Uit: De Vrije Fries, XII (1873), 223-242.
(Eerder als afzonderlijke brochure verschenen, juni 1871, p. [3]-20.)
(p. 223)
Verslag omtrent een overoud handschrift bij het Friesch Genootschap
Dr. J.G. Ottema.
(p. 225)
De heer C. over de Linden te Helder bezit een overoud
Handschrift, dat sints onheuglijke jaren in zijne familie vererfd en bewaard
is, zonder dat iemand meer de herkomst daarvan wist, of den inhoud er van kende, wegens de
onbekendheid van schrift en taal. Alleen wist men, dat eene daaraan verbonden traditie van
geslacht tot geslacht de zorgvuldige bewaring daarvan had aanbevolen.
Dr. E. Verwijs daarvan kennis gekregen hebbende, verzocht van dit
stuk inzage te mogen hebben en herkende het terstond voor zeer oud Friesch. Hij bekwam tevens
vergunning er een afschrift van te vervaardigen ten behoeve van het Friesch Genootschap,
en was van oordeel, dat het een stuk van groot belang kon wezen, bijaldien het niet een
ondergeschoven en met bedriegelijke oogmerken verdicht geschrift was, waarvoor hij vreesde. Het
afschrift in mijne handen gesteld zijnde, liet ook mij in den aanvang nog in het onzekere, schoon
ik minder bevreesd was, omdat ik niet konde begrijpen, dat iemand een valsch geschrift zoude
opstellen zonder eenig doel, en alleen om het geheim te houden. Doch de onzekerheid bleef
bestaan, tot dat ik naauwkeurige facsimilés van een paar fragmenten en later het
Handschrift zelf onder oogen kreeg. Het eerste gezicht daarvan stelde mij terstond omtrent den
hoogen ouderdom van het geschrift gerust.
Oogenblikkelijk toch stonden mij Caesars woorden voor den geest, als hij
van het letterschrift der Galliers sprekende zegt: Graecis utuntur literis. Want het
schrift, dat met geen bekende lettervormen geheel overeenkomt, gelijkt oppervlakkig nog het
meest op het Grieksche schrift, zoo als het (p. 226) op monumenten of in
de oudste handschriften voorkomt, en behoort tot den vorm, dien men lapidair of
steenschrift noemt. Daarbij is mij later gebleken, dat de schrijver van het laatste
gedeelte des boeks een tijdgenoot van Caesar geweest is. De vorm en oorsprong van
dit schrift is in het eerste gedeelte des boeks zoo omstandig en uitvoerig beschreven,
als men het van geene taal kan aanwijzen. Het is zeer volkomen en bestaat uit 34
letterteekens, waaronder drie afzonderlijke vormen voor de a en u en twee voor de e, i,
y en o, benevens drie zamengestelde dubbelde medeklinkers: ng, th en gs. De ng die als neusklank
in geene andere westersche taal een afzonderlijk teeken heeft, is eene ondeelbare verbinding;
de th is zacht als in het Engelsch en wordt somwijlen door d vervangen; en de gs komt slechts
zeer zelden voor, ik geloof alleen in het woord, segse zeggen, in het hedendaagsche
Friesch sidse, uitgesproken sisze.
Het papier groot kwarto formaat is katoen papier, zonder water of
fabriekmerk, op een raam of draadvorm geschept, met niet zeer wijde perpendiculaire
lijnen.
Een inleidende brief geeft het jaar 1256 op als het jaar, waarin het
afschrift vervaardigd is door Hiddo overa Linda op overlandsch of buitenlandsch
papier. Diensvolgens zoude het afkomstig moeten zijn uit Spanje, waar de Arabieren
destijds katoenpapier vervaardigden en in den handel brachten. Hieromtrent schrijft W.
Wattenbach, das Schriftwesen im Mittelalter (Leipzig 1871), S. 93:
»De vervaardiging van papier uit katoen moet bij de Chinezen
sedert overoude tijden in gebruik geweest zijn, en bij de verovering van Samarkand omstreeks
den jare 704 aan de Arabieren bekend geworden. Te Damascus werd dat fabrikaat een
levendige tak van industrie, waarom het Charta Damascena genoemd werd. Door de Arabieren
werd de kunst naar de Grieken overgebracht. Men beweert Grieksche handschriften uit de
tiende eeuw op katoenpapier te hebben en (p. 227) in de
dertiende eeuw komen deze reeds menigvuldiger voor dan die op perkament.
Men noemde het, om het van Egyptisch papier te onderscheiden, Charta
bombycina, gossypina, cuttunea, xylina. Eene onderscheiding van het linnenpapier was
toen nog niet noodig.
Tot de vervaardiging van het katoenpapier bezigde men oorspronkelijk de
ruwe boomwol. Papier uit lompen vindt men het eerst vermeld bij Petrus Clusiacensis
(1122‑1150).
Van de Arabieren leerden de Spanjaarden en de Italianen de
vervaardiging van dit papier. De voornaamste fabrieken waren te Jativa, Valencia,
Toledo, benevens Fabriano in de Mark Ancona.
In Duitschland is het gebruik van deze stof wel niet zeer verbreid
geweest, tenzij het papier het Italie of Spanje ingevoerd werd. Doch hoe meer de
vervaardiging zich uit het oosten en de daarmede in verkeer staande landen uitbreidde des te
meer moest ook linnen in de plaats van katoen treden. Eene oorkonde van Kaufbeuren op
linnenpapier uit het jaar 1318 is van twijfelachtige echtheid. Bodmann stelt het oudste
zuiver linnenpapier in het jaar 1324; tot aan 1350 komt er ook nog gemengd papier voor.
Alle zorgvuldig geschrevene Manuscripten uit den oudsten tijd toonen
reeds door de regelmatigheid van de regels, dat zij gelinieerd geweest zijn, ook waar de
sporen daarvan niet meer herkend kunnen worden.
Tot het linieeren bezigde men eene dunne schijf van lood, een liniaal en
een passer om de afstanden te bepalen.
In oude handschriften is de inkt donker zwart of bruinachtig. Naar mate
echter sedert de 13e eeuw meer geschreven werdt vertoont de inkt zich vaak grijs of
geelachtig, of somtijds geheel verbleekt, ten bewijze dat zij ijzerhoudend is.
Dit alles is volkomen van toepassing op het voor ons liggend Handschrift
uit het midden der dertiende eeuw, (p. 228) beschreven met helder
zwarte letters tusschen fijne naauwkeurig met lood getrokken lijnen. De kleur van de inkt
toont duidelijk aan, dat zij niet ijzerhoudend is. Door deze kenteekenen werdt het
opgegeven jaartal 1256 geheel gewettigd en valt er aan geen lateren oorsprong te denken. Maar
daarmede vervalt ook alle verdacht van bedrog uit lateren tijd.
De taal is overoud Friesch, nog ouder dan de taal van het Friesch
Rjuchtboek of oude Friesche wetten, en daarvan in veele vormen en spelling
verschillende, zoodat zij een geheel afzonderlijken tongval of dialekt vertoont, en
blijkens de lokaliteiten de taal moet geweest zijn, zoo als die gesproken werd
tusschen het Vlie en de Kinhem, in Wester Flyland.
De stijl is hoogst eenvoudig, beknopt, in korte volzinnen,
ongedwongen zich bewegende, even als de dagelijksche spreektaal, en vrij in de vormen der
woorden.
De spelling eveneens eenvoudig en gemakkelijk, zoodat de lezing geene de
minste moeite kost; en bij alle regelmatigheden toch zoo vrij, dat ieder van de
verschillende schrijvers, die aan het boek gewerkt hebben, zijne eigene
bijzonderheden heeft, die voortkomen uit de wijziging van den klank der vokalen in
verloop van lange tijdruimten, hetgeen natuurlijk het geval moet zijn, daar het
laatste gedeelte vijf eeuwen later geschreven is als het eerste.
Als antiquiteit van taal en schrift, geloof ik te kunnen zeggen, dat dit
boek geheel eenig in zijne soort is.
Het schrift geeft aanleiding tot eene misschien zeer gewichtige
opmerking.
De Grieken weten en erkennen, dat zij hun schrift niet hebben
uitgevonden. Zij schrijven de invoering daarvan toe aan Kadmus een Phenicier. De namen hunner
oudste letters van de Alfa tot de Tau komen zoo geheel overeen met de namen der letters
in het Hebreeuwsche Alfabet, waaraan het Phenicische wel naauw verwant zal geweest zijn, dat de
Phenicische herkomst dier namen wel niet betwijfeld kan (p. 229)
worden. Maar de vorm hunner letters verschilt zoo geheel en al van die in het Phenicisch en
Hebreeuwsch schrift, dat in dit opzicht aan geene verwantschap te denken valt. Van waar hebben dus
de Grieken die letter vormen ontvangen?
Uit thât bok fon théra Adela follistar, (het boek
van Adelas helpers) leeren wij, dat in den tijd, waarin die Kadmus moet geleefd
hebben, omstreeks 16 eeuwen voor Christus, een levendig handelsverkeer bestond tusschen de Friesen
en de Pheniciers, die zij Kadhemar, kustbewoners noemden. De naam Kadmus komt te na bij dat woord
Kadhemar, om niet te besluiten dat Kadmus eenvoudig een Phenicier beteekent.
Voorts lezen wij, dat omstreeks denzelfden tijd eene Priesteres van de
Burgt op Walcheren, Minerva, ook Nyhellenia genoemd, aan het hoofd eener Friesche
kolonie, zich neergezet heeft in Attika en daar de burgt Athene gesticht heeft. Alsmede uit
de berichten opgeteekend aan de wanden der Waraburch, dat Findas volk ook een eigen schrift bezat,
doch zeer omslachtig en moeijelijk om te lezen; en dat daarom de Tyriers en de Krekalanders het
schrift van Frya hebben geleerd.
Bij deze voorstelling verklaart de geheele zaak zich zelve en is het
duidelijk, waardoor die uiterlijke gelijkenis tusschen het Grieksche en oud Friesche schrift
ontstaan is, welke ook Caesar in het oog gevallen is bij de Galliers; alsmede op welke wijze
de Grieken de namen van Findas en de vormen van Fryas schrift nevens elkander hebben gekregen en
behouden.
Het boek, zoo als het voor ons ligt, bestaat uit twee van elkander zeer
verschillende, en in tijd vrij ver verwijderde gedeelten. Als schrijfster van het eerste
gedeelte noemt zich Adela, de vrouw van Apol grevetman over de Lindaoorden. Dit is vervolgd
door haren zoon Adelbrost en hare dochter Apollonia. Het eerste boek loopende van pag. 1‑88
is (p. 230) geschreven door Adela. Een vervolg van pag.
88‑94 is begonnen door Adelbrost en vervolgd door Apollonia. Het tweede boek
loopende van pag. 94‑114 is geschreven door Apollonia. Veel tijd, misschien 250 jaren
later is een derde boek geschreven van pag. 114‑134 door Frethorik. Vervolgens van pag.
134 tot 143 door zijne weduwe Wiljow, daarna van pag. 144‑169 door hun zoon Konered,
alsdan van pag. 169‑192 door hun kleinzoon Beeden, nu ontbreken bl. 193 en 194,
waarmede het laatste stuk moet hebben aangevangen, daardoor is de schrijver ons onbekend; hij
zal wel een zoon van Beeden geweest zijn. Van Adela wordt door Wiljow op bl. 134 nog een geschrift
genoemd; daar vermeldt zij thet bok thêra sanga, (thet bok) thêra tellinga and
thet Hellênia bok, en vervolgens tha skrifta fon Adela jeftha Hellênia.
Voor de tijdsbepalingen moeten wij uitgaan van het jaar 1256 na
Christus, waarin Hiddo overa Linda het afschrift vervaardigd heeft, en waarvan hij zegt dat het
was het 3449 jaar nadat Atland verzonken is. Dit vergaan van het oude land, âldland,
âtland, is bij de Grieken ook in geheugen geweest en Plato maakt in zijn Timaeus, 24,
nog melding van het verdwenen Atlantis, van welks ligging niets anders bekend was, dan dat
het ver buiten de zuilen van Herkules had gelegen. Uit dit geschrift blijkt, dat het
een uitgestrekt land geweest is ten westen van Jutland, waarvan Helgoland en de
Noordfriesche eilanden de laatste schamele overblijfselen zijn. Deze gebeurtenis,
waardoor het schijnt dat een groote verstrooijing van den Frieschen stam veroorzaakt is,
was het aanvangspunt eener eigene tijdrekening, overeenkomende met 2193 voor Chr.
Bij de geologen bekend als de Cimbrische vloed.
Op bladzijde 80 begint een verhaal in het jaar 1602 nadat Atland
verzonken is en dus met 591 voor Chr., en bl. 82 het verhaal van den moord gepleegd aan
Frâna eeremoeder (p. 231) op Texland, twee jaren later, en dus
589. Wanneer nu Adela haar geschrift aanvangt met haar eigen optreden in eene
volksvergadering, 30 jaren na den dag dit de eeremoeder was omgebracht, dan zijn wij in het jaar
559 voor Chr. Uit het schijven van hare dochter Apollonia vernemen wij, dat Adela 15 maanden na
die vergadering, bij eene overrompeling van Texland door de Finnen verslagen is; dit moet dus
gebeurd zijn in 557 voor Chr. en hieruit volgt dat het eerste boek door Adela geschreven is
in 558 voor Chr. Het tweede boek door Apollonia geschreven mag dus gesteld worden omstreeks
het jaar 520 voor Chr.
Het latere gedeelte behelst de geschiedenis van de bekende Koningen
van Friesland, Friso, Adel, (Ubbo) en‑ Asega Askar, genaamd zwarte Adel. Evenwel is van
den derden Koning Ubbo niets gemeld, of liever dit stuk is verloren gegaan, bl. 169‑188
ontbreken. Frethorik, de eerste schrijver die hier voorkomt is een tijdgenoot van de
gebeurtenissen, die hij verhaalt namelijk de komst van Friso. Hij is een vriend van
Liudgert den Geertman, die als skelta bi thêr nacht op de vloot van Wichhirte den
sêkening met Friso hier was gekomen, in ’t jaar 303 voor Chr. Uit het dagboek van
Liudgert heeft hij vele van zijne berichten ontleend.
De laatste schrijver geeft zich zelven zeer duidelijk te kennen als een
tijdgenoot van Zwarte Adel of Askar omstreeks het midden van diens regering, welke bij
Furmerius gesteld wordt van 70 vóór tot 11 na Chr. gelijktijdig met Julius
Caesar en Augustus. Hij schreef dus in het midden der eerste eeuw voor Chr. en droeg kennis van de
verovering van het land der Golen (Galliers) door de Romeinen.
Er liggen dientengevolge ruim twee eeuwen tusschen de beide afdeelingen
van het handschrift.
De inhoud van het geheel is in allen opzichte nieuw, namelijk er
staat bijna niets in, dat wij van elders reeds wisten. Hetgeen wij hier van Friso, Adel en Askar
lezen, verschilt (p. 232) gansch en al van hetgeen onze bekende
kronijkschrijvers weten te vertellen, of wel doet zulks in een geheel ander daglicht
beschouwen. B.v. Allen verhalen dat Friso uit Indie gekomen is, en dat dus de Friesen uit
Indie afkomstig zijn, en toch voegen zij er bij dat Friso een Germaan was en behoorde tot een
Persische stam, dien Herodotus Germanen noemt,
Γερμάνιοι. Naar de berichten die we hier
ontmoeten, is Friso ook uit Indie gekomen en wel met de vloot van Nearchus, maar hij is daarom
geen Indiër, hij is van Friesche afkomst, van Fryas volk. Hij behoort namelijk tot
eene kolonie Friesen, die na den dood van Nijhellênia, 15½ eeuwen voor Chr. onder
aanvoering eener Priesteres Geert, zich aan den Pangab (Indus) neergezet en den naam
Geertmannen aangenomen hebben. Die Geertmannen zijn slechts bij een van de Grieksche schrijvers
bekend, namelijk bij Strabo, die hen vermeld als
Γερμάνες eene van de
Βραχμάνες in zeden, taal en Godsdienst
geheel en al verschillende volkstam.
De vestiging van die kolonie in Indie aan den Pangab in 1551 voor Chr.
en hunne reis derwaarts, vinden wij in Adela's boek vrij uitvoerig beschreven, en wel met
de bijvoeging van eene uiterst merkwaardige bijzonderheid, namelijk dat die
Friesche zeelieden gevaren zijn door de straat welke in die tijden nog op de Roode Zee
uitliep. Bij geen der oude Geographen is de herinnering bewaard aan die voormalige
zeeëngte of aan het ontstaan der landengte van Suez. Alleen vinden wij den naam bij Mozes
terug Exod. XIV: I, als hij zich legert bij Pi ha chiroht, den mond der engte.
Dat daar werkelijk eertijds de zee doorgestroomd heeft, bewijzen de
uitkomsten van het geologisch onderzoek van de landengte door de commissie voor het
kanaal van Suez, waarvan de heer Renaud op den 19 Junij 1856 een rapport heeft uitgebracht
bij de Academie des Sciences. In dat rapport komt onder anderen voor: Une question fort
controversée (p. 233) est celle de savoir, si à
l'époque où les Hebreux fuyaient de l'Egypte sens la conduite de Moïse,
les lacs amèrs faisaient encore partie de la mer rouge. Cette
dernière hypothese s'accorderait mieux que l'hypothèse contraire
avec le texte des livres sacrés, mais alors il faudrait admettre que depuis
l'époque de Moïse le seuil de Suez serait sorti des eaux.
Ten aanzien van deze vraag is het zeker van belang in dit Friesche
handschrift een bericht te ontmoeten, waaruit blijkt dat in het midden der 16 eeuw voor Chr.
de verbinding van de Bittermeeren met de Roode Zee nog bestond, en de straat nog bevaarbaar
was.
Het handschrift bericht verder, dat kort na die doorvaart van de
Geertmannen beide zee en aarde beefden, en de aarde haar lijf zoo hoog ophief, dat al het
water de straat uitliep en dat alle wadden en schorren als een wal oprezen.
Deze dingen zullen dus na den tijd van Mozes geschied zijn, zoodat
tijdens de uittocht (1564) de streek tusschen Suez en de Bittermeeren nog wel bevaarbaar was, maar
bij lagen waterstand droogvoets kon worden doorgetrokken.
Dit punt is dus de oorspronkelijke Isthmus na welks vorming zeker
spoedig de verdere inham noordwaarts tot aan de golf van Pelusium geheel is opgeslibd.
Een duidelijk overzicht over de formatie van dit terrein geeft de
kaart gevoegd bij: l'année scientifique et industrielle etc. par Louis Figuier
(première année). Paris, Hachette, 1857.
Een ander bericht, dat ook alleen bij Strabo voorkomt, vindt hier
insgelijks eene opheldering en bevestiging. Strabo namelijk is onder de Grieksche
schrijvers de eenige die vermeldt dat Nearchus na zijne troepen in de Persische golf aan den mond
van de Pasitigris te hebben ontscheept op bevel van Alexander met zijne vloot weer de Persische
golf uitgezeild en om Arabie heen door de Arabische golf (p.
234) gestevend is. Zoo als dit bericht daar staat, is het niet duidelijk wat Nearchus daar
te maken had, en wat het doel van die verdere tocht wezen kon; enkel tot het doen van
geographische onderzoekingen, zoo als Strabo meent, behoefde hij toch niet eene gansche vloot
mede te nemen, daartoe was een schip of twee voldoende. Wij lezen ook niet dat hij weer
teruggevaren is; waar is hij dan met die vloot gebleven?
Op deze vraag vinden wij hier het antwoord in de Friesche lezing van de
geschiedenis. Alexander had die schepen aan den Indus gekocht van, of laten bouwen door de
daar gevestigde afstammelingen van de Friesen, de Geertmannen, en van hen scheepsvolk in
dienst genomen, en aan het hoofd van deze bevond zich Friso. Alexander had na de
volbragte tocht en het transport van de troepen, die schepen in de Persische Golf niet
meer nodig, maar wilde ze in de Middellandsche zee gebruiken. Dat had hij in zijn hoofd gezet, en
dat moest gebeuren. Alexander wilde iets doen, dat niemand voor hem gedaan had. Te dien einde
moest Nearchus de Roode zee opvaren, en aan het eind daarvan gekomen (bij Suez) vond hij
daar 200 elephanten en duizend kameelen en werklieden en gereedschap, balken, touwen enz., om
de schepen op het land te halen en over de landengte te slepen. Dit werk werd met
zooveel overleg en ijver ondernomen en voltooid, dat na een arbeid van drie maanden de
vloot in de Middellandsche zee weer te water gelaten werd. Dat de vloot werkelijk in de
Middellandsche zee gebracht is, blijkt uit het bericht van Plutarchus (vit. Alexandri) doch
deze laat te dien einde Nearchus met de vloot om Afrika heen door de straat van Hercules zeilen.
Na de nederlaag bij Actium heeft Kleopatra in navolging van dit voorbeeld, getracht hare
vloot over den Isthmus te brengen, om naar Indie te ontsnappen, Zij is daarin
verhinderd door den Petraeische Arabieren, die hare schepen in brand staken. Zie
Plutarchus vit. Antonii. (p. 235)
Friso is, toen kort daarop Alexander stierf, in dienst gebleven van
Antigonus en Demetrius, totdat hij door den laatste op eene schandelijke wijze beledigd zijnde,
besloot met zijne manschappen het oorsprongelijke moederland Friesland op te
zoeken. Naar Indie terugkeeren kon hij trouwens niet. Zoo vullen de berichten elkander aan,
en helderen elkander op, en verleenen daardoor eene wederkeerige bevestiging.
Zulke enkelde trekken en verrassende uitkomsten leiden mij tot het
besluit, dat wij hier met meer te doen hebben, dan met bloote sagen of legenden.
Hoewel een groot gedeelte van het eerste stuk, het Boek van Adela,
geheel valt in het Mythologisch Tijdvak vóór den Trojaanschen oorlog, is hier in de
verhalen een groot verschil met de Grieksche Mythen in het oogloopend. De Mythen kennen geene
tijdbepaling, veel min eene geregelde tijdrekening. Bij de Mythen bestaat geen inwendige
zamenhang of consequentie. De vrije verdichting ontwikkelt zich in iedere sage afzonderlijk
en onafhankelijk. De Mythologische verhalen weerspreken elkander bijna op ieder punt. Les
Mythes ne se tiennent pas is de eenige sleutel op de Grieksche Mythologie.
Hier daarentegen ontmoeten wij eene geregelde jaartelling uitgaande
van een vast punt, het vergaan van Aldland, (2193 voor Chr.) De verhalen, natuurlijk, eenvoudig,
vaak naif, weerspreken elkander nimmer, en zijn altijd met elkander bestaanbaar, ook in plaats en
tijd. Als b.v. de komst en het verblijf van Ulysses bij de Burchtmaagd Kalip op Walhallagara
(Walcheren), 'tgene wel het meest sagenhafte stuk is van allen, hier gesteld wordt op 1005
jaren nadat Atland verzonken is, dan komt dat uit op 1188 jaren voor Chr. en dus vrij nabij
overeen met den tijd, waarin de Grieken meenen, dat de Trojaansche oorlog heeft plaats gehad. Een
ander kenmerkend onderscheid bestaat daarin, dat de Mythe geene herkomst kent, voor hare verhalen
nooit berichtgevers (p. 236) of schrijvers noemt, en dus nimmer eenig
gezach weet aan te voeren. In Adelas boek daarentegen wordt bij ieder verhaal opgegeven, waar
het gevonden of waaruit het ontleend is, b.v. dit is uit Minno's schriften, dit is
aan de Wanden der Waraburch gegrift, dit aan de Fryas burch, dit te Stavia, dit op
Walhallagara.
En dan is er nog iets. Wetten, geregelde wetgevingen, gelijk zij in
Adelasboek in vrij grooten getale voorkomen, zijn in de Mythologie eene onbekende en niet
haar wezen onvereenigbare zaak. Zelfs als de Mythe aan Minos toeschrijft de invoering van eene
wetgeving op Kreta, dan weet zij van die wetgeving zelve niet het geringste te berichten. Ook in
de Mythische godenwereld bestaat geene wetgeving, de eenige wet is daar het onveranderlijke
Noodlot, of de wil van den oppermachtigen Zeus.
Ten opzichte van de mythologie is dit geschrift, dat zelf geen mythisch
karakter draagt, niet minder merkwaardig dan voor de geschiedenis. Ondanks de vele en
velerlei betrekkingen met Denemarken, Zweden (Skênland = Schonen) en Noorwegen (Northland),
vindt men hier geene sporen van bekendheid met de Noordsche of Skandinavische
mythologie. Alleen schijnt Wodan hier voor te komen als Wodin, een Friesch heerman, die door
een Magy, Koning der Finnen, tot schoonzoon aangenomen en na zijn dood vergood is.
De Friesche godenleer of liever godsdienst, is hoogst eenvoudig en
zuiver Monotheisme. Wralda of Wralda's geest is het eenige, eeuwige, onveranderlijke,
volmaakte en almachtige wezen. Wralda heeft alle dingen geschapen; alles komt uit hem
voort, eerst de aanvang, dan de tijd, en vervolgens Irtha, de Aarde. Irtha baart drie
dochters Lyda, Finda en Frya, de stammoeders van de drie menschenrassen, het zwarte, het
geele en het blanke (Afrika, Asia en Europa.) Als zoodanig is Frya de moeder van Frya's volk
de Friesen. Zij is de vertegenwoordigster van Wralda (p. 237) en
wordt als zoodanig vereerd. Frya heeft hare tex gegeven, de eerste wet, en de
eeredienst ingesteld van het eeuwige licht. Die dienst bestaat in het onderhouden van de
altijd brandende lamp, foddik, door priesteressen, maagden; aan het hoofd dier maagden staat op
alle burchten eene Burchtmaagd; de opperste van alle Burchtmaagden, is de Eeremoeder op den
Fryasburch op Texland. De Eeremoeder heerscht over het geheele land; de Koningen mogen niets
doen, er mag niets geschieden buiten hare raad en goedkeuring. Men denke aan Velleda bij
Tacitus. Hist. IV: 61. Zij was burchtmaagd op Manna‑garda‑forda (Munster.) De eerste
Eeremoeder is door Frya zelve aangesteld, zij heette Fâsta. Met één woord, wij
ontmoeten hier de prototype van de Romeinsche Vestadienst en de Vestaalsche maagden.
Ontmoeten wij hier bij de Friesen een Godsbegrip en
godsdienstige denkbeelden, geheel verschillende van de mythologien bij andere volken,
nog onverwachter komen ons hier zaken voor die in het naauwste verband staan met de
Grieksch‑Romeinsche Mythologie en wel met de herkomst van twee godheden van den eersten
rang, Minerva en Neptunus. Min erva (Athènè), is oorspronkelijk eene
burchtmaagd, priesteres van Frya op de burcht Walhallagara, Domburg op Walcheren. En deze zelfde
Min erva is tevens die geheimzinnige, raadselachtige godin van welker vereering bijna geene
sporen zijn overgebleven, dan alleen op Walcheren in de votivsteenen te Domburg,
Nehalennia,[1] van welke geene
mythologie iets naders weet dan enkel den naam, waar de etymologie zich heeft meester gemaakt tot
het uitvinden van allerlei fantastische afleidingen. (p. 238)
De andere, Neptunus, de God van de Middellandsche zee blijkt hier
bij zijn leven een Friesche Viking, zeekoning, geweest te zijn, thuis behoorende te Alderga
(Ouddorp niet verre van Alkmaar). Zijn naam was Tennis, in de wandeling bij zijne manschappen Neef
Teunis genoemd, die vooral de Middellandsche zee tot het doel en toneel zijner
tochten gekozen had, en door de Tyriers vergoed zonde zijn, in den tijd toen de Phenicische
zeevaart zich aanmerkelijk begon uit te breiden en naar Friesland stevende, om hier Britsch tin,
Noordsch ijzer en barnsteen uit de Balde (Baltische) zee te halen.
Behalve dit tweetal ontmoeten wij nog een derde Mythologisch
persoon: Minos, de wetgever van Kreta, die almede verschijnt als een Friesche zeekoning
Minne, geboren te Lindaoord tusschen Wieringen en de Kreyl, die aan de Kreters een Asegaboek
heeft medegedeeld. Namelijk die Minos, die met zijn broeder Rhadamanthus en Aeakus als rechter in
de onderwereld over het lot der Schimmen beslist. Niet te verwarren met den lateren Minos, den
tijdgenoot van Aegeus en Theseus, die voorkomt in de Atheensche sage.
Bij deze voorstelling kunt gij uw lachen niet bedwingen en kaatst gij
mij het straks gebezigde woord fantastisch terug met dat van avontuurlijk. Ook ik kon
eerst mijne oogen niet gelooven, en toch ben ik bij nadere overweging gekomen tot de ontdekking
van verrassende overeenkomsten, die de zaak vrij wat minder avontuurlijk maken, als de
geboorte van Athene uit het hoofd van Zeus door een bijlslag van Hephaistos. B.v.
De Grieksche Mythologie kent van alle Goden eene jeugd, alleen Pallas
heeft geene jeugd, zij is niet anders bekend dan als volwassen. Minerva komt als
opperpriesteres uit den vreemde, uit een den Krekalanders onbekend land, in Attica. Pallas is
eene maagdelike godin, Minerva is eene burchtmaagd. De blonde, blaauwoogige Pallas
onderscheidt (p. 239) zich door deze type van de overige goden en
godinnen, als behoorende tot Fryas volk. De wijsheid van beide en de zinnebeeldige attributen zijn
dezelfde, inzonderheid de uil. Pallas geeft aan de nieuwe stad haren naam Athènai, die
overigens in 't Grieksch geene beteekenis heeft: Minerva geeft aan de door haar gestichte
burcht den naam Athene, die in het Friesch wel eene beteekenis heeft en te kennen geeft dat zij
als vrienden âthen daar gekomen zijn. Minerva komt in Attica omstreeks 1600
jaren voor Chr. in het tijdperk, waarin zich de Grieksche godenleer begint te vormen. Minerva
is met de vloot van Jon aan het hoofd van eene kolonie in Attica geland; op Walcheren vindt men
haar in later tijd blijkens de Romeinsche votivsteenen onder den naam Nehalennia vereerd als eene
godin van de scheepvaart; en bij de Atheners is Pallas de beschermgodin van scheepsbouw en
zeevaart.
Het zonderlingste van de hier voorkomende verschijnselen op dit
gebied is dit: Wat wij Duitschland noemen, draagt hier den naam Twiskland, tusschenland, omdat het
tusschen Fryasland en Findasland in ligt, en door zijne ontoegankelijke wouden, vol met wild
gedierte, Fryas kinderen ten voormuur strekt tegen de overvallen der Slavona folkar. De
Germanen hebben om den oorsprong van den naam Duitschland te verklaren een God Tuisko aangenomen,
van wien de mythologie verder niets weet te berichten, noch wat hij doet, noch wie hij is, noch
waar hij vandaan komt. In Adelas boek is wel het land, maar niet de God bekend. Die Tuisko is dus
niets anders dan het voorzetsel twisk, tusschen, en geeft liet merkwaardige
voorbeeld van de apotheose eener praepositie.
De Tijd is de Kroder, de kruijer, die eeuwig met het jol, het
wiel, moet rondloopen, en voeren de zon langs hare baan door het stergewelf van
winter‑zonnestand tot winter‑zonnestand. Zoo vormt hij de jaren, waarbij elke
(p. 240) omwenteling van het wiel een dag uitmaakt. Te
midwinter wordt het Jolfeest gevierd op Fryaasdag. Dan worden koeken gebakken in den
vorm van het zonnerad, want van dat Jol heeft Frya de letters gemaakt, toen zij hare Tex schreef.
En het Jolfeest is daarom ook een feest ter eere van Frya als uitvindster van het
letterschrift.
Even zoo als dit Jolfeest in Denemarken en geheel Duitschland door
de Christenheid op 't Kersfeest en in ons land op St. Nikolaasdag verplaatst is, even zoo
zeker zijn onze St. Nikolaaspoppen, de vrijster en de vrijer, eene herinnering aan Frya, en
onze St. Nikolaas (banket) letters eene gedachtenis aan Fryas van het zonnerad
gevormd letterschrift.
Ik kan niet den geheelen inhoud van dit merkwaardige geschrift
ontleden en moet mij vergenoegen met de gemaakte opmerkingen. Zij mogen eenig denkbeeld geven
van den rijkdom en belangrijkheid van dien inhoud. Want al loopen er Sagen onder, ook als Sagen
moeten zij waarde hebben voor ons, dewijl van den Sagenschat onzes voorgeslachts zoo
goed als niets was overgebleven.
Met nog eene opmerking betreffende den taal wil ik eindigen.
Zij die nog slechts eene oppervlakkige inzage van het H.S. hebben
kunnen nemen, zijn getroffen door de beschaafdheid van de taal en de overeenkomst met het
tegenwoordige Friesch en Hollandsch. Hierin meenen zij een grond te zien voor twijfel
aan de oudheid van het geschrift.
Maar ik vraag: is dan de taal van Homerus veel minder beschaafd dan die
van Plato of Demosthenes? en leeft niet het grootste deel van den Homerischen
woordenschat nog voort in liet Grieksch van onze dagen?
Het is waar, eene taal beweegt zich altijd, en is steeds aan kleine
veranderingen onderheven, waardoor men verschil vindt bij dezelfde taal in onderscheiden
tijdperken. Deze (p. 241) wisseling van de taal geeft
juist in dit H.S. stof tot belangrijke opmerkingen voor den taalbeoefenaar. Want niet
alleen, dat van de acht schrijfsters en schrijvers, die achtereenvolgende aan dit boek
gewerkt hebben, ieder zich kenmerkt door kleine eigenaardigheden in stijl, taal en spelling; maar
vooral tusschen de beide afdeelingen van het boek, waar tusschen een tijdverloop van meer dan twee
eeuwen ligt, is een in het oog vallend verschil aanwezig, dat aantoont, welke eene langzaam
voortgaande wijziging de taal in dat tijdsbestek ondervonden heeft.
Als slotsom van deze beschouwingen kom ik tot het besluit, dat ik geene
reden vinden kan, om aan de echtheid van dit geschrift te twijfelen. Verdichting kan het niet
zijn. In de eerste plaats het afschrift van 1256 kan het niet zijn. Wie had in dien tijd zoo iets
kunnen verdichten? Zeker niemand, en vroeger nog veel minder. Wie dit in twijfel
wil trekken, beginne met aan te toonen, waar, wanneer, door wien en waartoe zulk eene
vervalsching had kunnen gepleegd worden, en wijze uit lateren tijd de weergade aan van dit
papier, dit schrift en deze taal.
Dat het H.S. van 1256 bovendien geen origineel, maar eene kopie is,
bewijzen zoowel gedurige schrijffouten, als enkelde ophelderingen van woorden, die in des
afschrijvers tijd reeds verouderd en weinig meer bekend waren; b.v. bl. 82 to thêra
fléte jefta bedrum; op bl. 151 bargum jefta tonnum fon tha
besta bjar.
Nog sterker bewijs is, dat tusschen bladzijde 157 en 158 een of meer
bladen ontbroken hebben, die uit dit H.S. niet hebben kunnen verloren gaan, omdat bl. 157 en 158
de paginas recta en versa zijn van hetzelfde blad.
Bl. 157 eindigt: Drie maanden daarna zond Adel boden naar alle vrienden,
die hij gewonnen had, en liet hen bidden, dat zij in de Minnemaand jonge lieden tot hem zouden
zenden. (p. 242)
Keert men nu het blad om, dan begint de keerzijde: zijne
vrouw, zeide hij, die maagd geweest was te Texland, had daarvan een afschrift gekregen.
De bede van de vorige bladzijde was eene uitnoodiging tot de
bruiloft van Adel met Ifkja, en op de volgende bladzijde zijn zij reeds eene poos
getrouwd. De afschrijven moet dus in het door hem gevolgde exemplaar twee bladen in plaats van een
hebben omgeslagen. Er bestond dus een vroeger exemplaar, en wel dat in den jare 803 door Liko
oera Linda was geschreven.
Wij mogen dus aannemen, dat wij in dit geschrift waarvan het eerste
gedeelte is opgesteld in de zesde eeuw voor onze jaartelling het oudste voortbrengsel
(op Homerus en Hesiodus na) van de Europesche letterkunde ontmoeten. En daar vinden wij
in ons vaderland eene eeuwenoude bevolking in 't bezit van eene ontwikkeling,
beschaving, nijverheid, scheepvaart, koophandel, letterkunde en zuivere
verhevene Godsdienstige begrippen, waarvan wij nooit eenig vermoeden hebben gehad. In
onze voorstelling reikten de geschiedkundige herinneringen van ons volk niet
hooger, dan tot de komst van Friso, den vermeenden stamvader der Friesen; doch hier
ontwaren wij, dat die herinneringen opklimmen tot meer dan twee duizend jaren voor
Christus, en in hoogen ouderdom die van Hellas overtreffen en die van Israël
evenaren.
1 Minerva werd Nyhellenia genoemd, omdat hare raadgevingen ny en hel, nieuw en helder waren. Desgelijks heet het in Pauli Epitome van S. Pomponius Festius de verborum Significatione, Min erva dicta quod bene moneat. Zie Preller, Rom. Myth. p. 258.
© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries
Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke
toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.