuven voor boogschutters en hadden, althans voorzover bekend, geen stookplaatsen voor verwarming. Ze dienden niet tot woning.

Vanaf de tweede helft van de veertiende eeuw veranderden deze verdedigingswerken van uiterlijk en kregen zij een meer langgerekte vorm waarbij de lengte circa twee maal de breedte bedroeg. Zij bestonden opnieuw uit één of twee bouwlagen boven een kelder en werden gedekt met een zolder onder een vrij steil zadeldak tussen twee trapgevels. In zo'n geval spreken we van een zaalstins, die eveneens op een omgracht terrein stond. De zaal kon hier wél worden verwarmd door middel van een schouw met een schoorsteen en diende mede daardoor voor een permanente bewoning door de adellijke bezitters en hun familie. De zaalstinzen waren net als hun voorgangers nog spaarzaam verlicht door middel van vrij smalle vensters met gemetselde of van natuursteen gehouwen kruiskozijnen. Na de verbetering van vuurwapens in de loop van de vijftiende eeuw, verloren de stinzen hun verdedigbare functie. Zij werden vervolgens uitgebreid tot meer comfortabele behuizingen. Als omvangrijke complexe gebouwen, voorzien van traptorens, grotere vensters en meerdere hoge schoorstenen, groeiden zij in de loop van de tijd uit tot de Friese adelswoning bij uitstek: de state.

De boerderijen

De boerderijen bestonden oorspronkelijk uit een woongedeelte en een daarachter gelegen stal. In de dertiende en veertiende eeuw bezaten zij overwegend vlechtwerkwanden van wilgentenen die met leem waren bestreken. De vrij lage daken rustten op een rij achter elkaar geplaatste houten gebinten met een onderlinge afstand van circa twee meter. Deze huizen bezaten geen schuur. De stal bestond uit een dubbele rij koestallen, waarin de koeien twee aan twee werden gestald tussen tenen of houten schotten die de gebintstijlen met de buitenmuur verbonden. De daken waren gedekt met riet of stro. Het woongedeelte had in sommige gevallen al houten wanden. De toegang tot de stal en het daarvoor gelegen woongedeelte lag in de korte achtergevel. Bij de langere boerderijen zat soms een extra toegangsdeur in de lange gevel, direct achter het woongedeelte en vóór de stal. De breedte van deze gebouwen bedroeg circa 4 ½ tot 5 ½ meter, terwijl de lengte varieerde al naar gelang de omvang van het bedrijf en wel meer dan 40 meter kon bedragen. Door de gebinten was het huis in de lengte verdeeld in circa twee meter brede vakken, waardoor gesproken wordt van vakhuizen of langhuizen. In de oudste archiefbronnen wordt de lengte van de huizen vaak uitgedrukt in het aantal vakken.

Afbeelding 2
Boerderij van het zuid-friese type.

De oudste stenen voorhuizen

In de vijftiende eeuw werden de voorhuizen van de boerderijen eveneens opgetrokken van baksteen. Dat gebeurde het eerst bij de kleinere adellijke geslachten en rijkere eigenerfde boeren, waarbij het onderscheid tussen deze beide standen soms moeilijk viel aan te geven. Zulke woningen waren rechthoekig en ze kwamen overeen met een kleine zaalstins van slechts één bouwlaag (zonder kelder) met een zolder onder een zadeldak tussen twee topgevels. Zij bezaten slechts één vertrek, een soort kleine zaal, met een schouw. Vastgesteld is dat in de zestiende eeuw niet alleen in de Friese kleigebieden, maar ook in de veenweidegebieden, vrijwel alle boerderijen reeds een stenen woning bezaten. De nokhoogte van het stenen voorhuis was hoger dan die van de stal. In de zestiende eeuw ontstond achter het huis en vóór de stal een afzonderlijk stenen vertrek, de keuken, waarvan de nokhoogte lager was dan die van het huis, doch hoger dan die van de stal. Dit boerderijtype, het zogenoemde oud-friese langhuis, bezat geen schuur. Het hooi (het wintervoer voor het hoornvee) werd buiten onder een open hooikap naast de stal opgeslagen, terwijl voor de graanoogst één of meer stalvakken werden benut. Eeuwenlang zou het stenen voorhuis van het oud friese langhuis in zijn grondvorm bij de meest voorkomende Friese boerderij blijven voortbestaan, ook toen de boerderij zich vanaf het einde van de zestiende eeuw en in de verdere loop van de zeventiende eeuw in de meeste delen van Friesland had ontwikkeld tot de kop-hals-rompboerderij met Friese schuur, waarin de stal, de hooi- of graantassen en de schuurreed of deel onder één hoog dak waren verenigd.

Huisvormen bij boerderijen van adellijke landeigenaren en eigenerfde boeren

Vanaf de zestiende eeuw gingen boeren uit de kleinere adellijke geslachten, maar ook rijke eigenerfde boeren, die op zijn minst 100 pondematen (ongeveer 37 hectare) land bezaten, zich met hun woning onderscheiden van het hiervoor beschreven gangbare voorhuis. Deze ontwikkeling voltrok zich vooral in het noordoostelijke kleigebied en langs de oostelijke oever van de voormalige Middelzee, waar het gemengde bedrijf met een aanzienlijke graanproductie voor de markt werd uitgeoefend. Het type huis dat deze meer gefortuneerde boeren bouwden bestond uit twee achterelkaar gelegen rechthoekige vertrekken. Daarbij bezat alleen het achterste vertrek, dat grensde aan de halsverbinding tussen huis en schuur, een schouw met een schoorsteen. Langs één der lange zijden van het huis liep een gang die beide vertrekken ontsloot. Ongeveer halverwege deze gang bevond zich een buitendeur, de zogenoemde lijkdeur. Volgens overlevering werd hij alleen gebruikt bij het heengaan van een van de bewoners. Aan het einde van de gang, tegen de voorgevel, bevond zich een kleine kelder voorzien van een kruis- of tongewelfje, met daarboven een klein opkamertje. De kelder werd gebruikt voor het veilig stellen van kostbaarheden in tijden van nood en het opslaan van duurzame proviand. Het voorste vertrek werd alleen bij feestelijke gelegenheden gebruikt en diende 's winters als opslag voor wagenonderdelen, tuigen en gereedschappen. Het doel van een dergelijk lang voorhuis was vooral het creëren van een grote droge zolder voor de opslag van het in de winter gedorste graan.

Deze huizen zijn in de achttiende eeuw, maar vooral in de negentiende eeuw, nagenoeg allemaal verbouwd, waarbij het keldertje en het opkamertje werden uitgebroken. Zo kon het voorste vertrek met de gangruimte worden verenigd tot één grote bewoonbare voorkamer voorzien van twee grote vensters in de voorgevel met daartussen een schouw met schoorsteen. De rest van de gang bleef in stand, maar werd soms opgeofferd aan het vergroten van de achterkamer. Na een verbouwing of algehele herbouw gebeurde het ook wel dat men de gang tussen de beide kamers situeerde, haaks op de lengterichting van het huis. De lijkdeur kreeg dan veelal het karakter van een pronkdeur met een fraaie omlijsting met daarboven een dakkajuit, compleet met ornamenten in de destijds heersende stijl van het classicisme.

Het twee vertrekken lange huis was in de zeventiende en achttiende eeuw uitsluitend de huizinge van grote eigenerfde boeren met aanzienlijk landbezit of een door een adellijke eigenaar verhuurd omvangrijk bezit. Dit huis was daardoor een kenmerk van een bovenlaag onder de boeren: rijke eigenerfden of grote huurboeren.

Afbeelding 3
Restant van 16e eeuws voorhuis gebouwd door kleiner adellijk boerengeslacht of rijke eigenerfden.

Een nieuw adellijk boerderijtype

Vanaf 1750 werden in toenemende mate oude Friese states afgebroken omdat ze niet meer werden bewoond. Door uitsterving waren meerdere oude Friese adellijke geslachten, soms de naamgevers van de diverse states, verdwenen.

Toch wilden hun erfgenamen kennelijk iets van de roem van hun indirecte voorouderlijk erfgoed in herinnering houden. Zo heb ik kunnen constateren dat de boerderijen die zij lieten bouwen op de voormalige, nog steeds omgrachte state-terreinen, vrijwel altijd bestonden uit een kop-hals-rompboerderij met een aanzienlijk, geheel onderkelderd voorhuis. Dit type voorhuis vertoont sterke overeenkomsten met de oude oorspronkelijke zaalstinzen. Het is echter een nieuw type voorhuis dat in de tweede helft van de achttiende eeuw opkomt.

Tot nu toe werd algemeen aangenomen dat dit onderkelderde voorhuis verband hield met de verbetering van de zuivelbereiding. Daar was ook alle reden voor. De kelder werd door de huurders immers altijd gebruikt als melkkelder. Door deze kelders te gebruiken kon immers ruimte in de schuur, waar de melkkelders over het algemeen hun plaats hadden, worden uitgespaard.

Oorzaak en gevolg zijn hier naar mijn oordeel verward. De melkkelder onder het voorhuis (het vervoer van melk en room diende buitenom te geschieden) is, nader beschouwd vanuit ergonomisch standpunt, een achteruitgang ten opzichte van de melkkelder vooraan in de schuur nabij de stal, de karn en kaasketel, die in een dergelijke situatie op praktische wijze bij elkaar waren gelegen.

Ik houd de kop-hals-rompboerderij met opkamer dan ook voor een exclusief adellijk boerderijtype. Hoewel directe bewijzen mij thans daarvoor nog ontbreken, ligt het voor de hand dat de eerste adellijke eigenaren waarschijnlijk de bedoeling of de illusie hebben gehad de opkamer als tijdelijk woonvertrek voor zichzelf te reserveren. Daarmee hielden zij het besef levend iets van de glorie en roem van de oude state te bewaren. Een dergelijk tijdelijk bezoek kon bijvoorbeeld plaats hebben tijdens het jachtseizoen. Daardoor blijkt dus eerder sprake te zijn geweest van een innovatie uit representatieve overwegingen dan om functionele redenen.

Mogelijk al in de achttiende eeuw, maar zeker in de eerste helft van de negentiende eeuw inspireerde dit adellijke boerderijtype, echter bij uitzondering, ook de rijkere eigenerfde boeren tot het bouwen van een vergelijkbare ' pleats'. Een grote kop-hals-rompboerderij met opkamer verleende tot in de twintigste eeuw zeer beslist status aan de boer, die haar huurde of zelf bezat. In dit geval kan men voor de negentiende en het begin van de twintigste eeuw spreken van een zekere overeenkomst tussen rijke eigenerfden en grote huurboeren wat betreft het huis als sociaal-cultureel kenmerk van aanzienlijke boeren.

Afbeelding 4
Kop-rompboerderij met uitgebouwd zijvertrek.

De oostelijke zandgronden

Het oudste boerderijtype met een stenen voorhuis op de oostelijke zandgronden leeft tot op de huidige dag nog voort in de vorm van het kleinbedrijf, zoals de inmiddels slechts sporadisch behouden gebleven zogenoemde "woudhuisjes" laten zien. Het gebruik van baksteen kreeg in de noordelijke Friese Wouden iets later zijn beslag dan op de klei. Toch was het gebruik ervan al in het eerste kwart van de zeventiende eeuw ook daar algemeen. Op de klei waren de eerste stenen voorhuizen als het ware afzonderlijke gebouwen, voorzien van een voor- en achtergevel, geplaatst voor successievelijk de keuken en de stal. In de Wouden was de situatie anders. Hier vormde het woongedeelte oorspronkelijk één geheel met het bedrijfsgedeelte. Het stenen woongedeelte bestond uit een éénbeukige ruimte waarvan de nok van het dak gelijkelijk doorliep in die van het driebeukige bedrijfsgedeelte. Het voorhuis was van steen, maar het achtergedeelte behield nog lang houten wanden. Zelfs toen op de zandgronden in de loop van de zeventiende eeuw eveneens de Friese schuur werd toegepast, bestonden de wanden van deze schuren nog geruime tijd uit hout, dat als bouwmateriaal nu eenmaal in de Friese Wouden ruimer voorhanden was dan op de kale kleigronden en dus goedkoop kon worden aangeleverd. Veel hout werd ook hergebruikt bij de nieuwbouw van boerderijen.

De ontwikkeling van de keukenruimte tussen het woonvertrek en de stalruimte leidde op de oostelijke zandgronden niet tot een afzonderlijk gebouw zoals op klei en in de veenweidegebieden. Hier werd het stenen woonvertrek onder dezelfde noklijn van het dak van het voorhuis ook verlengd met een stenen, meestal korter, eenbeukig voor de stal gelegen vertrek. Het woonvertrek werd vaak van deze nieuwe keukenruimte gescheiden door middel van een haaks op de lengterichting geplaatst gangetje. Hierdoor kwam het op de zandgronden niet tot de ontwikkeling van een afzonderlijk zichtbare hals. Door zijn geringere afmetingen, meest lagere gevels en bescheidener uitvoering onderscheidde de boerderijvorm op de zandgronden zich ook verder nogal van die op de klei en in het veenweidegebied. In de achttiende eeuw werd de maatvoering evenwel groter zodat de omvang meer overeenkomsten ging tonen met de ' pleatsen' in de klei- en veengebieden.

Evenals in het noordelijk kleigebied, was het boerenbedrijf op de zandgronden een gemengd bedrijf. Maar zoals op de vruchtbare klei binnen deze bedrijfsvorm vooral het accent lag op de melkopbrengsten en de zuivelproductie, hield men de koeien op de zandgronden tot in de zeventiende en eerste helft van de achttiende eeuw hoofdzakelijk voor de mestproductie voor het bouwland. Geleidelijk veranderde dit en werd een bescheiden melkgift aangewend voor een evenzo bescheiden zuivelproductie voor eigen gebruik of voor ruilhandel tegen winkelwaren. De akkerbouw boette in de loop van de tweede helft van de achttiende eeuw over het algemeen in geheel Friesland aan belang in. Meer en meer gingen boeren zich toeleggen op een vergroting van de zuivelproductie.

Melkproductie

Zowel in de meer uitgesproken akkerbouwgebieden, zoals de Dongeradelen en Kollumerland, maar ook op de zandgronden leidde dit tot behoefte aan extra ruimte voor de bereiding hiervan. Al in de achttiende eeuw ontstond op de klei een zijdelingse uitbouw van de hals, waarin zich een extra vertrek met topgevel bevond.

Dit nieuwe vertrek kreeg nu een keuken- en woonfunctie terwijl de hals in hoofdzaak bestemd werd voor de zuivelbereiding. Andersom kwam ook voor. Tegelijkertijd werden de melkkelders vergroot en kwam er een opslag voor het bewaren en het rijpen van de kaas.

In de 19e eeuw slaagden ondernemende eigenerfde boeren op de zandgronden er in de zuivelproductie aanzienlijk te vergroten. Dat lukte hen dankzij investeringen in landverbetering en/of het vergroten van hun areaal door middel van ontginning van heide en woeste gronden. Ook de verbetering van de kwaliteit van het melkveebeslag werkte daaraan mee. Net als eerder op de klei werd het huis met een uitgebouwde zijvleugel hèt kenmerk van een kleine rijke eigenerfde boerenstand. Hierdoor onderscheidde deze groep zich dankzij haar huisvorm van zijn gewone collega's, voor wie de gewone kop-rompboerderij zonder zijdelings uitgebouwd vertrek, nog lang voldoende mogelijkheden bleef bieden.

Op de dalgronden - vooral die langs de Opsterlandse- en Schoterlandse Compagnonsvaarten in de voormalige oude hoogveengebieden - ontstond een boerderijtype dat zich eveneens van zijn omgeving ging onderscheiden. Dit verschijnsel trad in de tweede helft van de achttiende eeuw en in de negentiende eeuw op. Hier was een buitengewoon welgestelde bovenlaag van boeren ontstaan. Die hield zich behalve met een succesvolle veehouderij, soms tegelijkertijd als veenbaas bezig met de nabij gelegen lage veenderijen, dan wel met de zuivelhandel of de houthandel.

Hun welstand uitte zich in de bouw van boerderijen van het zogenoemde zuid-friese type. Deze doorgaans grote boerderijen werden gebouwd volgens het kop-rompmodel zonder hals. Een onderkelderd, ruimbemeten voorhuis met opkamer werd in zo'n geval midden voor de schuur geplaatst hetzij iets naar de linker dan wel naar de rechterzijde. Dat gebeurde op een zodanige wijze dat aan beide zijden naast het voorhuis, onder het grote schuurdak ramen van kamers voorkomen. Soms bevinden zich aan de ene zijde de grote dubbele inrijdeuren.

De voorhuizen bij deze boerderijen werden in de negentiende eeuw nog wel eens vergroot met een zijvertrek zonder kelder. Het zijn beslist monumentale boerderijen, waaraan een zekere allure niet kan worden ontzegd. Deze boerderijen treft men in geheel Zuid Friesland aan. De ontstaansgeschiedenis en de sociaal-culturele betekenis van deze boerderijen buiten het gebied van de Compagnonsvaarten zal nog nader worden onderzocht. In ieder geval vormde dit boerderijtype in de oude hoogveengebieden het kenmerk van een boerenelite die dikwijls meerdere zakelijke activiteiten ontplooide dan uitsluitend het boerenbedrijf.

Afbeelding 5
Onderkelderd voorhuis van een boerderij uit adelijk bezit op oud state-terrein.

De stelpboerderij

Bij de stelpboerderij zijn zowel de woonfunctie als de bedrijfsfunctie onder het ene dak van Friese schuur samengebracht. Hoewel het bestaan de stelp al in de zeventiende en achttiende eeuw kan worden aangetoond, beleefde dit type pas in de tweede helft van de negentiende eeuw een sterke opgang om uiteindelijk in geheel Friesland de meest verbreidde boerderijvorm te worden. Bij nieuwbouw of vervanging van oude boerderijen werden stelpen zowel voor eigenerfden als voor huurboeren gebouwd. Op historische state-terreinen handhaafden de adellijke landeigenaren bij de herbouw het kop-hals-romp type met opkamer boven een kelder. Opvallend is, dat de Friese adel en de vaak door de adel gedomineerde gasthuisbesturen, in de negentiende eeuw een voorkeur voor de kop-hals-rompboerderij behielden. Op niet-historische plaatsen bouwden echter ook adellijke verhuurders wél de destijds zeker als een moderne vorm van vooruitgang ervaren stelpen.

Aanzienlijke eigenerfden gingen ook hier over tot het bouwen van een stelp die zich van andere onderscheidde, door aan het huisgedeelte een zeker deftig aanzien te verlenen. Zo'n stelp werd vaak voorzien van een zogenoemd ingebouwd dwarshuis. Het is een boerderijtype waarbij boven het woongedeelte de schoorstenen terzijde buiten het dakvlak zijn gebracht, terwijl toch de voorzijde van het dakvlak vanaf het uilebord naar de dakgoot doorloopt. De vroegste voorbeelden bezitten topgevels boven de zijramen van het woongedeelte; bij de latere zijn deze vervangen door dakschilden. Boerderijen met een ingebouwd dwarshuis komen vooral voor in Tietjerksteradeel, in het gebied rond Bergum.

Burgerlijke invloeden

Naast het overnemen van allerlei ornamenten en versieringen ontleend aan de successievelijk heersende bouwstijlen in de achttiende en negentiende eeuw is de meest opvallende vorm van burgerlijke invloed de bouw van een afzonderlijk gebouwd dwarshuis voor een boerderij. Van dat dwarshuis stemmen zowel de vorm als de uitvoering overeen met die van de huizen van dorpsnotabelen in de grotere dorpen in onze provincie. De ontwikkeling van deze grote en aanzienlijke huizen bij boerderijen is thans nog goed bij traditionele boerderijen te volgen vanaf de achttiende eeuw tot aan het midden van twintigste eeuw. Het is de huisvorm bij uitstek van een boerenelite die vooral in de oude gemeente Leeuwarderadeel woonachtig was. Deze gemeente strekte zich zowel ten noorden als ten zuiden van Leeuwarden uit. Hier ontstond in het laatste kwart van de negentiende eeuw een kleine groep van toonaangevende veefokkers die met recht tot de in Friesland toch vrij zeldzame stand van herenboeren kan worden gerekend. In het vervolg van mijn onderzoek, zal aan het ontstaan van deze stand bijzondere aandacht worden besteed.

Afbeelding 6
Stelpboerderij met ingebouwd dwarshuis.

Samenvatting.

Tot aan het midden van de twintigste eeuw vonden de meeste Friese boeren hun bestaan op een van adel, patriciaat of een instelling (bv. gasthuis of kerk) gehuurde boerderij. Zowel de huurboeren als de qua aantal geringere eigenerfden konden beide tot hoge welstand geraken. In de door mij voorlopig bestudeerde streken werden de huizen van kleine elites, vooral als ze tot de eigenerfden behoorden, gekenmerkt door bijzondere bouwvormen. Zij onderscheidden zich duidelijk van de gemiddelde traditionele boerderijtypen. Dit onderscheid was te danken aan de verbetering en schaalvergroting in de veehouderij, maar werd vaak ook ingegeven door statusoverwegingen. De kenmerken hiervan heb ik in het voorgaande trachten te beschrijven. Een kleine groep rijke huurboeren van grote boerenbedrijven op historische state-terreinen, die gehuurd werden van overwegend adellijke grootgrondbezitters onderscheidde zich door het bewonen van grote kop-hals-rompboerderijen met een opkamer, die in feite de vorm hadden van de oude Friese aristocratische states. In de tweede helft van de negentiende eeuw lieten enkele zelfbewuste rijke eigenerfden bij wijze van uitzondering eveneens een boerderij van dit type bouwen. Tenslotte mat een kleine elite van herenboeren zich in de periode 1750 - 1950 een herenhuis aan dat overeenkwam met de behuizingen van plattelandsnotabelen.


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer