Uit: De Vrije Fries XXXI (1932), pp. 41-69.
Vreemde cultuur-invloeden in Friesland gedurende den Kloostertijd
Door NANNE OTTEMA
Inleiding.
Over de cultuur-invloeden, die „Friesland tot de elfde eeuw” van buiten af bereikt
en beïnvloed hebben, zijn wij sedert het verschijnen van het boek van dien naam, uitgegeven
bij de herdenking van het honderdjarig bestaan van het Friesch Genootschap, uitstekend
ingelicht.
De schrijver Mr. P.C.J.A. Boeles geeft aan de hand niet alleen van
historische gegevens, doch vooral ook door afbeelding en beschrijving van vele voorwerpen, die uit
de terpen te voorschijn zijn gekomen een duidelijk beeld van de vroege beschavingsgeschiedenis
onzer provincie. De lezing van dit boek en een daarbij aansluitende bestudeering van de rijke
collecties bodemvondsten, die in het Friesch Museum bewaard worden, laten ons zien van hoe grooten
omvang de cultuur- invloeden van buiten af vooral in de eerste eeuwen onzer jaartelling zijn
geweest.
De voorwerpen van buitenlandsche - speciaal Romeinsche, later ook
Saksische en Frankische - cultuur spelen zoo'n overwegende rol, dat het den indruk maakt alsof
van een oorspronkelijke inheemsche Friesche beschaving nauwelijks sprake geweest zou zijn. Voor
deze opvatting is in zeker opzicht ook wel aanleiding, daar de cultuur-toestand van vele der
rondom onze provincie wonende volken in die eeuwen op een hooger of beter gezegd meer ontwikkeld
peil stond, zoodat die van de eigen bevolking daardoor overschaduwd werd. Hiernaast hebben wij
echter ook nog te rekenen met een andere, een vernietigende factor, waardoor slechts weinig van de
inheemsche geestelijke, speciaal godsdienstige cultuur van onze voorouders voor ons bewaard is
gebleven.
De Christelijke kerk toch, die sedert de 8e eeuw hier vasten voet kreeg,
stelde zich zoo absoluut vijandig tegenover de (p. 42) Heidensche
beschaving en godsdienst der oude Friezen en de door de Christen-Zendelingen reeds van de 7e eeuw
af toegepaste beeldenstorm is zoo grondig doorgevoerd, dat slechts weinige, door toevallige
omstandigheden gespaarde voorwerpen, betrekking hebbende op de heidensche religieuze cultuur onzer
voorouders tot ons zijn gekomen.
De Christelijke Kerk, de staatskerk van het Frankische rijk, waarin ook
Friesland werd opgenomen, wist van de 9e eeuw af hare leer zoo goed ingang te doen vinden en haar
gezag zoo absoluut op te leggen, dat de eenige resten van de oude heidensche religie verborgen
zijn in enkele door de nieuwe meesteres overgenomen tradities of in dikwijls tot bijgeloof
verworden oude gewoonten in meer afgelegen streken. Ook van de overige
vóór-Christelijke geestelijke cultuur der bevolking is zoo goed als niets
overgebleven.
De gelofte-steen, die aan de Germaansche Godin Hludana gewijd is en die
uit de terp te Beetgum in het Friesch Museum is terecht gekomen, een voor den algemeen
Germaanschen Hoofd- en Krijgs-God Wodan gehouden kop op Angelsaksische muntjes (Sceattas) gevonden
te Hallum en de runeninscripties (oorspronkelijk mogelijk tooverteekens) uit verschillende
Friesche terpen zijn zoowat de eenige tastbare aanwijzingen van een
vóór-Christelijke godsdienst en geestelijke cultuur onzer voorouders.[1] Wanneer wij alleen met de slechts onvolkomen bekende
staatkundige geschiedenis van onze provincie in de eerstvolgende eeuwen en met zijne afgesloten
ligging rekening houden, zouden wij kunnen verwachten, dat de buitenlandsche cultuur- invloeden na
den terpentijd tot aan het einde van de Middeleeuwen slechts onbeteekenend zouden zijn
geweest.
Friesland toch vormde, van Karel de Groote tot Karel de Vijfde, een ver
afgelegen uithoek van verschillende zich over een groot deel van Midden-Europa uitstrekkende
rijken. Het lag ver verwijderd van de regeerings- en beschavingscentra en trachtte in deze eeuwen
zijne afgezonderde ligging te benutten (p. 43) door zooveel mogelijk
inmenging van buiten af te weren en zijn onafhankelijkheid te bewaren.
Wel droegen de Frankische en Duitsche Keizers af en toe hunne rechten in
Friesland op aan buitenlandsche heeren o.a. in de 11e en 12e eeuw aan de Brunonen, een
Brunswijksch gravengeslacht, en in het einde van de 15e eeuw aan de hertogen van Sachsen-Meiszen
en deden de Hollandsche Graven, na de verovering van West-Friesland in 1289, op grond of onder
voorwendsel van door vererving verkregen rechten, gedurende de 14e eeuw verschillende, zonder
tastbaar resultaat eindigende, pogingen tot onderwerping ook van het eigenlijke Friesland;
cultureele invloeden kunnen hieraan echter niet of nauwelijks worden vastgeknoopt.
Ook de vroeg-middeleeuwsche buitenlandsche handel in Friesche wollen
weefsels en overzeesche scheepvaart konden zich in dit latere tijdvak hier niet handhaven, doch
hebben zich naar Zuidelijker gelegen streken verplaatst.
Naast de rooftochten der Vikingen in de 9e eeuw is de omdijking van
Friesland in den Karolingischen tijd een hoofdoorzaak van dit verlies geweest.
Niet alleen omdat daardoor de schapenteelt plaats moest maken voor de
meer intensieve veehouderij en het daaruit voortvloeiende zuivelbedrijf, doch niet minder omdat
het land daardoor van de zee werd afgesloten.
Was in Romeinsche- en Frankische tijden het centrum van Friesland,
speciaal het toen zeer dicht bevolkte Westergoo en de boorden van de Middelzee, nog gemakkelijk
van het Meer Flevo en de Wadden uit bereikbaar, de aanslibbing eenerzijds en de door de
watervloeden noodzakelijk geworden zeedijk anderzijds hebben hieraan een einde gemaakt.
Het vaste land van Friesland werd hierdoor, met uitzondering van de
Zuid-Westelijke kuststreek, een land-provincie en binnen gelegen steden als Leeuwarden en Bolsward
zagen zich de kans ontgaan, door ontwikkeling van hunne havens, de pas aangeknoopte
handelsrelaties over de Oostelijke- en Westelijke zeeroutes uit te breiden en te behouden.
Ook van de landzijde was de provincie afgesloten. De hier gelegen laag-
en hoogveen-moerassen lieten slechts enkele smalle toegangswegen open, zoodat zelfs in het
noodjaar 1672 nog, de provincie van die zijde door enkele buiten- en binnen de grenzen gelegen
vestingen en schansen geheel kon worden afgesloten. (p. 44)
Wel verwierven Stavoren en andere havens aan de Zuid- Westkust van Friesland in deze eeuwen door
de uitbreiding van het meer Flevo ”het Almere„ tot een zeeboezem een niet
onbelangrijken buitenlandschen handel; deze zou echter, als transito-handel, die in later eeuwen
althans, de eigen havens maar weinig of in het geheel niet zou aandoen, de centraal gelegen
gedeelten van Friesland maar weinig beroeren.
Buitendien was deze Zuid-Westelijke kuststrook in die eeuwen zoozeer door
waterplassen en moerassen van het overige deel van de provincie afgesloten, dat het in de
langdurige oorlogen met Holland dikwijls meer van een vijandelijke voorpost had, dan dat het als
een van de toegangspoorten kon gelden waardoor de beschaving van buitenaf de provincie zelve
gemakkelijk kon binnen dringen.
Het feit, dat Hindelopen en de nabijgelegen plaatsen als Molkwerum,
Stavoren, Workum en omgeving tot in de vorige eeuw een eigen cultuur in kleeding, sier- en
woningkunst, taal, zeden en gewoonten hebben kunnen behouden, die in vele opzichten meer contact
met de overkant van de Zuiderzee, als Marken en de Zaanstreek had, dan met het overige deel van
Friesland, is zeker grootendeels een gevolg van de afgesloten ligging van deze kuststrook.
Ook waren de politieke en economische toestanden in Friesland in de
latere Middeleeuwen in vele opzichten verschillend van die der omringende landen. Het had een
eigen oude wetgeving en een eigen taal. Men kende er geen leenstelsel en vestigde er geen
tiendrechten.[2] Er waren geen Graaf en geen
ommuurde steden. Het was in de Middeleeuwen zooals Professor Gosses het uitdrukt, een land van
vrije boeren. Jammer genoeg, dat men hieraan moet toevoegen, dat het mede door de sterk
ontwikkelde persoonlijke vrijheidszin der bewoners en door het ontbreken van een krachtig centraal
beheer in de Middeleeuwen meer en meer wanorde en anarchie binnen zijn landspalen hoogtij zag
vieren.
Alles samengenomen dus redenen te over om Friesland in dezen tijd te
beschouwen als een landje, dat voor de (p. 45) buitenlandsche
cultuur-stroomingen geheel of nagenoeg geheel gesloten zou zijn gebleven.
Beschavings-invloeden laten zich echter door geen afgezonderde en
afgesloten ligging en door geene staatkundige grenzen en beletselen keeren.
Naast andere minder belangrijke wegen als: het deelnemen van Friezen aan
de kruistochten en andere buitenlandsche ondernemingen, hun studeeren aan buitenlandsche
universiteiten, het bezoeken van buitenlandsche bedevaartsplaatsen, het vertoeven hier van
beambten en militairen der centrale regeering en dergelijke, was reeds vóór de elfde
eeuw de groote drager der cultuur, de Christelijke Kerk met hare instellingen.
Typeerend heb ik daarom dan ook deze eeuwen in den titel van deze
beschouwing aangeduid als de kloostertijd, waarbij men echter niet uit het oog mag verliezen, dat
de kloosters in Friesland eerst in de 12e eeuw voldoenden omvang en rijkdom verkregen om op
cultuurgebied een rol van beteekenis te kunnen spelen.
De oudste Friesche kloosters zijn de Benedictijner stichtingen te Stavoren en Foswerd. Het
Odulfsklooster in eerstgenoemde plaats zou reeds in de 9e eeuw bestaan hebben. De
levensbeschrijving van den stichter werd reeds omstreeks het jaar 1000 te boek gesteld. In de 12e
eeuw was het reeds vrij groot, doch de watervloeden en krijgsverrichtingen deden de
kloostergebouwen in de 14e eeuw geheel vervallen en in het begin vande 15e eeuw moest het worden
verplaatst en de oorspronkelijke standplaats aan de zee worden prijsgegeven. Het klooster Foswerd
werd oorspronkelijk gevestigd op Ameland, eveneens reeds in de 9e eeuw, doch van de standplaats
aldaar is niets bekend en omstreeks 1100 is het reeds naar het vasteland overgebracht.
Een veel sterker en dieper de Friesche cultuur beroerende strooming is
echter uitgegaan van de nieuwere klooster-orden, te weten die der Cisterziënzers „de
Grauwe of Schiere-Monniken” en die der Premonstratenzers „de witte Heeren”,
respectievelijk aldus naar hunne kleeding genoemd. De voor ons belangrijkste stichtingen, als
Klaarkamp, Nijeklooster en Gerkesklooster allen van de Cisterziënzer- en Mariëngaarde
van de Premonstratenzer orde, dateeren uit de tweede helft van de 12e eeuw en de eerste helft van
de 13e eeuw. (p. 46)
Nog uit denzelfden tijd dateeren de Augustijnerkloosters, terwijl die der
Bedelorden - Dominicanen en Franciscanen - en een enkel Johannieterklooster hier in den loop van
de 13e en een Karmeliterklooster in de 14e eeuw werd opgericht.
Zonder naar volledigheid te streven noemde ik in deze inleiding alleen
die kloosters, waarvan nog bouwfragmenten bewaard zijn gebleven en die dus voor de navolgende
beschouwingen van speciaal belang zijn.
De kloostergebouwen, de uit- en inwendige aankleeding daarvan en alles
wat ze eenmaal aan voorwerpen van kunst- en kunstnijverheid, aan cultuur en beschaving hebben
bevat, zijn echter bijna even grondig vernietigd als zulks het geval is geweest met de voorwerpen
van heidensche cultuur in het begin van dit tijdvak.
De herhaalde krijg en opstand en de daarmee vooral op het platte land
voorkomende stroop- en plundertochten hebben de kloostergebouwen reeds in den loop van de 16e eeuw
van een belangrijk deel van hunne schatten beroofd niet alleen, doch ze tevens dikwijls tot
steunplaatsen doen worden van vijandig gezinde benden.
Toen er in 1580, met het zegevieren der nieuwe ideën, geen plaats
meer was voor deze weleer zoo nuttige stichtingen op het Friesche platteland en de leeggeplunderde
en deels tot ruïnes vervallen gebouwen geen reden van bestaan meer hadden, doch alleen nog
een gevaar voor hunne omgeving opleverden, hebben de Staten van Friesland niets beter weten te
doen dan de afbraak ervan, voor zoover ze niet voor den bouw van boerehuizen in de omgeving kon
dienen, voor de verbetering der zeedijken te bestemmen. Het weinige wat er van dit artistiek
dijkmateriaal is overgebleven, is in onzen tijd toevalligerwijze uit den bodem en uit de zeedijken
weer te voorschijn gekomen en wordt thans in het Friesch Museum bewaard.
Waar het handboek dat tot titel zou kunnen dragen „Friesland van de
elfde tot de zestiende eeuw, zijne beschaving en geschiedenis” nog niet geschreven is, kan
het zijn nut hebben aan de hand van eenige uit den Frieschen bodem te voorschijn gekomen
herinneringen uit den kloostertijd, een weinig licht op de beschavingsgeschiedenis van deze voor
ons oog nog duistere eeuwen te laten vallen en de cultuur-historische draden na te sporen, die
daaraan kunnen worden vastgeknoopt. (p. 47)
I.
Reeds in 1906 vestigde Mr. Boeles in de Vrije Fries [3] de aandacht op den hierbij afgebeelden steen (zie plaat
I) en wees op de overeenkomst met den eveneens in vlak relief gebeeldhouwden steen gevonden
bij het dorpje Jellinge aan den ouden hoofdweg, die midden door het schiereiland Jutland loopt.
Deze steen, die verband houdt met de nabijgelegen koninklijke grafheuvels dateert uit de 10e eeuw
en werd opgericht ter eere van de Christianiseering der Denen door Koning Harald.
Mr. Boeles maakt in zijn „Friesland tot de elfde eeuw”
opnieuw deze vergelijking [4] en wijst hierbij op
de spitse puntbaard van beide figuren en op het omringende ornament, dat hij in beide gevallen
vergelijkt met bandornament. waarin de er op voorkomende Christusfiguur wordt verstrikt. In de
catalogus van het Friesch Museum van 1908 wordt als vermoedelijke dateering aangegeven „13e
of 14e eeuw, of mogelijk nog iets ouder”. In de Gids van 1929 wordt gezegd „uit
omstreeks de lle eeuw”.
De schrijver heeft zich m.i. terecht niet laten verleiden uit de
vergelijking verdere gevolgtrekkingen te maken m.a.w. hij heeft geen zelfde plaats van herkomst en
evenmin een nadere stijlverwantschap aangewezen. Het eerste is dan ook reeds door het verschil in
dateering uitgesloten, terwijl nadere bestudeering van het ornament, vooral ook van een andere
versierde zijde [5] van den Jellinge-steen, in
een geheel andere richting wijst dan die van den in Friesland gevonden steen.
Een nader verband dan een verwijderde algemeene stijlovereenkomst, waarop
ik hierna nader terugkom, bestaat er m.i. dan ook tusschen de beide steenen niet.
Van de herkomst van den in het Friesch Museum bewaarden (p. 48) steen is niets anders bekend, dan dat hij in of omstreeks 1877 is
gevonden tusschen puin afkomstig uit de sluis te de Lemmer, 't Is een stuk artistiek
dijkmateriaal, dat naar alle waarschijnlijkheid afkomstig is van een kerkelijk of kloostergebouw
in die omgeving, mogelijk van een van de vele kapellen, die reeds in de 12e eeuw ressorteerden
onder het St. Odulphus-klooster te Stavoren.
Waarvoor de steen gediend kan hebben is moeilijk te zeggen. De
voorstelling, die er op voorkomt en het feit dat hij aan den éénen zijkant althans
ook versierd is, wijst er op, dat wij hier waarschijnlijk niet met een grafsteen te doen hebben,
terwijl de laatste omstandigheid tevens het bewijs levert, dat de steen niet als versiering in een
muur gemetseld geweest kan zijn, zooals met den zgn. St. Maartenssteen te Bolsward het geval
is.
Het zou m.i. mogelijk kunnen zijn, dat ons beeldhouwwerk afkomstig is van
een steenen kerkmeubel. Soortgelijke steenen platen afkomstig van altaren en kasten
„cancelli” uit Romaansche kerken in Noord-Itialië „Lombardije en
omgeving” zijn ons althans bekend (zie plaat I) en ook de Friesche
kerkjes moeten voorwerpen voor gelijke doeleinden gehad hebben. Waar hiervan overigens niets tot
ons gekomen is, zullen wij ons wel tot gissingen moeten bepalen.
In verband met het doel waarvoor de steen gediend kan hebben is het wel
van belang om de voorstelling, die er op voorkomt na te gaan. In zoverre de versiering van den
steen naast een ornamentale bedoeling ook nog een symbolische beteekenis heeft, wil het mij
voorkomen, dat het wel niet anders kan zijn dan dat het in het midden voorkomende hoofd dat van de
Christusfiguur is. Wel is het geen traditioneele Christus-kop, dien wij hier zien, doch ik geloof,
dat het vreemde en afwijkende hier deels voortkomt uit den eigenaardigen omtrek-vorm door het
omringende ornament aangegeven, deels uit de archaïsche en onbeholpen bewerking in een min of
meer achterlijke beeldhouwerswerkplaats. Overigens komen de typische eigenschappen, die aan de
vroeg-middeleeuwsche Christusvoorstellingen worden toegeschreven, ook hier voor. De opvatting is
streng en ernstig als van een asceten-figuur. Het omringende ornament wordt gevormd door de voor
den Romaanschen tijd zoo typisch gestyleerde wijngaard-bladeren en ranken. Waarschijnlijk zullen
zoowel den beeldhouwer, die den steen (p. 49) beitelde, als den
geloovige, die hem in ootmoed aanschouwde, het woord dat Christus tot zijne discipelen richtte,
voor den geest gestaan hebben. „Ick ben de wijnstock ende ghij de rancken”[6] Soortgelijke voorstellingen zijn ons dan ook reeds uit
de Christelijke kunst der eerste eeuwen bekend.[7] Willen wij nu het voor de vroeg-Christelijke beschaving in onze provincie zoo
belangrijke beeldhouwwerk nader bestudeeren en trachten de draden na te gaan, die het met
buitenlandsche cultuurcentra verbindt, dan moeten wij probeeren het stijl-critisch te onderzoeken
en naar bepaalde vergelijkingsobjecten rondzien.
Het komt mij voor, dat wij dan eerst moeten zien naar de streek, die ik
hiervoor reeds noemde Lombardije „de Povlakte” en omgeving, misschien niet zoozeer als
de plaats vanwaar wij de directe herkomst, doch dan toch zeker wel als die waar wij de
oorspronkelijke bron moeten zoeken.
De stijlinvloeden, waarop wij teruggrijpen, liggen in een vroeger
tijdperk dan waarover wij thans handelen. Toen de van de oevers van de Elbe herkomstige
Germanen-stam der Longobarden na vele omzwervingen door Europa in de Po-vlakte aanlandde, bracht
zij een eigen gevoel voor ornament met zich, dat sterk genoeg bleek te zijn om niet onder te gaan
in de daar toen heerschende Romeinsche en Byzantynsche kunststroomingen. Van 571 tot 774 wisten
deze Germanen zich onder hun eigen nationale koningen te handhaven. In het laatste jaar werden ze
ingelijfd bij het groote Frankische Rijk van Karel de Groote, waartoe aan het andere uiterste ook
Friesland behoorde. Het Rijk der Longobarden strekte zich uit tot Ravenna, waar tevoren een andere
Germaansche stam, die der Oostgoten, bevruchtend op de antieke kunst had weten in te werken. In
tegenstelling met deze laatste heeft de Longobardische (p. 50) invloed
een eigen ornamentiek weten te scheppen, die voor ons des te belangrijker is omdat ze een groote
expansieve kracht heeft getoond niet alleen, doch ook omdat de naar het Noorden verbreide
vertakkingen daarvan zich tot in de bloeiperiode van den Romaanschen tijd hebben doen gevoelen.
Van het grootste belang is, dat hiernaast in denzelfden tijd in de Po-vlakte de baksteenbouw zich
zelfstandig speciaal voor den kerk- en kloosterbouw, tot een later niet weer overtroffen hoogte
heeft weten te ontwikkelen. Ook in dit opzicht moet Lombardije beschouwd worden als het
moederland, dat door de kloosterlingen, die bij ons en in Duitschland de Romaansche baksteenbouw
invoerden, direct of indirect werd nagevolgd. Het ornamentale karakter der Longobardische plastiek
(zie plaat I) bestaat uit band-, riem- en vlechtwerk, dat de geheele
oppervlakte van het te versieren vlak bedekt. Zeer typisch is het ook op den Frieschen steen
voorkomende groef- of lijn- ornament, dat evenwijdig door de banden (hier de wijnranken) loopt. In
tegenstelling met de klassieke ornamentiek worden geen plant- en vruchtvormen nagebootst
uitgezonderd alleen de wijnrank en de druif, die herhaaldelijk en zooals wij hiervoor reeds zagen,
zeer vroeg voorkomen en die met de Christelijke symboliek verbonden zijn. Het druivenblad is
geregeld drielobbig en door een langen steel aan den rank verbonden. Het eindigen der riemvormige
ornamenten in dierkoppen en de phantastische slangenfiguren, typisch voor de Noorsche en de
daarmee samenhangende Iersche ornamentiek missen wij hier geheel.[8] (p. 51)
Voorstellingen van menschen en dieren (uitgezonderd vogels, speciaal
pauwen), zijn uiterst zeldzaam. Niettemin is echter bij den Christus-kop op den Frieschen steen
toch nog op een Lombardische overeenkomst te wijzen. Ik bedoel den naast christelijke emblemen
tusschen groefban- den voorkomenden kop op een 9e eeuwsche put in het Palazzo Loredan te
Venetië.[9]
Dat wij hier niet met een min of meer toevallige gelijkenis te doen
hebben is wel nader te bewijzen in de eerste plaats door de zeer sterke overeenkomst van de
versierde baksteenfragmenten, afkomstig van verschillende Friesche kloosters zoowel wat ornament,
als wat techniek betreft met gelijk- soortige in Noord-Italië. In een volgend artikel hoop ik
daarop nader terug te kunnen komen.
Hiernaast kan ik nog een ander zeer concreet voorbeeld van
Noord-Italiaansche invloed op den Frieschen kerkbouw aanhalen. In de krocht of krypt, die zich
bevindt onder het koor van de in tufsteen opgetrokken kerk te Rinsumageest zijn twee zuilen
waarvan de schachten van rood geaderde travertijn (een kalktufsteen afkomstig uit de Abruzzen), de
kapiteelen van bewerkte zandsteen zijn. Uit een afbeelding in het boek van Haupt[10] bleek mij, dat deze kapiteelen vrijwel identiek zijn
met soortgelijke in Milaan en Alliate. De gelijkenis is zoo treffend dat Dr. Vermeulen[11] op grond van deze gelijkenis vermoedt, dat de
kapiteelen te Rinsumageest rechtstreeks uit Italië geïmporteerd zijn. Ze kunnen
gedateerd worden op omstreeks 1165, dat is het stichtingsjaar van het bijgelegen klooster
Klaarkamp.
Aan directe import uit Italië kan bij de in de Lemmer gevonden steen
niet gedacht worden, niet alleen dat de toevoeging van den Christuskop voor de Lombardysche stijl
te ongemeen is en er waarschijnlijk eenige eeuwen tusschen beide, de Noord-Italiaansche
ornamentiek en de Noordelijke navolging, gelegen is. De bewerking van den steen zelf is daarvoor
ook te onbeholpen. (p. 52) Het komt mij voor, dat wij voor het zoeken
naar de plaats van herkomst van den steen in het Friesch Museum liever in de nadere omgeving van
Friesland moeten zoeken en ik meen inderdaad een monument te kunnen aanwijzen, dat ons hierbij van
dienst kan zijn.
Ik bedoel een van de andere bekende vroeg-Christelijke beeldhouwwerken in
ons land: het tympanon (boogvulling) in den Oostmuur van de St. Michaelskerk te Zwolle (zie plaat I), uitvoerig besproken door Dr. Raphael Ligtenberg O.F.M.[12]
De overeenkomst tusschen de beide steenen is niet alleen gelegen in het
feit, dat ze van hetzelfde materiaal zijn „roode zandsteen” en dat ook op den
Friescben steen toepasselijk is wat Pater Ligtenberg van den Zwolschen steen zegt nl., dat hij den
indruk maakt uit een achterlijk atelier afkomstig te zijn. De typische overeenkomst ligt in de
feiten, dat de hoofdpersoon op beide beeldhouwwerken den voor den Romaanschen tijd zeldzamen
spitsbaard draagt, dat de technische behandeling van de oogen. neus en lippen identiek is en dat
het ornament rondom het tympanon te Zwolle gelijksoortig is aan dat op de bewerkte zijkant van den
Frieschen steen.
Waar de steenen gevonden zijn in niet ver van elkaar af gelegen streken,
die beide langs dezelfden waterweg bereikbaar zijn, is éénzelfde plaats van herkomst
wel niet bewezen, doch naar mijn bescheiden meening toch zeker wel waarschijnlijk.
De voorstelling op den Zwolschen steen geeft Vader Abraham, als een
goddelijke figuur weer, met de zielen zittende in zijn schoot, uit de gelijkenis van Lazarus.
Ofschoon wellicht niet meer op de oorspronkelijke plaats zittende, wordt toch aangenomen, dat deze
steen wel voor de kerk, in de muur waarvan hij thans nog geplaatst is, gemaakt werd.
Pater Ligtenberg vermoedt als herkomstplaats een beeldhouwers-werkplaats
in Westfalen en wel in de omgeving van de steengroeven van Bentheim-Gildehausen en als vroegste
dateering de dertiende eeuw.
Bij het bepalen van een uiterste datum waarvóór de steen
gemaakt moet zijn, beroept deze schrijver zich op den eveneens in het Friesch Museum bewaarden en
uit Rinsumageest (p. 53) afkomstigen grafsteen van Eppo uit het jaar
1341, waarvan hij een zelfde plaats van herkomst vermoedt.
Waar de steen uit de omgeving van de Lemmer vooral wat het ornament van
wijnranken alsook wat den Christus-kop betreft, beslist een meer archaïsch karakter draagt,
dan die uit Zwolle, doch andere aanwijzingen omtrent de dateering, dan die uit de hierboven
aangehaalde en andere vergelijkingen getrokken kunnen worden ontbreken, zou ik op deze gronden
niet scherper durven dateeren dan 12e eeuw.
Het archaïsche karakter van den steen spreekt zeker wel het sterkst
in de primitieve behandeling van het hoofdhaar en van de baard, die eenvoudigweg zijn aangegeven
door waaiervormig uitloopende rechte lijnen.
Op gelijke wijze vond ik dit toegepast op een drietal kapiteelen aan de
slotkerk te Quedlinburg.[13]
Waar de gebeeldhouwde kapiteelen hiervan op ongeveer 1120 worden
gedateerd,[14] zou men op grond hiervan de
Friesche steen ook aan de eerste helft van de 12e eeuw kunnen toeschrijven.
Natuurlijk wordt de vergelijking met den Zwolschen steen wel verzwakt
door het feit, dat de Friesche steen van ouderen datum zal zijn, doch er is ook langs anderen weg
wel op een bevestiging van de plaats van herkomst te wijzen.
Andere in het Friesch Museum bewaarde stukken vroeg-christelijke plastiek
kunnen m.i. hiervan de bewijzen leveren. Ik heb in de eerste plaats hier het oog op de
gebeeldhouwde grafsteenen van roode zandsteen uit Beets en Roodkerk,[15] waarvan de eerste geheel identiek is met een grafsteen afkomstig
uit de kerk van het nabij de steengroeven van Bentheim-Gildehausen gelegen dorp Borghorst,[16] thans bewaard in het Museum te
Munster.
De herkomst van dezen laatsten steen uit een Westfaalsch atelier kan als
vanzelfsprekend worden aangenomen. Wat de dateering betreft, verschillen de te dezer zake meest
bevoegde beoordeelaars. Pater Ligtenberg denkt aan de 12e a 13e eeuw, Dehio noemt de lle eeuw.
Gezien de Friesche Kloostergeschiedenis,(p. 54) behoeft hier de lle eeuw
wel niet uitgesloten te zijn, doch zou ik mij ook hier toch het liefst aan de 12e eeuw willen
houden.
Een ander stuk plastiek is het doopvont van gele zandsteen uit de kerk te
Jellum. Boeles vermoedde in zijn „catalogus der meest belangrijke voorwerpen uit het Friesch
Museum” van 1908 ook reeds, dat het was gemaakt van Bentheimer steen en dateerde uit
„omstreeks de 12e eeuw”. Pater Ligtenberg, die een zeer doorwerkt artikel aan de
Romaansche doopvonten in Nederland heeft gewijd [17] komt ook voor deze uit gele zandsteen bestaande doopvonten tot een herkomst
uit de beeldhouwers-ateliers in de omgeving van de zandsteengroeven van Bentheim-Gildehausen. Hij
stelt de dateering daarvan tusschen 1150 en 1275.
De op den grafsteen uit Roodkerk en op het doopvont uit Jellum aanwezige
gestyleerde druivenranken wijzen ook nog op verwantschap met den steen uit de Lemmer, waar de
wijnrank een hoofdmotief van het ornament is. Deze ranken schijnen een lokaal Bentheimer karakter
te dragen en elders niet gebruikt te zijn.[18]
Het moge eenigszins vreemd schijnen, dat ik bij mijn vergelijkingen eerst
naar Noord-Italië en daarna naar midden West-Duitschland heb gezien. De invloed echter, die
de Longobardische kunst op de Romaansche plastiek in Duitschland heeft uitgeoefend is algemeen
bekend en is herhaaldelijk ook voor de oudste stukken, die daarvan tot ons gekomen zijn,
bewezen.
II.
Een ander stukje artistiek dijkmateriaal is het gebeeld- houwde zandsteenen kopje, naar alle
waarschijnlijkheid een kapiteeltje, dat als ondersteuning van een blind boogje aan een Romaansch
gebouw heeft gediend (zie plaat II). Het is te Stavoren gevonden nabij den
Zuidelijken Zeedijk, zoodat herkomst uit een te of bij Stavoren staand klooster- of kerkgebouw wel
waarschijnlijk is.
De merkwaardigheid waarop ik hier speciaal wilde wijzen is, dat uit den
mond van het parodiaal opgevatte kopje met zijn opgeblazen wangen, twee banden te voorschijn
komen, die (p. 55) links en rechts uitbuigende een typisch gedeelte van
het ornament vormen. Waarschijnlijk kan aan deze banden naast een ornementale ook een symbolische
beteekenis worden toegekend. Ik zou mij althans zeer goed kunnen voorstellen, dat met deze en
gelijksoortige voorstellingen, waarbij de banden ook wel in slangen en andere diervormen eindigen,
is bedoeld, uitdrukking te geven aan de dikwijls minder oprechte gedachten, die den boozen mensch
uit den mond vloeien.[19] Ik zou dit speciale
ornament daarom willen aanduiden als „het spraakbandmotief”. Ditzelfde
versieringsmotief trof ik op verscheidene Romaansche kapiteelen uit de 11e en 12e eeuw aan.
Waar in en aan de Romaansche kerkjes, die over Friesland verspreid zijn,
zoo goed als geen beeldhouwwerken in natuursteen meer voorkomen, is mijns inziens dit toevallig
gespaarde bouwfragmentje belangrijk genoeg om er een vergelijkende beschouwing aan vast te
knoopen.
Bij het zoeken naar analogiën aan andere Romaansche bouwwerken kwam
ik in de eerste plaats in Midden-Duitschland terecht in het oude Sachsen.
In de Slotkerk te Quedlinburg, zoowel in de beneden- als in de bovenkerk,
dateerende uit het begin van de 12e eeuw, wordt dit motief herhaalde malen aangetroffen. Identieke
en aanverwante voorstellingen daarvan trof ik o.a. aan in de kerk te Goslar, in de Stichtskerk te
Gernrode am Harz, in het voormalig klooster te Ilsenburg am Harz en in de vroegere kloosterkerk te
Drubeck am Harz. Verder in de Kloosterkerk te Königslutter, in den Dom te Naumburg aan de
Saaie en in de Munster te Basel, alle Romaansche beeldhouwwerken uit de 12e eeuw.[20] Ofschoon de sterke invloed op deze Duitsch-Romaansche
beeldhouwkunst van Lombardye uit bekend is[21]
zijn mij geen (p. 56) analoge toepassingen van dit spraakband-motief uit
Italië bekend. Wel echter in Frankrijk van waar uit zeer zeker eveneens sterke invloeden op
de Duitsch-Romaansche plastiek der 12e eeuw hebben ingewerkt.
Op kapiteelen aan het beroemde klooster van Saint Trophime te Aries en de
daarmee sterk verwante beeldhouwwerken aan de vesting-kerk van Saintes-Maries en het klooster van
Saint-Sauveur d'Aix, speciaal dus in de Provence[22] vindt men hetzelfde motief, evenals ook in of aan de Romaansche kerken:
Saint-Martin d'Ainay te Lyon, Sainte-Croix te La Charité-sur-Loire en de oude
abdij-kerk te Saint-Bénoit-sur-Loire in Bourgondië.[23] Al deze onder Zuid-Franschc en Bourgondische invloeden staande
beeldhouwwerken dateeren nog uit het laatste van de elfde en uit de twaalfde eeuw.
Alhoewel in de verschillende streken waar het zelfde motief wordt
toegepast verschil in opvatting zichtbaar is, heb ik geen bepaalde ontwikkelingsgang van het eene
type op het andere kunnen naspeuren. Het liefst zou ik willen denken aan een gemeenschappelijke,
mogelijk wel aan de schilder- of miniatuurkunst, deels mogelijk ook aan de litteratuur ontleende
bron. Welke echter is mij niet gebleken, zoodat ik mij moet bepalen tot het aangeven der
verschillende typen.
In de Provence en te Lyon vond ik het ornament toegepast op
menschenkoppen, die eerder een ideale dan een wanstaltige uitdrukking aannemen, terwijl de ter
weerszijde uit den mond komende banden zich daar geheel in het omringende ornament oplossen en in
sierlijke krul- en bladversiering overgaan. In de onder Bourgondische invloeden staande kerken te
La Charité-sur-Loire en Saint-Bénoit-sur-Loire waren het dierkoppen, die een min of
meer fratsachtig voorkomen hadden, terwijl de uit de bekken voortkomende banden nu eens enkel een
ornamentaal karakter hadden dan weer in draken of slangenkoppen eindigden.
In de Duitsch-Romaansche kerken eindigden de spraakbanden vrijwel zonder
uitzondering in slangen en drakenlichamen en hebben de beeldhouwers speciaal ook bij de uitwerking
van dit motief met bijzondere voorliefde de meest bizarre oplossingen nagestreefd. Nu eens worden
menschen, dan weer (p. 57) dieren afgebeeld, terwijl de spraakbanden
geregeld overgaan in slangenlichamen en staarten van basilisken en andere wonderdieren. De sterke
ontwikkeling in deze richting, waarbij haast onbewust het ornament in diervormen overgaat, wordt
door schrijvers als specifiek Germaansch aangevoeld, waarbij zelfs wordt gedacht aan duistere
oud-heidensche voorstellingen van de „Midgard schlange und Fenriswolf”.[24] Hoe dit zij, het motief werd in Midden- en
West-Duitschland buitengewoon geliefd zoodat het zich niet alleen bij den uitgang van de
Romaansche stijl, doch zelfs in de volle Gothiek kon handhaven. De gedrochten verdwijnen dan
echter en uit den mond van ideale vrouwenkopjes zien wij fraai gevormd Gothisch bladwerk te
voorschijn komen.[25]
Ook in de krachtige volkskunst, die op zoo rijke wijze tot uiting kon
komen bij de Duitsche houtbouw vinden wij in het laatst van de 16e eeuw het Romaansche motief van
de spraakbanden nog toegepast.[26] Hoe de
ontwikkelingsgang geweest is, blijft moeilijk te zeggen al zouden wij ten dezen Bourgondische
invloeden op Midden- Duitschland waarschijnlijk achten, waar wij zien, dat een van de meest
bekende spraakband-motieven te weten: dat op een kapiteel in de onderkerk te Queldinburg dus uit
het begin van de 12e eeuw, identiek is met een kapiteel van een pilaster aan het koor van een van
de kapellen van de Benedictijner kerk Sainte-Croix te La Charité-sur-Loire en
beïnvloeding in omgekeerde richting moeilijk kon worden aangenomen.
Behalve op het Friesche beeldhouwwerkje wordt het spraakband-motief in
Nederland ook nog aangetroffen op twee kapiteelen in de Lieve Vrouwe- en in de Sint Servatius-Kerk
te Maastricht. Pater Ligtenberg heeft ze uitvoerig beschreven[27] en komt tot de gevolgtrekking, dat ze uit een werkplaats, die in het begin van
de 13e eeuw te Maastricht onder een beeldhouwer genaamd Heimo gebloeid heeft, afkomstig
zijn.
De in hoog relief bewerkte kapiteelen zijn rijk versierd met oud- en
nieuw-testamentische voorstellingen, waarbij menschen (p. 58) en dieren
in rond gestrengelde en in-bladvormen eindigende banden verstrikt zijn. Op twee dezer kapiteelen
komen deze banden uit dierenbekken, op de wijze van het spraakband motief, te voorschijn. Dit
laatste speelt hier, in tegenstelling met het beeldhouwwerkje uit Stavoren, maar een
ondergeschikte rol.
De ornamenten, die doen denken aan een navolging van versierde initialen
uit manuscripten wijzen ook hier op Bourgondische invloeden, die over Trier naar Maastricht
doorgedrongen zijn. Ook wijst de schrijver op overeenkomst met kapiteelen uit Toulouse en
Clermont, doch neemt toch in de eerste plaats Duitsche beïnvloeding aan.[28] Een geheel analoge versiering trof ik nog aan op een
pilaster-kapiteel in de Notre-Dame te Chalons-sur-Marne, waar op geheel identieke wijze de in
bladvormen eindigende banden uit dierenkoppen te voorschijn komen.[29]
Direct verband tusschen deze Romaansche beeldhouwkunst aan de Maas en die
benoorden de groote rivieren in ons land bestaat er echter niet.
Het kapiteeltje uit Stavoren met zijn zeer eenvoudig spraakbandmotief,
zonder eenige toevoeging van andere diervormen, staat op zich zelf dichter bij de Bourgondische
vormen dan bij de Duitsche, wat wanneer wij bedenken dat in en bij Stavoren in de 12e eeuw zeker
gebouwd werd onder den invloed van het Benedictijner klooster van Sint Odulf, ook volstrekt niet
onmogelijk is.
Waar beeldhouwwerkjes, die met het klooster te Stavoren in verband kunnen
worden gebracht uiterst zeldzaam zijn en ook wel zullen blijven zal wel nooit nader bewezen kunnen
worden, hoe deze invloeden naar hier gekomen zijn, hetzij direct door import van kunstwerken of
kunstenaars, hetzij langs indirecten weg door navolging, door bemiddeling van relaties met het
bisschoppelijk hof te Utrecht of op andere wijze.
Wat dateering betreft, kunnen wij ons veilig aan de 12e eeuw, misschien
aan de tweede helft van de 12e eeuw houden. (p. 59)
III.
De hierbij afgebeelde tegels zijn gevonden bij de afgraving van de terp waarop eens het
klooster Mariëngaarde onder Hallum heeft gestaan (zie plaat
II).
Voor zoover mij bekend zijn ze uniek in zooverre, dat geen tegels met
geheel dezelfde versiering in andere kloosters of elders zijn gevonden. In techniek van scherf en
glazuur komen ze echter geheel overeen met tegels en bouwfragmenten o.a. bij afgraving van het
klooster Foswerd gevonden, alsmede met die welke nog bewaard gebleven zijn van de Oude
Cisterciënser abdij Aduard.
De tegels zijn rood van scherf, naar alle waarschijnlijkheid door de
kloosterlingen ter plaatse gebakken van gewone Friesche tichelklei. Ze zijn aan den voorkant
geglazuurd met een vrij dikke gele loodglazuur, die op de plaatsen waar ze dikker is saamgeloopen
een bruine tint heeft aangenomen. De onegale manier waarop deze en aanverwante bouwfragmenten uit
Friesche kloosters zijn geglazuurd, de merkwaardige dikte van de glazuurlaag en de opengesprongen
luchtblaasjes, putjes en andere defecten, die hierbij dikwijls optreden, geven aanleiding tot de
gevolgtrekking, dat de kloosterlingen nog maar beginnelingen waren in de kunst van glazuren.
Techniek en stijl in verband met de bouwgeschiedenis van het klooster
geven mij aanleiding de Mariëngaarder tegels toe te schrijven aan het eind van de 12e of
begin 13e eeuw.
Het eerste kerkje van het tot de orde der Premonstratenzers of witte
Monniken behoorend klooster Mariëngaarde werd dicht bij de toen nog onbedijkte uitmonding van
de Middelzee gesticht in 1163. Reeds onder den tweeden abt (1175—1184), werd een nieuwe kerk
gebouwd en „het viercante des cloosters” het eigenlijke claustrum opgetrokken. Onder
den vierden abt (1185-1194) werd het klooster volkomen afgebouwd en als zoodanig in 1190 ingewijd.
Ook onder den vijfden abt (1194-1230) werd het klooster uitgebreid, doch onder de opvolgende abten
in de 13e en 14e eeuw vernemen wij weinig of niets van nieuwbouw aan het klooster.
Het wil mij voorkomen, dat wij bij het nagaan van de invloeden en
cultuurstroomingen, die op den bouw invloed kunnen hebben uitgeoefend in de eerste plaats moeten
zien naar den hoofdtoegangsweg naar ons land uit het Zuiden: de Rijn. (p.
60)
Van den beginne af toch heeft Mariëngaarde zich gesteld onder het
klooster Steinfeld in den Eifel als het moederklooster en zien wij de abten daarheen reizen via
Utrecht en Keulen den Rijn langs, terwijl toen de abt van het klooster Wittewierum in Groningen in
het begin van de 13e eeuw aan zijn, op dat gebied blijkbaar meer ervaren, collega den abt van
Mariëngaarde vroeg naar een bekwaam bouwmeester, deze hem Meester Everard uit Keulen
aanbeval.
Wij moeten hierbij echter niet over het hoofd zien, dat het
moederklooster der geheele orde gevestigd was te Prémontré, Noord-westelijk van
Reims nabij Laon en dat bij de Premonstratenzers even als bij de Cisterciënsers alle abten
jaarlijks op de generale kapittel-vergaderingen in het hoofdklooster behoorden samen te komen.
Noord-Fransche cultuurinvloeden kunnen wij dus in de Premonstratenzer kloosters evenzeer
verwachten.
Onze Friesche kloosterlingen hebber, de kunst van het maken van met
loodglazuur overdekte tegels zoowel langs den Rijn als in Noord-Frankrijk gemakkelijk kunnen
leeren.
Langs den Rijn was, speciaal de Elzas in de 12e eeuw een centrum van
waaruit de kunst van het bakken en glazuren van tegels zich verspreid heeft. Van Romaansche
tegelfragmenten gevonden in Schlettstadt en in het klooster Sankt-Odiliën, beide in den
Elzas, wordt gezegd, dat ze zijn overtrokken met een dikke geelbruine glazuur. En relief bewerkte
tegels, technisch gelijk aan die uit Mariëngaarde en dateerende uit de 12e en 13e eeuw, komen
in de geheele Rijnstreek van Keulen tot Constanz veelvuldig voor.[30]
Beschouwen wij in de eerste plaats de beide gelijke voor een venster- of
deurboog gevormde tegels.
Het hierop voorkomende fantastische dier is onze aandacht wel waard.
Ofschoon het beest wat zijn lichaamsvorm en kop betreft het meest van een paard heeft, kan dit
dier, dat onze Hallumer monniken natuurlijk uit den dagelijkschen omgang bekend was, niet bedoeld
zijn, daar zij het dan zeker niet zoo'n langgerekten vorm, niet zoo'n grooten bek en geen
gespleten hoeven gegeven zouden hebben. Blijkbaar was het dier, dat zij afbeeldden hun niet uit
persoonlijke aanschouwing bekend, (p. 61) doch volgden zij een
fantastische afbeelding of beschrijving na. Met de naar beneden gebogen gekrulde bovenlip en de
naar boven omgekrulde onderlip zijn blijkbaar respectievelijk slurf en slagtanden van den olifant
bedoeld.
Ook het getorende kasteel of tent van Oosterschen vorm, dat met zware
singels op zijn rug bevestigd is, levert het bewijs, dat de Mariëngaarder monnik-tegelbakker
een olifant heeft willen uitbeelden.
Om na te gaan aan welk voorbeeld hij zijn afbeelding heeft ontleend is
het van belang de bronnen op te sporen, die in de kloosterbibliotheek van Mariëngaarde of
elders voor hem te vinden zijn geweest.
De strijdolifanten waren reeds sedert de 4e eeuw vóór
Christus als zoodanig in Indië in gebruik en werden vooral door de tochten van Alexander de
Groote ook in de antieke wereld in Europa bekend. De Perzen gebruikten ze in hun strijd tegen de
Grieken, evenals de Carthagers tegen de Romeinen. Natuurlijk poogden ook deze laatsten de
strijdolifanten te gebruiken. Met hunne meer volmaakte oorlogstechniek ondervonden zij echter al
spoedig de nadeelen van deze logge medestrijders, zoodat ze vóór Hadrianus'
regeering (117—138 n. Chr.) als zoodanig reeds geheel waren afgeschaft.[31] Een enkele text spreekt van olifanten, die door de
Romeinen naar Bretagne vervoerd zijn, meer echter nog als indrukwekkende en vreesaanjagende
verschijningen, dan als bondgenooten in den strijd.
In hunne circusspelen bleef de strijd-olifant bij de Romeinen in gebruik
een gewoonte, die door de Byzantynsche keizers nog tot in de 11e eeuw werd gevolgd.
Ofschoon er wel Friesche ruiters, die als bondgenooten in de Romeinsche legers dienden, geweest
zullen zijn, die bij een of andere gelegenheid strijd-olifanten gezien zullen hebben, zal alle
herinnering daaraan toch reeds lang uitgestorven zijn geweest (p. 62)
toen omstreeks 1200 in Mariëngaarde deze tegels gevormd werden.
Onder Karel de Groote kwam het Westen opnieuw in kennis met het bestaan
van den olifant. De Bagdadsche Khalif Harun al Rachid, die van den Frankischen keizer o.a.
Friesche wollen mantels ten geschenke kreeg, zond in 801 den beroemden olifant Aboul-Abbas, die in
Pisa ontscheept werd en na in Italië overwinterd te hebben, het volgende jaar te Aken
aankwam. De machtige indruk, die zijn verschijning in West-Europa maakte, wordt weerspiegeld niet
alleen in de litteratuur van die dagen, doch ook in de miniaturen van het Lotharius-Evangelie en
van den Bijbel van Karel de Kale (840—877). Afbeeldingen in deze manuscripten geven een
indruk door den miniatuurschilder min of meer direct naar het leven ie zijn gemaakt.[32]
Vroege afbeeldingen vinden wij ook in het uit het Oosten ingevoerde
schaakspel. Schaakstukken, die volgens de traditie nog met Karel de Groote en zijne navolgers in
verband worden gebracht worden bewaard in de groote Fransche en Engelsche musea. De kasteelen
worden hierbij gevormd door strijdolifanten, die vrij natuurgetrouw zijn nagebootst en een
Oostersch karakter dragen.[33]
Ook langs anderen weg bleef de olifant bij den middeleeuwschen
kunstnijvere bekend en wel voornamelijk door de afbeelding ervan op zijden weefsels uit het Oosten
geïmporteerd. Zoo zijn bv. zgn. olifant-weefsels van Perzisch maaksel uit de 7e tot de 10e
eeuw en van Byzantijnsch maaksel uit de 10e en 11e eeuw bekend. Tot deze laatste groep behoort het
bekende weefsel uit den schrijn van Karel de Groote. Waren de Perzische en ook de Byzantijnsche
afbeeldingen nog vrij natuurgetrouw, latere Italiaansche en andere weefsels verleenen aan den
olifant allerlei fantastische toevoegsels als een trompetvormige slurf, hoornvormige
hoofduitsteeksels, vleugels enz.[34] (p. 63)
Op een laat-Romaansch weefsel uit de tweede helft van de 13e eeuw,
bewaard op den Wartburg vond ik een fantastisch dier, dat door den hoogen toren, dien het op zijn
rug droeg wel duidelijk bleek een olifant te moeten voorstellen, doch waarvan de kunstnijvere
maker de slurf had weggelaten en vervangen door een plant, die het beest in den bek droeg, terwijl
ook het dier met opstaande ooren en gespleten hoeven was afgebeeld.[35]
Blijkbaar gaat deze laatste afbeelding terug op een gemeenschappelijk
voorbeeld waarnaar ook onze Mariëngaarder monnik gewerkt heeft.
Ik vond nog een paar kunstuitingen, die blijkbaar op denzelfde oervorm
teruggaan.
Een bas-relief aan de kerk van La Charité-sur-Loire uit de 2e
helft van de 12e eeuw beeldt een olifant af met langgerekt paardelijf en opstaande ooren. In
plaats van zelf een slurf te dragen heeft het beest een slurfvormige plant in den bek.[36] Een paar 12e eeuwsche bronzen kandelaars in den vorm
van torendragende olifanten waren aanwezig op de wereldtentoonstelling in 1900 te Parijs gehouden.
Ook deze beesten hadden het langgerekte paardenlijf van het Mariëngaarder voorbeeld, terwijl
ook hier de bronsgieter het beest opstaande ooren en aan de korte slurf en slagtanden een
phantastische oplossing gaf.[37]
Nog een voorbeeld vond ik in den vorm van een op een Romaansch voorbeeld
teruggaand rond houten model voor zgn. „Lebkuchen” d.z. onze taai-poppen van
Oostenrijksche afkomst, waarschijnlijk uit de 16e eeuw.
Zooals zoo vaak in de volkskunst is ook hier de olifant met een
gekanteelde vesting op zijn rug naar een oer-oud-model gevormd en is aan zijn slurf een
vreemdsoortige vorm gegeven, terwijl hij getooid is met een paardestaart en gespleten hoeven.[38]
Naast deze verbasterde voorstellingen, kwamen natuurlijk (p. 64) ook zeer naturalistisch gevormde voor, vooral daar, waar de kunstenaar
kon werken naar een levend model. Zoo moet ongetwijfeld de steenhouwer, die in de 13e eeuw te
Parijs de zittende olifant op den torenomgang van de Notre-Dame gebeeldhouwd heeft naar een
goedmoedige dikhuid in natura gewerkt hebben.[39]
De vraag is nu aan welke oorspronkelijke bron het voorbeeld, waarnaar
onze Hallumer Premonstratenzer monnik alsook de voorbeelden waarnaar de onbekende zijdewever,
bronsgieter en vormmaker gewerkt hebben, ontleend zijn.
Dit zullen ongetwijfeld de middeleeuwsche dierenencyclopaediën
„les bestiaires” geweest zijn, die den zgn. Physiologus tot grondslag hebben.
Waarschijnlijk te Alexandrië als natuurwetenschappelijk volksboek ontstaan, dateert de
Physiologus oorspronkelijk uit de eerste Christelijke eeuwen.
Ze is gegrond op de beschrijvingen van Ctésias den Griek, die
omstreeks 400 vóór Christus geneesheer was aan het hof van den Perzischen koning
Artaxerxès en uit wiens wonderverhalen van Azië werd geput door Plinius en andere
antieke schrijvers. Deze verhalen werden in Byzantium verder uitgewerkt en ten slotte opgenomen in
den „Physiologus”, die in de vroege middeleeuwen in verschillende over de
Christenwereld verspreide kloosters vertaald en met Christelijke symboliek werd aangevuld.[40]
De voorbeelden uit deze dierenboeken speciaal ook uit Honorius van
Autun's Wereldbeschrijving „De Imagine Mundi”, werden door de rondreizende
Romaansche beeldhouwers en andere kunstnijveren over de geheele Christelijke wereld verspreid. Een
speciaal centrum hiervan was Engeland. Een tweede centrum Bourgondië met het klooster van
Cluny als uitstralend middelpunt. Soms zijn deze voorstellingen van onderschriften voorzien. Onder
een olifanten-kapiteel te Aulnay komt de inscriptie voor „Hi sunt elephantes”. Ook op
de beroemde kolom, uit de 12e eeuw afkomstig uit de abdij van Souvigny (en Bourbonnais) komt het
opschrift „elefans” voor. Het aldus betitelde beest heeft daar echter geheel den vorm
(p. 65) van een hinnikend paard met fantastisch gevormde staart.[41] In den Physiologus wordt ook de olifant
beschreven en wordt als speciale eigenschap van hem vermeld, dat hij een toren op zijn rug draagt.
Doordat de vertalers met het beest zelf niet bekend waren, ontstond veel verwarring over doel en
vorm van de slurf en van de slagtanden, ook in verband met het fabeltje, dat de olifant om te
kunnen paren vooraf van een in de nabijheid van het Paradijs groeiende plant de
„mandragore” gegeten moest hebben. Hierdoor wordt de slurf dan ook soms veranderd in
een tak of ander voorwerp, dat het beest in den bek draagt.[42]
De onnatuurlijke oplossing, die in het Hallumer voorbeeld voor slurf en
slagtanden gezocht is, houdt dan ook zeker verband met de onbekendheid van den werkelijken vorm
dezer lichaamsdeelen.
De vroeg-Christelijke commentators van den oorspronkelijken Griekschen
Physiologus vergeleken het olifantenpaar met Eva en Adam en hunne verdrijving uit het Paradijs, na
van den appel gegeten te hebben.
Zelfs gaf de Physiologus-sage aanleiding, dat de olifant tot een symbool
van Christus verheven werd. Hierdoor wordt dan ook het zoo vreemd aandoende veelvuldige optreden
van olifanten in kerkelijke versieringen[43]
verklaard.
Dergelijke vergelijkingen komen ons kinderlijk en naïef voor en dat
zijn ze inderdaad ook.
Vóór wij echter tot be- en veroordeelen ervan overgaan
dienen wij ons althans even in te denken in den geest van den tijd, die ze schiep en er aan
geloofde.
Wetenschappelijke ontleding van alle problemen waar onze tijd zoo prat op
gaat, was nog een onbekend iets.
De wereld was voor den middeleeuwschen denker, den theoloog een symbool
en de kunstenaar van dien tijd liet zijn kunstwerken een symbolische taal spreken.
De geheele natuur werd aan het goddelijke symbool aangepast en de levende
wezens daarin drukten de gedachten van God uit. (p. 66) De versiering van
zijn kerkgebouw was voor hem een voorstelling in het klein van de geheele wereld en ieder schepsel
Gods was gerechtigd daarin zijn plaats in te nemen.
Een enkele maal vormde hierbij een samenhangende groep kunstwerken de
vertolking van een traditioneel kerkelijk dogma, meestentijds echter bevolkten de kunstenaars de
kerken met voorstellingen van mensch, dier en plant naar eigen artistiek inzicht.[44] Ook in andere opzichten was de Cathedraal in de
vroege Middeleeuwen het middelpunt waar kunst en wetenschap een veilig onderkomen vonden. De
versiering deed soms aan een museum van natuurlfjke historie denken. Men kon er een opgezette
crocodil bij den ingang opgehangen vinden, er werd in de sacristie de verdedigings-tand van den
mythischen eenhoorn (inderdaad echter de tand van een narval)[45] bewaard, evenals ook de klauwen van een griffioen. In de kerk van Angers vond
men struisvogeleieren.
Dit alles moge op zich zelf geen nieuws zijn[46], het kwam mij toch wel van belang voor aan een zoo concreet
voorbeeld als onze tegels te laten zien, dat de Mariëngaarder monnik, die omstreeks 1200 zijn
kerk vereerde, door dezelfde ideeën werd gedragen als de beeldhouwers in Bourgondië, die
in opdracht van de geleerde en prachtlievende monniken van Cluny de geheele wereld in steen
gehouwen in hunne kerken wenschten te zien nagebootst.
Het is dan ook zeker niet toevallig, dat deze tegels oorspronkelijk een
plaats hebben ingenomen in de versiering van een kerkelijk gebouw der Witte Heeren. In een
klooster van hunne tegenvoeters de Schiere Monniken toch zouden deze voorstellingen allerminst op
hun plaats geweest zijn.
Als onvermijdelijke reactie op de prachtlievendheid der (p. 67) geleerde Clunyacensers trad reeds omstreeks 1130 Bernard van Clairveaux
op en veroordeelde in sterke bewoordingen het overversieren der kerken, speciaal ook met allerlei
monsterfiguren.
In de kerken der door hem gestichte Cisterciënser orde, in Klaarkamp
en Aduard hebben zeer zeker tegels met dergelijke voorstellingen geen plaats kunnen vinden.
IV.
Op een anderen tegel afkomstig uit het klooster Mariëngaarde komt een dier voor, dat aan
de Friesche monniken evenzeer uit den dieren-cyclus van den Physiologus bekend geweest zal zijn
(zie plaat II).
Het is de basiliscus, een monsterdier, dat op den zevenden dag uit een
door een haan gelegd ei voortgekomen, op de mesthoop werd uitgebroed. Hij is vergiftig en wordt de
koning der slangen genoemd, die doodelijk werkte op mensch en plant, die met hem in aanraking
kwamen. Zelfs de bloote aanblik van dit monster had den dood ten gevolge.[47]
Natuurlijk hebben de monniken, die den Physiologus uitwerkten den
basiliscus vereenzelvigd met satan en met de slang uit het Paradijs, die door verleiding van Eva
en Adam de zonde over het menschdom bracht. Daarnaast werd nog een zeer ingewikkeld verhaal van
een koningszoon bedacht, die het monster uit medelijden met de wereld ging bestrijden en de
verlosser der wereld „Jezus Christus” was.[48]
Als afschrikwekkend voorbeeld voor de geloovigen was dan ook de
basiliscus in de, in het begin van de 13e eeuw gebouwde Mariëngaarder kerk, zeker wel op zijn
plaats.[49] (p.
68)
De Physiologus deelt hem in bij de slangen met een lange staart, doch
overigens op een haan gelijkend.[50]
Eenigszins in verwijderd verband komt op den tegel nog een tweede dier
voor, verstrikt in de staart van het monster. Ofschoon ik niet zeker ben van de beteekenis van dit
kleinere dier zou dit de wezel kunnen verbeelden, die ofschoon het volksgeloof hem voor bang
houdt, toch wordt voorgesteld als een bestrijder van den basiliscus, die dezen speciaal in zijn
staart aanvalt.
Merkwaardig voor de Middeleeuwsche phantasie is ook de slang, die zich
opricht op den rug van den wezel en hem in de nek bijt, op gelijke wijze als dit het geval is bij
de Romaansche bronzen aquamaniles en kandelaren. Deze slang vormt bij deze voor den eeredienst
bestemde voorwerpen het handvat. 't Is niet duidelijk of den slang hier een afzonderlijk
gedrocht is, of wel dat ze een voortzetting vormt van de staart van den basiliscus.
nbsp; Een merkwaardig bewijs hoe populair de door den Physiologus bij elkaar gefabelde
natuurwetenschap eens is geweest en hoe taai dergelijke volkswijsheid zich door vele eeuwen heen
heeft kunnen handhaven vond ik in een paar volksprenten, in het Friesch „heiligen”
genaamd beide uit de eerste helft van de 19e eeuw. Op de ééne, een prent van den
Belgischen drukker Brepols te Turnhout betrekking hebbend op de Italiaansche bedevaartsplaats
Lorette[51] en getiteld: „Litanie tot
Onze Lieve Vrouwe van Lauretten” komt onder de vele religieuse symbolen ook nog een
getorende olifant voor, terwijl op de andere, een zgn. cents prent van een Hollandschen uitgever,
die nog aan onze grootouders in hun jeugd de gedaante der dieren van het heelal moest leeren een
zeer late nakomeling voorkomt van het monsterdier, dat ook onze Mariëngaarder monnik eens op
zijn tegel afbeeldde, hier verduidelijkt door het onderschrift: „Mijn naam is
Basilis”.
In mijn in de laatste beide hoofdstukken gehouden beschouwing (p. 69) wing heb ik als maker van de tegels aangewezen een Mariëngaarder
monnik. Inderdaad ben ik overtuigd, dat de tegels evengoed als de andere aldaar gevonden versierde
baksteenbouw fragmenten en evenzeer als de gewone kloostermoppen waarmee de gebouwen waren
opgetrokken ter plaatse gebakken zijn.[52] Ze
zijn wat de scherf betreft geheel identiek en de toepassing van de gele loodglazuur wijst in zijn
primitieve samenstelling en de bakfouten, zeker op locaal fabrikaat.
Dit sluit echter niet uit en ik houd het zelfs voor zeer waarschijnlijk,
dat de modellen waarmee de tegels gevormd zijn en die waarschijnlijk van hout geweest zullen zijn,
door een van buiten ingekomen mogelijk rondreizend kunstenaar zijn gemaakt.
Ook wat de plaats betreft, die de tegels in het klooster hebben
ingenomen, kunnen wij slechts oppervlakkige gissingen maken.
De olifant-tegels, die een eenigszins gebogen trapeziumvorm hebben,
kunnen een raam of deurnis hebben versierd; wat de tegel met den basiliscus betreft zou men aan
een fries kunnen denken.
Er is nog een vierde geel geglazuurde steen, van gelijk maaksel en
gelijke herkomst in het Friesch Museum aanwezig. Deze draagt het opschrift „de Cilva”,
dat blijkbaar op een volgenden steen vervolgd werd. Ik waag de gissing, dat op dezen tweeden steen
het woord „Nigra” gestaan heeft en dat het opschrift in de Mariëngaarder kerk
betrekking heeft op het nog onder het dorp Hallum bestaande gehucht „de Zwarte
Wouden”.
We zullen echter dit gebied der gissingen maar niet verder betreden, het
onderwerp zelf heeft ons al aanleiding genoeg gegeven ons in de phantasiën van lang vervlogen
eeuwen te verdiepen.
Naar ik hoop zullen een volgende maal andere uit den Frieschen bodem
voortgekomen kloosterfragmenten mij aanleiding geven voor soortgelijke cultuur historische
naspeuringen.
PLATEN
Plaat I. Reliefsteen gevonden bij de Lemmer. Altaar in S. Abondio bij
Como. Tympanon a.d. St. Michaelis kerk te Zwolle.
Plaat II. Zandsteenen kapiteeltje uit Stavoren. Tegels uit het klooster
Mariëngaarde nabij Hallum.
NOTEN
In druk verschenen als voetnoten, hier doorgenummerd naar eindnoten.
1) Mr. Boeles maakte er mij op attent, dat de vele
bronzenbeeldjes van Romeinsche Godheden (Mars, Mercurius, Apollo, Fortuna, Bacchus, Ceres) door de
Friezen vereenzelvigd zullen zijn geweest met hunne eigen Godheden. Mercurius was voor hen Wodan.
Hiernaast komt echter Mars als de speciale krijgsgod het meest voor.
2) Daargelaten de tegenstrijdigheid te dezen opzichte tusschen
de Kroniek van Emo en Menko eenerzijds en andere historische documenten anderzijds doel ik hier op
het practisch geheel ontbreken van oude tiendrechten in Friesland in tegenstelling met Zuidelijker
gelegen streken van ons land.
3) Vrije Fries, Dl. XX, bladz. 204 (met afbeelding).
4) Friesland tot de elfde eeuw, bladz. 236 Plaat XLVII.
5) Deze andere versierde zijde vertoont een ornamentaal
opgevat vier voetig dier, verstrikt in de kronkelingen van een slang, een versiering ook
voorkomende in vroeg-Christelijke Iersche manuscripten. Zie Nordische Altertumskunde von Dr.
Sophus Müller 1898, Dl. II, afb. 181-182. Zie ook de plaat tegenover bladz. 336 in Dr. Jan de
Vries' „De Vikingen in de lage landen bij de Zee”. Sterke verwantschap met het
dier op den Jellinge-steen vertoont de eveneens in vlak relief gebeeldhouwde steen gevonden op het
St. Pauls Kerkhof te Londen. Ook op dezen laatsten steen komt een Runen-opschrift voor, dat op
Deensche herkomst wijst. Hij wordt aan de 11e eeuw toegeschreven, zie plaat LVII in de
„Catalogue of the Collection of London antiquities in the Guildhall Museum
1908”.
6) Evangelie van Johannes XV : 5.
7) In de Catacomben te Rome komt een schildering uit de eerste
Christelijke eeuwen voor, waar in het midden de Christus is voorgesteld als de Goede Herder,
rondom omgeven door wijngaardranken, een voorstelling symbolisch zeker geheel gelijk aan die op
den Frieschen steen. Zie afbeelding i. d. Dictionnaire des Antiquités Chrétiennes
par M. l'Abbé Martigny s.v. vigne.
In San Costanza te Rome, de grafkerk van Konstantia, de in 354 gestorven
dochter van Keizer Constantinus, komt op een mozaïek, midden in een ornament van wijnranken,
een Psyche-buste voor, die er aan doet denken, dat de Christelijke voorstelling op Romeinsche
teruggaat. Zie Die Malerei des Mittelalters von M. Bernat aus Woltmann u. Woermann's
Geschichte der Malerei. Afb. 23.
8) Het band-, riem- en vlechtwerk-ornament wijst, zooals ik
hiervoor reeds opmerkte wel op een verwijderd stijlverband met de Jellinge-steen en andere
Noordsche en Iersche vlak-versieringen. De schrijvers nemen echter aan, dat het verband hier is
een gemeenschappelijke Germaansche oorsprong, waarnaar zoowel de Noordsche en Iersche alsook de
Longobardische ornamentiek teruggaat. Zie de brochure van den Baselschen professor E. A.
Stückelberg, getiteld „Longobardische Plastik” (1e uitgaaf 1896, 2e uitgaaf
1909), die ruim 130 afbeeldingen geeft van dit ornament, voorkomende op kerkelijke monumenten in
Noord-Italië, Zwitserland, Frankrijk en Duitschland. Het werk van den Berlijnschen Professor
Fr. Seesselberg „Die frühmittelalterliche Kunst der Germanischen Völker”
1897, waarin ook de Jellingesteen is afgebeeld, wees ook reeds op de Germaansche samenhang dezer
ornamentiek, doch het werk van den Hannoverschen professor Albrecht Haupt „Die Aelteste
Kunst insbesondere die Baukunst der Germanen von der Völkerwanderung bis zu Karl dem
groszen” (1e druk 1908, 2e druk 1923) geeft een duidelijk overzicht van het geheele
gebied.
9) Zie A Colasanti L'arte Bisantina in Italia pl. 80, welk
plaatwerk ook voor de algemeene verwantschap met de Longobardische kunst, vele voorbeelden
bevat.
10) Haupt, Die älteste Kunst der Germanen, afb.
55.
11) F. A. J. Vermeulen, Handboek t. d. Geschiedenis d.
Nederlandsche bouwkunst, Dl. I, bladz. 162 en 244, platen 47 en 48. Waar echter ten onrechte wordt
gezegd, dat de kapiteelen te Rinsumageest van marmer zijn.
12) Die Romanische Steinplastik in den Nördlichen
Niederlanden 1918, Bd. I, pag. 124-133, plaat XXVI.
13) Bauornamente der Romanischen und Gothischen Zeit von
Prof. C. Schaefer. Platen 21, 24 en 30.
14) Geschichte der Deutschen Kunst von Georg Dehio, Dl. I,
afb. 251/2.
15) Bulletin v. d. Oudheidkundigen Bond 1915 (afbeeldingen
op bladz. 26).
16) G. Dehio, Geschichte der Deutschen Kunst, Dl. I, afb.
417 en bladz. 182.
17) Bulletin van den Oudheidkundigen Bond 1915, bl.
154-190.
18) Aldaar bl. 188.
19) Tot gelijke gevolgtrekking komt Pater Ch. Cahier in een
artikel over de fantastische Romaansche beeldhouwwerken uit omstreeks 1200 in de Cathedraal te
Basel. Zie Nouveaux Mélanges d'Archéologie, Curiosités
mystérieuses afb. pag. 167 text pag. 176/7.
De schrijver knoopt zijne beschouwingen vast aan de in den Romaanschen
tijd geliefde voorstellingen van Abraham met de zielen in zijn schoot uit de gelijkenis van
Lazarus, een voorstelling, die zooals wij hiervoor zagen ook voorkomt op het tympanon te
Zwolle.
20) Zie Bauornamente der Romanischen und Gothischen Zeit
von Prof. C. Schaefer. Tafein 21, 26, 45, 51, 53, 65, 72 en 97.
21) Georg Dehio, - Geschichte der Deutschen Kunst, Dl. I,
blz. 123 - wijst er op dat rondreizende Lombardische beeldhouwers in de tweede helft van de 12e
eeuw den boven-Rijn langs tot aan Mainz Duitschland introkken om ter plaatse bij den kerkbouw te
werken.
22) Zie Architecture Romane du Midi de la France par Henry
Revoil, Tome I, pl. 26; II, pl. 44; III, pl. 18.
23) Zie L'Art Roman en France par Camille Martin. Pl.
10, 39, 41 en 63.
24) Zie Volkskunst von Robert Mielke, bladz. 34-36, afb. 8
en 9.
25) Zie Bauornamente der Romanischen und Gothischen Zeit
von Prof. C. Schaefer, plaat 59, kapiteelen in St. Elisabeth te Marburg.
26) Zie Die Holzarchitektur Hildesheims von Carl Lachner.
Afb. op bladz. 114.
27) Die Romanische Steinplastik in den Nördlichen
Niederlanden, Bd. I, bladz. 85-107, PI. XVI, 4 en XXIII, 3 en 4.
28) In bovengenoemd werk haalt Pater Ligtenberg op bladz.
103 Duitsche litteratuur aan, die de beïnvloeding van de Noord-Italiaansche kunst op Duitsch
Romaansche kerken aanwijst, speciaal van voorbeelden uit Como op Quedlinburg en Ferrara, Verona en
Modena op Köningslutter.
29) Zie P. F. Marcou, Album du Musée de Sculpture
Comparée (Palais du Trocadéro), plaat 54.
30) Zie voor de Fransche middeleeuwsche tegels vooral Emile
Aimé's Histoire des Carrelages emaillées (1859), voor de Duitsche en andere Dr.
R. Forrer's. Geschichte der Europäischen Fliesen-Keramik.
31) Prof. Dr. G. A. S. Snijder heeft een artikel over de
strijdolifanten in de klassieke wereld geschreven in het Bulletin van de Vereeniging tot
bevordering der kennis van de antieke beschaving. Jaarg. II. No. l (Juni 1927) naar aanleiding van
een tweetal uit Egypte afkomstige afbeeldingen daarvan in de collectie von Bissing in het Museum
Scheurleer te 's-Gravenhage. Een van deze afbeeldingen komt voor op een aan de 1e of 2e eeuw
na Chr. toegeschreven terra-cottastempel, dat - volgens de tegenwoordige opvatting - gediend heeft
als koek- of broodstempel. Een belangrijk gedeelte van de omvangrijke lectuur over dit onderwerp
is aanwezig in de Buma-bibliotheek alhier.
32) Zie: Jean Ebersolt, Oriënt et Occident. Recherches
sur les influences Byzantines et Orientales en France avant les Croisades, bladz. 49, 97/8, pl.
XXII, XXIII, en F. F. Leitschuh, Geschichte der Karolingischen Malerei, bladz. 424.
33) Zie: Henry René d'Allemagne.
Récréations et Passe-temps. Platen tegenover bladz. 26 en 40.
34) Zie Otto von Falke, Geschichte der Seidenweberei. Dl.
I, afb. 128 en 130, olifantstoffen uit Perzië; afb. 151, dito uit Oost-Iran: Dl. II, afb. 237
en 241 dito uit Byzantium; afb. 295 en 395 dito uit Italië.
Zie ook: Canonicus Dr. Fr. Bock, Geschichte der liturgischen Gewander des
Mittelalters Bd. II, tafel IX. Dalmatiek met gevleugelde zittende olifanten, uit de Dom te
Halberstad. 14e eeuw.
35) Zie: J. H. Hefner-Alteneck. Costumes. Oeuvres d'art
et ustensiles depuis le commencement du moyen-âge. Deel II, afb. 128.
36) Zie afb. bij Dr. Pierre Beaussart, L'église
bénédictine de La Charité-sur-Loire en bij Le P. Cahier, Nouveaux
mélanges d'archéologie. Curiosités Mystérieuses blz.
145-148.
37) Zie afb. Catalogue illustré officiel de
l'exposition rétrospective de L'art francais, no. 406. De kandelaars behoorden tot
de collectie Chabrières-Arlès.
38) Zie afb. 52 in Alfred Walcher-Molthein's Zur
Geschichte der Formmodel für Feingebäck und Zuckerwerk. Sonderdruck uit de
Belvédère.
39) Zie afb. 42 in Das Tier in der Kunst von R.
Piper.
40) Zie hiervoor het pas verschenen boek van Dr. Richard
Bernheimer, Die Romanische Tierplastik und die Ursprünge ihrer Motive, München 1931, en
de aldaar aangehaalde litteratuur speciaal van Cahier et Martin, Emil Male en Josef
Strzygowski.
41) Zie E. Mâle, l'Art religieux du XIIe
Siècle en France, fig. 189.
42) Vgl. het hiervoor genoemde Romaansche weefsel op den
Wartburg en het basrelief aan de kerk van La Charité-sur-Loire.
43) Behalve die te Mariengaarde kan ik wijzen op olifanten
o.a. in Romaansche kerk- en kloostergebouwen te Bari in Italië, te Vezeley,
Charité-sur-Loire en Caën in Frankrijk, te S. Urban in Zwitserland, te Andlau in den
Elzas.
44) Natuurlijk zij men voorzichtig bij het zoeken naar
speciale toepassingen der symboliek op de kerkelijke kunst. Dr. Pierre Beaussart geeft in zijn:
„L'église Bénédictine de La Charité-sur-Loire, Fille
Aînée de Cluny” een voorbeeld van de verschillende symbolieke opvattingen van
het achttal aan den Physiologus ontleende dierfiguren (waaronder de olifant en de basiliscus) aan
die uit de 2e helft der 12e eeuw dateerende kerk.
45) De in het Friesch Museum bewaarde narval-tand zou dus
ook uit een Middel-eeuwsche kerkschat afkomstig kunnen zijn, al is het natuurlijk evengoed
mogelijk, dat dit voorwerp uit een 16e-eeuwsch alchemistenlaboratorium, of een 17e of 18e-eeuwsche
apotheek afkomstig is, waar deze tanden toen evenals opgezette crocodillen en andere voorwerpen
van natuurlijke historie dienst deden als uithangborden der wetenschap.
46) Zie Emil Mâle, L'art réligieuse du
XIIe et du XIIIe siècle en France.
47) De basiliscus komt reeds bij Plinius voor en is in de
Westersche Physiologus-vertalingen overgenomen. Hij wordt herhaaldelijk in het oude testament
genoemd o. a. in de Spreuken van Salomon 23:32; bij Jesaia 11:18; 14:29; en 59:5 en bij Jeremaia
8:17.
Een afbeelding van het beest komt reeds voor in een Christelijke
voorstelling op een uit Belgisch-Limburg afkomstig ivoorsnijwerk, uit het laatst van de 8e eeuw.
Zie Pl. I in Adolph Goldschmidt, Die Elfenbein Skulpturen, Bd. I.
48) Cahier et Martin. Melanges d'Archéologie
vol. II, Hoofdstuk 34. Basile Coc. pag. 213-215.
49) De basiliscus komt o.a. ook voor op Romaansche
beeldhouwwerken uit Sorrento, Verona, Narbonne en Vezelay. Op het beroemde kapiteel in de laatste
plaats ziet hij zich zelf in een spiegel en gaat door de afschuwelijkheid van zijn eigen aanblik
te niet.
50) Cahier et Martin, Mélanges
d'Archéologie, vol. II, pag. 215: „basiliscum qui est serpens in omnibus sicut
gallus sed caudam longam serpentis habet”.
51) In deze bedevaartplaats die jaarlijks door meer dan
500.000 bedevaartgangers bezocht wordt, wordt het huisje, dat de Moeder Gods te Nazareth bewoond
zou hebben en dat daarheen reeds in de 13e eeuw op miraculeuze wijze zou zijn overgebracht,
bewaard. Zie Histoire de l'Imagerie populaire flamande par E. H. van Heurck et Dr. G. J.
Boekenoogen.
52) De 13e-eeuwsche kroniek van de abten van het Groninger
klooster Wittewierum, Emo en Menko, geeft ons over deze baksteenfabricage in veld-ovens uitvoerige
gegevens. Zie o.a. De Abdij Bloemhof te Wittewierum in de 13e eeuw door Aem. W. Wybrands.
© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries
Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke
toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.