Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: Fryslân 1;1 (1995), 13-16.

Een echte Rembrandt in Harlingen?

Yme Kuiper

De relatie van Neerlands beroemdste schilder met Friesland is bekend. Hij huwde tenslotte een Leeuwarder burgemeestersdochter, Saskia van Ulenburgh. Via haar raakte hij geparenteerd aan Wybrand de Geest. Bovendien publiceerde en verkocht zijn aangetrouwde Friese neef Hendrik UIenburgh de etsen van de meester. Rembrandt zal daarnaast veel bewonderaars in Friesland hebben gehad; bezitters van zijn werk wellicht nauwelijks, of toch...

Eind juni 1821. In de Voorstraat te Harlingen betreden op een vroege ochtend vier mannen een groot herenhuis. Enkele maanden daarvoor, om precies te zijn op 2 maart 1821, was de eigenaar ervan in zijn woning overleden. Het was de vrijgezel Gooitjen Stinstra (1763-1821), afkomstig uit een befaamde doopsgezinde Harlinger familie. Twee dagen had het kwartet nodig om alle zaken die zij in Gooitjen's sterfhuis aantroffen te noteren. Zij deden dat op verzoek van mr. Hendrik Jans Westra (1766-1831), directeur van de in- en uitgaande rechten en accijnzen van de provincie Groningen, oud-Harlinger en medeoprichter van de vrijmetselaarsloge aldaar. Westra was gehuwd met zijn stadgenote Eva Fontein (1773-1856), een achternicht van Gooitjen Stinstra en eveneens van doopsgezinde afkomst. In zijn in 1812 bij notaris Wyma gedeponeerde testament had Gooitjen zijn vriend Hendrik Westra tot erfgenaam in het vruchtgebruik van zijn nalatenschap aangewezen. Westra was ook aanwezig bij Gooitjen's overlijden en regelde zijn begrafenis, zoals blijkt uit zijn brieven aan Gooitjen's enige zuster, Isabella Stinstra (1760-1829), die in Amsterdam woonde. Zij was toen al weduwe van de zeer rijke Amsterdamse, doopsgezinde koopman Pieter de Clercq (1757-1805), en krachtens haar broers testament werd zij erfgename in de blote eigendom.

'Nederlandsche Meesters'

Gooitjen Stinstra was een rijk man geweest. Hij bezat huizen, boerderijen, grond en obligaties. Samen met de kostbaarheden uit het huis in de Voorstraat schatte men de waarde van zijn nalatenschap op ruim f. 120.000,-. Het grootste deel ervan had Gooitjen niet zelf verdiend, maar geërfd van zijn vader, dr. Simon Stinstra, evenals diens vader geneesheer te Harlingen, en vooral van zijn moeder Anna Braam. Deze Anna stamde uit een zeer gefortuneerd doopsgezind, Harlinger koopmans- en redersgeslacht. Nadat zijn beide ouders omstreeks 1780 waren overleden, woonde Gooitjen een tijdlang bij zijn zuster Isabella en zijn zwager Pieter de Glercq, raadslid van Amsterdam rond 1800 en een overtuigd patriot, in een fraai Amsterdams grachtenhuis. Hij schreef zich ook in als student in die stad, maar heeft zijn academische studie vermoedelijk nooit voltooid. Het ouderlijk huis in de Voorstraat in Harlingen verhuurden Gooitjen en Isabella in de jaren '80 en '90 aan Hans Willem baron van Plettenberg (1732-1800), burgemeester van Harlingen en een vertrouweling van stadhouder Willem V. Het huis daarnaast was trouwens ook hun eigendom en werd verhuurd aan de bekende schilders en kunsthandelaren, vader en zoon Henricus en Nicolaas Baur. In 1820 overleden zij kort na elkaar in dat huis. De schilderijencollectie van vader Henricus was het kostbaarste deel van hun vermogen. Voor de successiebelasting werd haar waarde op f.6.000,- geschat. In september van datzelfde jaar kwam deze collectie van "voorname Nederlandsche Meesters" onder de hamer op een in het "Huis met de Hoofden" gehouden veiling op de Keizersgracht te Amsterdam.

Prenten

Nu was het verzamelen van schilderijen ongetwijfeld de grootste esthetische passie van Gooitjen Stinstra. Juist in zijn Amsterdamse periode bevond hij zich in kringen waarbinnen collectievorming zeer en vogue was. Daarnaast was Gooitjen ook lid van de Amsterdamse tekenacademie. In tegenstelling tot zijn tante Baudine Stinstra, gehuwd met de Harlinger koopman Jelle Wildschut, zijn van Gooitjen geen tekenprestaties bewaard gebleven. Ook zijn vader, de al genoemde dr. Simon, bezat een schilderijencollectie, maar uit familiecorrespondentie weten we dat Gooitjen eveneens werken van oude meesters kocht. Vermoedelijk was Gooitjen in 1800 zelf in het Stinstra-huis aan de Voorstraat gaan wonen. Het ligt voor de hand dat hij voor de aankoop van schilderijen nauwe banden met de Baurs onderhield. In ieder geval had hij bij hun overlijden nog een schuld van f.500,- bij hen uitstaan. Toen in 1813 de bekende Haarlemse kunsthistoricus Adriaan van der Willigen aan de op dat moment belangrijkste Friese portrettist Willem Bartel van der Kooi vroeg om een opgave van in Friesland aanwezige verzamelingen van schilderijen, tekeningen of prenten, antwoordde deze: "... dat van de eerste mij haast niet genoeg van uitgebreidheid voorkomt om daarvan melding te maken, hoewel de kunstlievende Heer G.S. Stinstra te Harlingen (Buurman van den kunstschilder Baur) een kleine verzameling van schilderijen bezit, waaronder in de daad zeer schoone stukken zijn, doch van prenten bezit dezelve eene zeer groote verzameling." Afgaande op dit citaat (opgediept uit Cees Boschma's welbekende dissertatie over Van der Kooi), bezat Gooitjen's schilderijenkabinet toch al een zekere faam tijdens zijn leven. Van der Kooi was trouwens ook degene die van de familie de opdracht kreeg de schilderijen van Gooitjen te taxeren.

Lage taxatie

Zo lezen we in de "Memorie van aangave der nalatenschap van wijlen den Heer G.S. Stinstra te Harlingen" , uit september 1821, onder andere: 'Vijf en negentig stuks schilderijen door den heer W.B. van der Kooi, konstschilder te Leeuwarden, gewaardeerd op vierduizend negenhonderd vijf en vijftig Guldens." Een nogal laag uitgevallen taxatie, maar de verklaring daarvoor is natuurlijk dat die met het oog op de fiscus ook zo bescheiden mogelijk moest zijn. In de maanden daarvoor was er overleg geweest tussen de twee erfgenamen over het uitkopen bij de erfenis van Westra door Isabella. Ook zou Isabella dan alle gelden voorschieten ter voldoening van schulden, legaten en successierechten. Zo was Westra zelf door zijn vriend Gooitjen bedacht met een legaat van f. 20.000,-. Voor met name Isabella was het zaak de taxatie van haar broers nalatenschap zo laag mogelijk te houden. Nu waren de meubelen en huisraad van Gooitjen sober, terwijl zijn goud en zilver niet meer dan f. 500,- waard was; zijn schilderijen werden echter aanvankelijk op f. 15.000,- getaxeerd. "Er zijn in de 90 schilderijen, volgens opgaaf van de Heer van der Kooy, alle uitnemende stukken, zonder dat er zich eene enkele prul onder bevindt", schrijft weer een andere neef Stinstra in juni 1821 vanuit Franeker aan Isabella in Amsterdam. Diezelfde neef meent ook dat absoluut voorkomen moest worden dat de collectie onder rechterlijke dwang te Harlingen werd geveild, "een zeer schadelijke messure".

Veilingcatalogus

Om aan benodigde gelden te komen voor de afwikkeling van de nalatenschap vond die veiling uiteindelijk toch plaats - niet in Harlingen, maar in Amsterdam, en wel op 22 mei 1822. In dit nationale en internationale centrum voor de kunsthandel kon men immers een veel hogere opbrengst verwachten. De openbare verkoping van Gooitjen's schilderijen geschiedde in hetzelfde veilinghuis waar ook de collectie van vader Baur was verkocht. Zij werd geleid door toen heel bekende kunstmakelaars als Jeronimo de Vries (doopsgezind en van Friese komaf), E.M. Engelberts en C.S. Roos. Zij lieten vanzelfsprekend ook een veilingcatalogus drukken. In de stukken over de liquidatie van Gooitjen's nalatenschap lezen we dan: "Opbrengst der te Amsterdam verkochte schilderijen f. 7.801,42." Wie evenwel het voorblad van de veilingcatalogus bekijkt, stuit op een verrassing: "Catalogus van eene uitmuntende verzameling schilderijen door de beroemdste Nederlandsche Meesters: merendeels uitmakende het kabinet van wijlen den heer S.J. Stinstra van Harlingen." S.J. Stinstra en niet G.S. Stinstra. Inzoverre dat viel na te gaan had in de familie alleen Gooitjen's betovergrootvader - Simon Johannes Stinstra (1673-1743) - de initialen SJ. Een doelbewuste mystificatie of toch simpelweg een drukfout? Ook de woorden "merendeels uitmaakende" verdienen onze aandacht. Gooitjen's verzameling, zo bleek uit de memorie van successie (èn uit de boedelinventarisatie!), telde bijna honderd schilderijen, in de catalogus werden evenwel ruim tweehonderd stukken ter veiling aangeboden. Meer dan de helft stamde niet uit Gooitjen's nalatenschap. Nu is het mogelijk dat men schilderijen afkomstig van andere Stinstra's toegevoegd had aan de verkoping, maar heel erg waarschijnlijk is dat niet. Ook bij de veiling van de collectie Baur komen we een vergelijkbare formulering tegen: "merendeels nagelaten door wijlen den Heere H.A. Bauer. in leven kunstschilder te Harlingen". Onderzoekers die met oude veilingcatalogi werken moeten op hun hoede zijn voor de praktijken van veilingmeesters die 'speelden' met de herkomst van door hun aangeboden stukken. Zo heb ik zelf enige tijd gedacht dat het meest aangeprezen schilderij op de veiling in mei 1822 - "vertoont de stad Delft, aan de Schie" - van de hand van 'Van der Meer (de Delftsche)" ooit aan de Voorstraat in Harlingen te bewonderen is geweest. Maar het blijkt niet waar te zijn. Helaas.

Oude meesters

Laten we nog eens de veilingcatalogus gaan vergelijken met de boedelinventarisatie van notaris Wyma c.s. De catalogus biedt veel informatie over wat op de schilderijen te zien valt, de kalere boedelinventaris daarentegen geeft aan wat ooit echt bij Gooitjen aan de wand prijkte. Al bezat Gooitjen geen Ferdinand Bol, Frans Hals, Meindert Hobbema, Gerard Honthorst of een Johannes Vermeer - allemaal genoemd in de veilingcatalogus -, hij was wel de trotse eigenaar van onder andere vele Bau(e)rs, een Albert Cuyp, twee Govert Flinks, twee Jan van Goyens, een Van der Helst, een Hondecoeter, twee Pieter de Hooghs, een Aert van der Neer, een Salomon Ruysdael, een Jan Steen, én een Rembrandt. Maar ook omstreeks 1800 waren er al vele kopieën van oude meesters in omloop. Zo vermeldt onze catalogus bijvoorbeeld schilderijen van "Terburg, G. of in deszelfs manier" en "Rubbens (P.P.) of uit deszelfs school"; het laatstgenoemde schilderij bevond zich in Gooitjen's collectie. Met andere woorden, van de hiervoor genoemde meesterwerken uit zijn verzameling staat zeker niet vast of ze wel echt door die meesters gemaakt waren. Daarvoor is veel meer onderzoek nodig, met name naar de herkomstgeschiedenis.

Rembrandt

Gezien de grote sanering die het afgelopen decennium heeft plaatsgevonden door een team van Rembrandt-specialisten in het bestand van de zogeheten echt door Rembrandt zelf gemaakte schilderijen, leek de kans vrij groot dat ook Gooitjen's Rembrandt buiten dit bestand zou vallen. De vraag die daaraan voorafgaat is natuurlijk die naar de huidige verblijfplaats van dit schilderij. In de boedelinventaris staat niet meer dan:
 
"Nummer 1 [!] Rembrandt. Een oude vrouwsportret".
 
Dit gegeven geeft geen enkel aanknopingspunt voor een mogelijke vindplaats; Rembrandt schilderde immers talloze oude vrouwen. Bemoedigender is de volgende opmerking in een brief van vermoedelijk Joannes Stinstra aan zijn nicht Isabella: "Er is een Pourtrait van Rembrand, hetwelk UwEd. broeder meer dan f. 1.400,- moet gekost hebben." Dat is een flinke prijs en wijst erop dat het schilderij niet direct in de categorie 'kopie' of 'school van Rembrandt' geplaatst hoeft te worden. Pakken we de veilingcatalogus er weer bij, dan is daarin aangetekend dat deze Rembrandt gekocht is door veilingmeester Engelberts voor f. 435,-. Een aardige prijs, daar niet van, maar een landschap van Dujardin, ook uit Gooitjen's bezit, bracht f. 1000,- op en zijn Wouwerman, met natuurlijk wat paarden daarop, f. 310,-. Zelfs een kopie van Rembrandt's befaamde anatomische les door Nicolaas Tulp, gemaakt door de Haarlemmer Wybrand Hendriks, bracht nog f. 75,- op. De belangrijkste informatie die de catalogus biedt, zo zal aanstonds blijken, was echter de omschrijving van het schilderij en zijn maten. Daarover staat het volgende vermeld: "Rembrandt, hoog 7 palmen l duim, breed 5 palmen 5 duimen. Paneel. No. 144. Het portrait van eene bejaarde Vrouw, in deftige kleeding, met breede kraag, houdende de hand op een baluster die met rood fluweel gedekt is. De voorstelling is fraai, de schildering allervoortreffelijkst en van den besten tijd van dezen onnavolgbaren meester." De laatste zin riekt naar verkopersproza.

Afb. 1. Aletta Adriaensdr..
Rembrandt: Portret van Aletta Adriaensdr (Fotodienst R.U. Groningen / coll. Museum Boymans-van Beuningen, Rotterdam)

Aletta Adriaensdochter

Toch was deze omschrijving specifiek genoeg om eens een poging te wagen het schilderij terug te vinden in het standaardwerk Rembrandt Paintings van Horst Gerson uit 1969. En warempel, nr. 193 van Gersons inventarisatie: een portret van een oudere vrouw met een zeer brede kraag, geschilderd op een paneel met de maten 65,5 cm hoog en 55,5 cm, lijkt heel aardig in de richting te komen. De geportretteerde is Aletta Adriaensdr (1589-1656), de tweede echtgenote van de aanvankelijk in Dordrecht en later te Amsterdam woonachtige handelaar in ijzer, wapenen en geschut, Elias Trip (1570- 1636), een zwager van de bekende koopman in dezelfde branche, Louis de Geer. Na Elias' dood zette weduwe Aletta de zaken van haar man voort. Het schilderij werd in 1940, tesamen met een Metsu en een Terborch, voor f.210.000,- gekocht door de Rotterdamse reder Willem van der Vorm van de kunsthandelaar D. Katz. Thans maakt het deel uit van de vaste collectie van het museum Boymans - Van Beuningen. In de 19de eeuw had Aletta generaties lang gehangen op Doughty House van de familie Cook te Richmond in Engeland. Sir Francis Cook kocht het schilderij in het twee- de kwart van de 19de eeuw uit de collectie van Thomas Emmerson, een bekende verzamelaar (zo niet handelaar) in oude Hollandse meesters. Deze heel beknopt gehouden herkomstgeschiedenis ontlenen we aan een aantal gerenommeerde naslagwerken. Bekend is dat Emmerson contacten had met de Amsterdamse kunsthandel. Aannemelijk is dan dat hij het portret van Aletta, oftewel 'Gooitjen's Rembrandt', kocht van Engelberts, maar geheel zeker weten doen we dit (nog) niet.

Beknotte balustrade

Volgens het Rembrandt Research Project in 1989, in zijn A corpus of Rembrandt paintings (deel III, nr. A 132) is het portret van Aletta Adriaensdr. zeker een echte Rembrandt. Niet alleen op stilistische en verftechnische gronden kwam men tot dit oordeel. Het paneel met Aletta bleek namelijk ook uit dezelfde boomstam te zijn gezaagd als nog drie andere door Rembrandt omstreeks 1640 gemaakte schilderijen. Wel verkeerde en verkeert het schilderij niet in erg goede staat. Knap speurwerk van de Amsterdamse archivaris mej. dr I.H. van Eeghen had in 1956 aangetoond dat ook Aletta's dochter, Maria Trip, in hetzelfde jaar als haar moeder, namelijk 1639, door Rembrandt was geportretteerd. Hofstede de Groot had trouwens al in 1915 in het bewuste oude vrouwsportret van Rembrandt Aletta Adriaensdr. herkend. Dat kon ook gemakkelijk, omdat er zich in de Ahnengalerie van de familie Laman Trip nog een l7de-eeuwse kopie bevond. Wel was die kopie 5 cm hoger en l cm minder breed dan het origineel (nogmaals: 65,5 cm x 55,5 cm), namelijk 70,5 cm en 54,5 cm. Ter vergelijking noemen we hier nog eens de maten van Gooitjen's Rembrandt, maar nu in centimeters: 72,5 cm hoog en 62,5 cm breed. Deze opgaven van afwijkende maten, die onderling 7 a 8 cm verschillen, moeten ons niet van de wijs brengen. Zoals uit het onderzoek van het Rembrandt Research Project blijkt is het origineel van Boymans -Van Beuningen ooit eens ingekort aan met name de onderkant. De hier afgedrukte afbeelding van dit origineel laat zien dat Aletta's linkerhand op 'iets' rust. Maar wat mag dat 'iets' wel zijn? De beschrijvingen in onze naslagwerken spreken steeds over een rood kleed dat vermoedelijk op een tafel ligt. Maar zeker zijn de onderzoekers daar niet van, temeer omdat ook duidelijk is gebleken dat er steeds met die hand en het voorwerp waarop hij ligt geknoeid is. Een tijdlang was die hand er ook niet meer, en pas bij een vrij recente restauratie is hij hersteld. Lezen we dan nog weer eens de catalogusomschrijving van Gooitjen's Rembrandt (alias Gooitjen's Aletta Adriaendr.), dan zien we dat daar niet sprake is van een tafel met een rood kleed, maar van "een baluster [een balustrade] die met rood fluweel gedekt is". Het kan haast niet anders of de Aletta van Gooitjen, met haar hoogte-formaat van 72,5 cm, was het portret met haar oorspronkelijke afmetingen. Nadien zal het zijn bijgesneden; de balustrade verdween en men ging speculeren over een tafel. Juist ook weer omstreeks 1640 experimenteerde Rembrandt op menig portret met handen die ergens op rustten, onder andere op balustrades. Dat geldt bijvoorbeeld voor zijn befaamde, door Titiaan geïnspireerde, zelfportret uit 1640 dat thans in de National Gallery te Londen hangt.

De geest uit de fles?

Kan het nog zijn dat de kopie in de collectie Laman Trip eens eigendom was van Gooitjen Stinstra? Om daar achter te komen reisde ik onlangs met een bekend Fries historicus af naar een winderige plaats in Noord-Holland. Meer dan een eeuw geleden stond hier een op mystificaties verzotte Friese predikant op de kansel. Jonkheer Laman Trip, een krasse tachtiger, ontving ons hartelijk in zijn met familieportretten volgehangen rijtjeshuis. Met behulp van fraaie genealogische schema's kon hij ons weldra overtuigen dat het kopieportret van zijn voormoeder Aletta Adriaensdr. - "Wat zal ik zeggen, heren, misschien is het toch wel een echte Rembrandt" - reeds eeuwen in de familie was. Een Laman Trip in Groningen was namelijk al in de achttiende eeuw in het bezit van een groot deel van de familieportretten die ons vanaf de wanden aanstaarden. Op de terugweg naar huis reden we langs Gooitjen's Harlingen en ik dacht: Kan men een persoon herkennen aan zijn collectie schilderijen? Merkwaardig, de doopsgezinde Gooitjen en zijn Rembrandt met een in wapens handelende weduwe. En opeens herinnerde ik me uit de familiearchivalia nog iets anders van Gooitjen. In 1810 had zijn neef dr. Gooitjen Stinstra (1772-1813), arts te Harlingen, een verklaring opgesteld waarin onze Gooitjen zwakke geestelijke vermogens werden toegeschreven, met daarnaast een "een choleriek en prikkelbaar gestel", niet in het minst veroorzaakt door het misbruik van wijn en sterke drank. Het was de bedoeling dat Gooitjen onder curatele werd gesteld. Maar zover kwam het niet. Hoe zag Gooitjen er trouwens uit? Onder de uitgaven bij de afwikkeling van zijn nalatenschap kwam ik nog een schuld tegen aan Willem Bartel van der Kooi van f. 252,20. Een wel erg hoog bedrag voor bewezen taxatiediensten. Zou Van der Kooi dan toch ook niet Gooitjen zelf hebben geportretteerd? In de collectie van het Iconographisch Bureau in Den Haag bevindt zich een fiche met de naam Gooitjen Stinstra erop, maar het is niet duidelijk of het om hem of om zijn neef de geneesheer gaat. De verblijfplaats van het portret is evenmin bekend. Thuisgekomen wil ik toch nog eens nazien of er niet een portret van Gooitjen zelf genoemd wordt in de boedelinventaris van notaris Wyma. Ik vind het niet. Wel de volgende koele registratie: "In de kelder. Honderd zeventig vlessen met moeselwijn. Eenentwintig vlessen muscadellewijn, agttien vlessen Rhijnsche wijn." De schilderijen werden op een schip gezet, richting Amsterdam, zoals uit het voorgaande blijkt. Maar of de flessen wijn naar huize Westra in Groningen gingen, dat is maar de vraag.

 

* Daan de Clercq (Universiteit van Amsterdam) was zo vriendelijk mij een aantal gegevens voor mijn verhaal over Gooitjen Stinstra te leveren. Een geannoteerde beschouwing van mijn hand over de kunstcollecties van de Stinstra's verschijnt tezijnertijd in de Holland/Friesland-bundel onder redactie van Ph.H. Breuker en A. Janse. In een komend nummer van Oud Holland publiceer ik, tezamen met Ben Broos (Mauritshuis) en Daan de Clercq, 'Het Gezicht op Delft en het Stinstra-mysterie'.


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer