Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: Fryslân 10;3 (2004), 3-11.

"Het moet en daarom kan het!"

Leendert Plaisier *

Afbeelding 1. Straatnaambord Siebe Schootstraat.

De Siebe Schootstrastraat - een wat stille straat in de Leeuwarder Vrijheidswijk. Een blauw bord aan de muur van het eerste huis in de straat verklaart kort wie de man was, naar wie de straat genoemd is. Heel kort, want verder dan een verwijzing naar zijn activiteiten in de oorlog gaat het bord niet. Dat doet de man tekort. Want zijn verzetswerk rechtvaardigt dit straatnaambord - maar er was meer. Veel meer.

Siebe Schootstra werd op 17 november 1906 in Joure geboren als tweede zoon van Albert Schootstra en Feikje Haytema. Vader Schootstra, van origine reizend uurwerkmaker, legde zich toe op het maken van fietsen. Eenvoudig begonnen met het repareren van mankementen en vervaardigen van onderdelen, volgde al snel de bouw van frames en de verkoop van complete fietsen. De Stichting 'De Oude Fiets' geeft 1908 als het jaar van oprichting van zijn bedrijf. In 1914 vertrok de familie naar Leeuwarden. Het bevolkingsregister vermeldt 'rijwielbedrijf' als beroep van vader Schootstra, later gewijzigd in 'rijwielfabrikant' met als adres van de fabriek: Zuidergrachtswal 19. De familie zelf verhuisde nogal eens. Ze woonden achtereenvolgens in de Baljeestraat, de Spoorstraat, aan de Grachtswal, in de Goudenregenstraat en tenslotte in de Vredeman de Vriesstraat op nummer 33.

Bloeiend bedrijf

De eerste modellen, waarvan bekend is dat ze in Schootstra's fabriek geproduceerd werden, verschenen begin jaren '20 onder de naam Famous: 'The Famous Cycle'. Vanaf 1928 bracht Schootstra fietsen met de naam Phoenix op de markt. De merknaam Phoenix was echter veel ouder en duikt al in 1896 op als de Phoenix Rijwielenfabriek Harmsen en Nieuwenhuis aan de Parallelweg in Heerenveen. Een goed draaiend bedrijf dat in 1899 de fietsenfabriek van Zanstra en Overdiep overnam. Naast rijwielen werd in advertenties ook geregeld het emailleren en vernikkelen van huishoudelijke artikelen aangeboden. In 1917 ontstonden er ernstige problemen, hoogstwaarschijnlijk op het financiële vlak want de directeur en de boekhouder werden geschorst. Enkele maanden later ging de fabriek over de kop. Andries Gaastra van Batavus kocht de failliete boedel op en liquideerde de fabriek. Een deel van de inventaris en de machines deed hij over aan de Union fietsenfabriek in Dedemsvaart. De fabrieksgebouwen nam Gaastra in gebruik voor zijn eigen Batavusfabriek en het merk Phoenix verkocht hij in 1918 aan Schootstra in Leeuwarden.

Zoon Siebe ging na de lagere school eerst naar de HBS en vervolgens naar de MTS. Hij werd uitgeloot voor militaire dienst en vertrok begin 1927 naar Delft voor een opleiding tot ingenieur. In september van dat jaar was hij echter al weer terug in Leeuwarden. Door ziekte van vader Schootstra was Siebe's hulp bij de leiding van de fabriek noodzakelijk. Zodoende leerde Siebe het vak in de praktijk. Hij was veel op pad met de vertegenwoordigers en bouwde op die manier een groot netwerk op. Maar hij werkte ook vaak in de fabriek; de techniek bleef hem zijn hele leven boeien. Zijn afgebroken studie pakte hij later niet meer op. Siebe trad 20 december 1929 in het huwelijk met Elske de Zwart. Het paar vestigde zich in de Ferdinand Bolstraat in Huizum en kreeg vier kinderen.

Afbeelding 2.
De op 20 juli 1942 ontvangen Duitse mededeling van inbeslagname der voorraad.

Oorlog

Op 10 mei 1940 breekt de oorlog uit en bezetten Duitse troepen Nederland. Siebe was toen 33 jaar. Hoewel de Schootstra's zelf "pûr lilk" zijn over de Duitse inval pasten zij zich, zoals zo velen de eerste tijd, aan aan de omstandigheden. De fabriek bleef draaien en in het begin van de oorlog verkocht Phoenix rijwielen aan de Wehrmacht, zo meldt Ype Schaaf in zijn boek Laarzen op de Lange Pijp. In 1941 trad Schootstra toe tot het hoofdbestuur van de afdeling Rijwielen van de RAI. Daarnaast was hij bestuurslid van het Verbond van Protestants Christelijke Werkgevers. Omstreeks die tijd (1941) ontstond het eerste contact met het verzet. Aanvankelijk hield dat niet veel meer in dan kleine bijeenkomsten binnen het kader van de Anti Revolutionaire Partij (ARP) in Leeuwarden. Men besprak Duitse maatregelen en riep elkaar op waakzaam te zijn. Daarna verschenen er af en toe illegale kranten en gestolen bonkaarten, die via de fabriek aan de Zuidergrachtswal over de provincie werden verspreid. In de fabriek zelf vervaardigde en onderhield men fietsen voor koeriers en koeriersters, sommige fietsen werden van geheime vakjes voorzien. Waar mogelijk probeerde men het de Duitse bezetter lastig te maken: onderdelen voor Duitse fietsen blijken 'plotseling' niet meer voorradig en als men die onderdelen heeft besteld raken de bestellingen op onverklaarbare wijze zoek. Wellicht dat de Duitsers deze vorm van stil verzet in de gaten hadden, want op 20 juli 1942 ontving de Phoenixdirectie een telegram uit Den Haag waarin hen de "Beschlagnahme saemtliche Vorraete an Fahrradern und Fahrradteilen" werd meegedeeld. Veel gevolgen had dit echter niet. Het bedrijf bleef gewoon actief en pas in het laatst van 1944 werden delen van de voorraad en machines weggehaald. De Schootstra's hadden zowel zakelijk als privé nogal wat Joodse kennissen voor wie de situatie gaandeweg de oorlog steeds bedreigender werd. Na de oorlog heeft Schootstra bij één gelegenheid gewag gemaakt van hulp die de familie had geboden bij het laten onderduiken van Joden. Het uitgebreide netwerk dat dankzij de fietsenhandel was opgebouwd zal daarbij goede diensten bewezen hebben. Al met al was Siebe Schootstra in het begin van 1943 al aardig ingevoerd in Friese verzetskringen. Als Wijbenga in zijn standaardwerk Bezettingstijd in Friesland (II-pag.31) Schootstra voor het eerst noemt, doet hij dat met de aanvulling: "... die van vrijwel alle Friese verzetsorganisaties op de hoogte was …"

Afbeelding 3.
Vervalst identiteitsbewijs van het PEB voor Schootstra, alias Fokke de Jong.

Verzet

Begin 1943 werd Schootstra benaderd om toe te treden tot het Nationaal Comité (NC), een landelijk al actieve overkoepelende instelling die de krachten van de tot dan toe erg versnipperd opererende verzetsorganisaties beoogt te bundelen en hun activiteiten tracht te coördineren. Men was bezig contacten te leggen in de provincies en Schootstra - met zijn grote netwerk in Friesland en zijn landelijke contacten in de RAI - kon in dat werk zeer waardevol zijn. In april vond in het kantoor van de fietsenfabriek de eerste vergadering van de Friese afdeling van het NC plaats. Aanwezig waren vertegenwoordigers van allerlei geledingen van het verzet: de Landelijke Organisatie voor hulp aan onderduikers (LO), de Knokploegen (KP - het gewapende verzet), de illegale pers en het Nationale Steunfonds (NSF) dat hulp bood aan degenen die om wat voor reden dan ook alleen waren komen te staan en geen of onvoldoende inkomsten meer hadden. Vanwege de gunstige ligging, een beetje achteraf, geen overburen en met verschillende vluchtroutes naar de zijstraten, bleef de fietsenfabriek aan de Zuidergrachtswal lange tijd de locatie waar het NC bijeenkwam. Vanaf medio 1943 trad Schootstra op als voorzitter. De NC-leden kregen weet van talloze verzetsactiviteiten: falsificaties van bonnen en persoonsbewijzen, het verschaffen van onderdak aan onderduikers, de illegale pers, van wapens en de plaatsen waar ze verborgen waren. Geldstromen binnen het verzet gingen via het NC en er ontstond een netwerk van landelijke contacten. Aan het verzet kleefden talloze risico's, want behalve verraad dat overal op de loer lag, bleken er ook veel verlokkingen te zijn. Er ging veel geld om binnen het verzet en iemand die bonnen, met name tabaksbonnen in handen had, bezat roversgoed. De verleiding om geld en bonnen ten eigen bate te gebruiken kon groot zijn en het NC besloot een drie leden tellende Ereraad in te stellen. Bij deze Raad konden klachten over of verdenkingen tegen mogelijk misbruik door verzetslieden behandeld worden. Schootstra was een van de drie leden. Na de oorlog verklaarde hij dat de Ereraad slechts één zaak in behandeling had hoeven te nemen.

Onderduikers

In de zomer van 1944 kregen de Duitsers in Amsterdam de dochter van de Leeuwarder verzetsman en Fries topman van het NSF Jan Evenhuis te pakken. Zij was als koerierster actief in het verzet. Evenhuis schrok hier behoorlijk van en ging met een grote som geld naar Amsterdam. Hij veronderstelde dat hij zijn dochter wel vrij kon kopen. Dat mislukte en de Duitsers, argwanend bij het zien van zo veel geld, arresteerden Evenhuis ook. Toen zijn arrestatie in Leeuwarden bekend werd, besloot men de NSF-administratie, met talloze namen van ondersteunden, geldgevers en tussenpersonen, te verstoppen. De gehele administratie werd opgehaald en van de douaneloods op het stationsemplacement overgebracht naar Tamminga's kaaspakhuis aan de Schrans. Daar lagen echter ook veel andere materialen opgeslagen waaronder zelfs wapens van de KP. Een risicovolle onderneming, zoveel belangrijk materiaal op één plaats, waarover waarschijnlijk geen overleg was geweest met Schootstra en de rest van het NC-bestuur. Het risico werd nog groter toen in Leeuwarden op hetzelfde moment een jonge KP'er in Duitse handen viel. Schootstra twijfelde over wat de jongeman allemaal wist en besloot de opslag in het kaaspakhuis te ontruimen. Het was echter al te laat: de jonge KP'er sloeg na bruut mishandeld te zijn door en de Duitsers vonden de wapens en de NSF-administratie. De bezetter geraakte aanvankelijk maar moeilijk wegwijs in de enorme hoeveelheid gegevens. Hoewel er nog geen acuut gevaar was, achtte Schootstra het verstandig met zijn gezin onder te duiken. Ze kregen valse persoonsbewijzen op naam van Fokke de Jong, monteur bij het toenmalige Provinciaal Elektriciteits Bedrijf (PEB) en Elske de Jong-de Zwart. Mevrouw Schootstra en de kinderen vertrokken naar het vakantiehuisje 'Natuurzicht', gelegen aan de Folkertssloot in Eernewoude. Het najaar van 1944 was erg nat en het water stond geregeld tot aan de drempel van de voordeur van het huisje. Midden december waren de omstandigheden zo bar dat verder verblijf onmogelijk werd. Het gezin vertrok en vond onderdak in Sneek: mevrouw Schootstra met de beide jongste kinderen bij familie op het Hoogend 10, de twee oudste kinderen in het naastliggende huis Hoogend 12. Schootstra zelf bleef vooreerst in Leeuwarden en zag kans zijn verzetswerk grotendeels te blijven doen. Hij had onderduikadressen in de Maria Louisastraat en bij bakker De Jong in de Schrans.

Meterkast

Gevaar ontstond er wel toen broer Rients Schootstra, die ook actief in het verzet was, met zijn vrouw gearresteerd werd op - terechte - verdenking van betrokkenheid bij een illegale zender. Vanuit de gevangenis liet hij Siebe weten dat de Duitsers inmiddels sporen hadden die in zijn richting wezen. Daarop besloot Siebe Leeuwarden te verlaten en in Sneek onder te duiken. Hij droeg zijn werkzaamheden over en er werd afgesproken geen contact meer te hebben, om zodoende de risico's zoveel mogelijk te beperken. Toch achterhaalde het noodlot Schootstra nog bijna. Op 29 december was er in Tijnje een bijeenkomst over de toekomst van het NSF na de oorlog - een zaak die Schootstra na aan het hart lag. Hij was, ondanks de afspraak geen contact meer te hebben, uitgenodigd en ging er op de fiets naartoe. Onderweg bekroop hem een onheilspellend gevoel. Hij stapte af, overdacht de situatie en besloot niet verder te gaan. Hij reed naar terug naar Sneek en stak even aan bij zijn vrouw op haar onderduikadres. Amper was hij daar of Duitsers vielen het huis binnen. Met grote tegenwoordigheid van geest dook Schootstra de meterkast in, 'deed' daar het een en ander om vervolgens omstandig tegen 'mevrouw De Jong' te roepen dat het probleem verholpen was. En-passant legitimeerde hij zich bij de Duitsers als PEB-monteur - en vertrok. Toen de Duitsers met lege handen vertrokken, verliet Mevrouw Schootstra met de twee kinderen het huis en ging naar het buurpand waar haar andere kinderen waren. Nauwelijks binnen zag ze dat de Duitsers weer terugkeerden en het nu verlaten huis nog eens grondig doorzochten. Nieuwsgierige omstanders hoorden duidelijk dat ze op zoek waren naar "Sjootstra". Later bleek dat de Duitsers op hetzelfde moment de bijeenkomst in Tijnje waren binnengevallen waarbij enkele verzetsmannen gevangen werden genomen. Een wel heel merkwaardig toeval maar later onderzoek bracht geen sporen van verraad aan het licht. Vanaf dat moment liet Schootstra het verzetswerk helemaal aan zich voorbijgaan. Het was duidelijk dat de Duitsers hem op het spoor waren. Broer Rients en zijn vrouw werden op 8 december 1944 bij de beroemde 'kraak' van de Leeuwarder strafgevangenis bevrijd.

Ereraad der illegaliteit

Zoals zoveel verzetsmensen sprak Schootstra later weinig over de oorlog en zijn rol in het verzet. Niet in de familiekring en niet in het openbaar. Slechts éénmaal liet hij zich daartoe verleiden. In het najaar van 1965 hield hij voor de Leeuwarder Rotary een voordracht. Het grootste deel van zijn verhaal ging over het werk van de Stichting Friesland 1940-1945, maar vanzelfsprekend kwamen ook zijn oorlogsherinneringen ter sprake. Dat viel hem achteraf zwaar; het beklemde hem en hij had er nachtmerries van.

Na de bevrijding werd de Grote Adviescommissie voor de Illegaliteit (GAC) opgericht waarvoor in 1944 in Londen door de Nederlandse regering in ballingschap al een aanzet was gegeven. Deze commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van zo'n 40 verzetsorganisaties en afgevaardigden per provincie, moest de overheid adviseren bij het 'afwikkelen' van de illegaliteit. Schootstra nam als vertegenwoordiger van de provincie Friesland zitting in de GAC. De problemen waarvoor de GAC zich geplaatst zag waren legio. Zo werd de Nederlandse justitie al kort na de oorlog geconfronteerd met moeilijke, soms ook zeer gevoelige zaken. Mensen uit de illegaliteit die tijdens de oorlog, vaak met de beste bedoelingen, soms onder zware pressie, dingen gedaan hadden waarvoor ze zich achteraf moesten verantwoorden. Maar hoe dat strafrechtelijk te beoordelen? De regering besloot op advies van het GAC na lang wikken en wegen een landelijke ereraad in het leven te roepen die in dergelijke gevallen de rechterlijke macht van advies moest dienen. Op 2 juli 1946 werd deze Ereraad der Illegaliteit ingesteld met Schootstra als een van de vijf (later zeven) leden. Ook op provinciaal niveau was Schootstra betrokken bij een ereraad. Op voordracht van Gedeputeerde Staten van Friesland werd hij toegevoegd aan de raad die de handel en wandel van het bestuur van de Fryske Akademy gedurende de oorlog moest beoordelen.

Afbeelding 4.
De ARP-fractie in de Leeuwarder gemeenteraad (1949-1953). Staand v.l.n.r G. de Jong, Wijtgaard, D. Witteveen, K. de Jong en W.M. de Jong. Zittend v.l.n.r. S. Schootstra, Mr. J. v.d. Schaaf, J. Wiersma.

Stadsbestuur

Kort na de bevrijding van Leeuwarden op 15 april 1945 keerde het gezin Schootstra weer naar huis. Op 13 mei 1945 trok een lang bevrijdingsdefilé door de stad en behoorde Schootstra tot degenen die op het bordes van de Beurs het defilé afnamen. In november trad hij namens de ARP toe tot de Noodraad, de tijdelijke gemeenteraad. In 1946 vonden de eerste na-oorlogse gemeenteraadsverkiezingen plaats en Schootstra was een van de zes leden van de ARP-fractie. In 1949 volgden er nieuwe verkiezingen. De ARP won een zetel en Schootstra werd herkozen. Het was een cruciale tijd voor Leeuwarden. Er moest veel achterstand ingelopen worden, vooral in de woningbouw en er moest naar de toekomst gekeken worden. Besluiten uit die jaren zouden bepalen langs welke lijnen Leeuwarden zich de volgende decennia ging ontwikkelen. En er wérden grote besluiten genomen: krotopruiming, stadsuitbreiding in nieuwe wijken, onderwijs, bejaardenhuisvesting, nieuwe industrieterreinen, de wegenstructuur en de aanleg van de rondweg, de stadsdienst, de bouw van de Frieslandhal.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1953 was Schootstra lijsttrekker. De verkiezingsfolder prees hem aan: "Als fabrikant is hij ten nauwste betrokken bij problemen als industrialisatie, werkverruiming, woningbouw e.d. Het is bekend dat hij sterk gevoelt voor een nauw contact tussen het gemeentebestuur en het bedrijfsleven." En verderop in de folder "Het is niet teveel gezegd, wanneer we de Heer Schootstra typeren als een eenvoudig en tevens populair man, een sociaal-voelend en tevens leiding-gevend mens, als een partijman doch geen partijdig man. Kortom, de aangewezen figuur voor lijsttrekker." Bij de verkiezingen kreeg de ARP zes zetels in de raad - één verlies - maar trad toch toe tot het College. Opvallend was dat niet Schootstra wethouder werd maar Mr. J. van der Schaaf, de nummer drie op de lijst. Iemand die Schootstra in de gemeenteraad heeft meegemaakt, herinnert hem zich als een vriendelijke, innemende man. Een goed en prettig spreker. Niet een groot redenaar, maar iemand die in staat was helder en doeltreffend te formuleren en daarbij niet wars was van een kwinkslag. Uiteraard richtte hij zich als ondernemer op het herstel van bedrijven en bedrijvigheid.

Afbeelding 5. Verkiezingspropaganda voor Schootstra.
Uit 'De Anti-Revolutionair'.

Christelijk onderwijs

Al in de zomer van 1945 vroeg men Schootstra voorzitter te worden van de Christelijk Nationale Schoolvereniging in Huizum - 'de Scholen met de Bijbel'. Hij reageerde positief op het verzoek, misschien wel mede omdat de vereniging gedurende de oorlog zeer actief bij het verzet betrokken was geweest. De beide scholen van de vereniging, de (latere) Johan Willem Frisoschool aan de Carel Fabritiusstraat en de (latere) Jan van Nassauschool aan de Borniastraat, hadden zwaar te lijden gehad van inkwartiering van Duitse soldaten. Voor het herstel daarvan was van de overheid niet veel te verwachten en dus maakte Schootstra gebruik van zijn grote netwerk en struinde hij de provincie door om lesmaterialen en meubilair te pakken te krijgen. Dat slaagde prima en de scholen waren binnen een jaar weer op orde. Aan het eind van de jaren veertig merkten de scholen de effecten van de 'baby-boom', de na-oorlogse bevolkingsexplosie. Er was een groot aanbod van nieuwe leerlingen en te weinig ruimte in de bestaande gebouwen. De vereniging breidde uit, eerst met de Ernst Casimirschool aan de Julianalaan, later met de Prins Willem van Oranjeschool, ook aan de Julianalaan. Schootstra had ondanks alle na-oorlogse krapte een forse hand in het verkrijgen van beide nieuwe scholen. Opvallend voor een vereniging voor lager onderwijs was dat men overging tot het stichten van een ULO (Uitgebreid Lager Onderwijs). Mede op initiatief van Schootstra, die veel waarde hechtte aan een ULO voor de vereniging, kwam eind jaren '50 de Willem Frederikschool tot stand. De school kreeg een eigen gebouw aan de Cornelis Trooststraat. Het stichten van een ULO bleek echter niet een gelukkige greep. Het besturen van een school voor voortgezet onderwijs was van een ander niveau dan het besturen van lagere scholen. Er waren voortdurend kleine strubbelingen tussen het bestuur en de leerkrachten op de school. De ULO werd in 1968 overgedragen aan de Vereniging voor Protestants Christelijk Voortgezet Onderwijs in Leeuwarden. Schootstra was toen al uit het bestuur vertrokken, diverse andere bezigheden eisten hem op. Hij was veelvuldig afwezig, soms zelfs geheel tegen zijn gewoonte in zonder afmelding. In 1962 trad na hij na zeventien jaar voorzitterschap af.

Die griffermearde

Degenen die hem als schoolvoorzitter hebben meegemaakt herinneren zich hem als iemand met flair en humor, een man die hechtte aan een goede onderlinge verstandhouding. Viel er wat te vieren, dan kwam de fles op tafel. Maar ook iemand die zakelijk was, gericht op een doel. Wat afgesproken was, was afgesproken! Het bestuur was de baas en tegenspraak werd in die zin niet gewaardeerd, soms zelfs niet geduld. En hij was iemand die er geen moeite mee had zijn eigen positie ten behoeve van de school te gebruiken. Bij zijn afscheid werd Schootstra tot erelid benoemd. In Huizum was Schootstra na de oorlog ook nog een aantal jaren actief als voorzitter van de Commissie van Beheer van de Gereformeerde Kerk, beheerder en exploitant van de onroerende goederen van de kerk. Uit het archief van de Christelijke Kleuterschoolvereniging (die een bijgebouw van de pastorie van dominee Van der Heide aan de Verlengde Schrans huurde) valt de zakelijkheid op, waarmee de commissie ten tijde van Schootstra opereerde. Een contract is een contract en daar hadden beide partijen zich aan te houden, hoezeer de armlastige Kleuterschoolvereniging ook om begrip en toegeeflijkheid vroeg. Misschien raakte Schootstra ook wel een beetje in een wat lastige spagaat: als voorzitter van de Beheerscommissie moest hij zich zakelijk opstellen, als voorzitter van de Schoolvereniging had hij veel contacten met en sympathie voor het Kleuterschoolbestuur dat immers een groot deel van de leerlingen voor de lagere scholen leverde. Lang heeft dit voorzitterschap dan ook niet geduurd want in 1949 verscheen de handtekening van een andere voorzitter onder de brieven van de commissie. Overigens liet Schootstra in zijn dagelijkse doen en laten weinig twijfel bestaan over zijn protestants-christelijke levensovertuiging en lidmaatschap van de Gereformeerde Kerk. Dat bleek uit de reactie van iemand die ik in het kader van dit artikel benaderde: "Wie, Skoatstra? Oh - die griffermearde!"

Afbeelding 6.
Leeuwarden, 1959: Het Phoenixhuis aan de Schrans.

RAI

Schootstra zag zich genoodzaakt het intensieve en vaak tijdrovende werk binnen het schoolbestuur te beëindigen, omdat andere werkzaamheden teveel beslag op zijn tijd legden. Zo was hij bestuurslid van het Leeuwarder Departement van de Nederlandse Maatschappij van Nijverheid, voorzitter van de Stichting Ontwikkeling Bedrijfsjeugd en vice-voorzitter van de Stichting Friesland voor Maatschappelijk werk. Een belangrijke bestuursfunctie viel hem ten deel toen hij op 14 maart 1961 benoemd werd tot algemeen voorzitter van de Vereniging Rijwiel en Automobiel Industrie - de RAI. De na-oorlogse jaren van wederopbouw met alle schaarste en beperkingen van dien waren voorbij. Het was een tijd van omslag: er kwam welvaart. De bevolking had weer wat te besteden en voor velen werd het hebben van een eigen auto'tje mogelijk. Schootstra vervulde zowat een decennium het voorzitterschap van de RAI en in die tijd vond bijna een vervijfvoudiging van het aantal auto's in Nederland plaats. De Nederlandse auto-industrie bloeide, de DAFjes bepaalden het straatbeeld. Naast de al bestaande RAI-tentoonstellingen kwamen er nieuwe, zoals in 1964 de Vak-RAI voor garage-equipment en in 1965 de Caravan-RAI. In datzelfde jaar trok de jaarlijkse Auto-RAI tentoonstelling bijna 420.000 bezoekers. De accommodatie kon zulke aantallen bezoekers nauwelijks aan, zodat RAI zich genoodzaakt zag haar tentoonstellingscomplex (een NV waarvan Schootstra in zijn kwaliteit als RAI-voorzitter op dat moment president-commissaris was) uit te breiden van 38.000 m2 in 1961 tot 81.000 m2 in 1969. Op die manier kon naast de eigen activiteiten ook ruimte geboden worden aan andere bijeenkomsten, concoursen en grote shows als 'Holiday on Ice'.

Een zaak van de consument

Aardige bijkomstigheid voor Schootstra - met zijn belangstelling voor techniek - was dat hij als voorzitter van de RAI tevens een bestuursfunctie had in het RAI-TNO-instituut, het tegenwoordige onderzoeksinstituut TNO-wegtransportmiddelen. Hij zette zich met name in voor de nieuwbouw van het instituut die overigens pas in 1973 gereed kwam. De RAI kwam regelmatig in het geweer tegen fiscale maatregelen van de overheid. Verhogingen van de benzineaccijns en motorrijtuigenbelasting werden door de RAI vaak scherp aangevallen. Toen minister (en stadgenoot; de beide mannen kenden elkaar nog uit het verzet) Vondeling in 1966 een 'super-weeldetarief' (omzetbelasting) van 25% op auto's wilde invoeren omdat auto's volgens hem 'minder noodzakelijke goederen' zouden zijn, benaderde Schootstra de volksvertegenwoordiging. In een brief schreef hij: "Het past niet meer in onze maatschappelijke ontwikkeling, dat de wetgever bepaalt wat wel en wat niet noodzakelijke goederen zijn. Dat is primair een zaak geworden van de consument." Schootstra zag scherp dat de oppositie tegen dergelijke ontwikkelingen gebaat was bij samenwerking tussen de betrokkenen en onder zijn leiding kwam in 1966 de Stichting Weg tot stand, waarin RAI, ANWB, BOVAG, de belangrijkste benzinemaatschappijen en de Nederlandse wegenbouwers deelnamen. Ook op andere gebieden bevorderde Schootstra samenwerking. Samen met de BOVAG werd de Stichting Vakopleiding opgericht, gingen rijwielfabrikanten en -handelaren samenwerking aan in de Stichting Fiets en deed de caravanhandel dat in de Stichting Kampeerwagen. In 1969 trad Schootstra af als voorzitter van de RAI: Nederland telde op dat moment bijna 2½ miljoen personenauto's, 300.000 bedrijfswagens, 2 miljoen bromfietsen en 7 miljoen fietsen.

Afbeelding 7. Suikerzakje van Phoenix.
Suikerzakjes sparen was in de jaren '50 van de vorige eeuw een rage.

Phoenix

Helaas zijn er van de Phoenix Rijwielfabriek geen archieven bewaard gebleven. De Batavus Fietsenfabriek in Heerenveen, die Phoenix tenslotte had overgenomen, ging midden jaren tachtig zelf failliet. Via ATAG maakte het bedrijf een doorstart en werden alle archieven vernietigd, waaronder die van de Phoenix. Er zijn dus geen omzet- en winstcijfers, geen productieaantallen en geen personeelsbestanden meer. Ruw geschat waren rond 1960 ongeveer 160 mensen in het bedrijf aan het werk, waarmee de fabriek tot de grotere werkgevers in de stad behoorde. De directie van het bedrijf was in handen Siebe en zijn oudere broer Folkert Schootstra. Wel is bekend dat het goed was gegaan met Phoenix. Het merk was populair, men hield de trends goed in de gaten en er kwamen geregeld nieuwe modellen op de markt. In de Schrans in Leeuwarden droeg een fietsenwinkel zelfs de naam 'Het Phoenixhuis'. De zaken gingen zo goed dat het complex aan de Zuidergrachtswal te klein werd. Bovendien was de locatie lastig te bereiken en verre van ideaal, ingeknepen als het was tussen de Grachtswal en Achter de Hoven. In een interview in het Algemeen Handelsblad van 8 april 1961 gaf Schootstra aan op een van de nieuwe industrieterreinen in het zuid-westen van Leeuwarden nieuwbouw te willen plegen: "Daar worden we buurman van Philips en Van Heemst." De keuze voor die locatie lag ook erg voor de hand gezien Schootstra's voorzitterschap van de Stichting Industriegebouwen Leeuwarden en zijn functie als adviseur van het ETIF (Economisch Technologisch Instituut Friesland).

Toen deed zich iets merkwaardigs voor - waarvan er nu nóg mensen, destijds betrokken bij het stadsbestuur, zijn die zich verbaasd hebben over de stap die de Phoenixdirectie meende te moeten nemen. In plaats van inderdaad uitbreiding te zoeken in Leeuwarden, viel de keus op Groningen en wel op de Fongers fietsenfabriek. Fongers, een oud merk, had in tegenstelling tot Phoenix de oorlog niet goed overleefd. Hoewel producent van degelijke fietsen, verzuimde Fongers met zijn tijd mee te gaan; er verschenen geen of te weinig nieuwe modellen en de marketingstrategie volgde de tijdgeest niet. Het Fongers fabriekscomplex aan de Hereweg was echter ruim en gunstig gelegen aan een uitvalsweg aan de rand van de stad. In 1961 nam Phoenix de Fongersfabriek over en verplaatste de productie van Leeuwarden naar Groningen. Een jaar later volgde verdere uitbreiding met de overname van de Germaan Fietsenfabriek in Meppel. Het geheel ging, onder handhaving van de afzonderlijke merken, vanaf dat moment verder als de PFG-combinatie. Kort na de overname verhuisde het gezin Schootstra naar het centraler gelegen Beetsterzwaag.

Afbeelding 8.
Advertentie uit het midden van de vorige eeuw.

Teloorgang

Met de overname toonde Phoenix zich een trendsettter, de schaal van de vele tientallen fietsenfabrieken in Nederland bleek te klein. In de jaren op die overname volgden fuseerden talloze fabrieken waarbij vele beroemde merken verdwenen. Men leek de toekomst met vertrouwen tegemoet te zien. Toch moest Schootstra later toegeven dat die tijd de moeilijkste van zijn leven was, moeilijker zelfs dan zijn oorlogsjaren. Omdat veel personeelsleden niet meegingen naar Groningen kostte het aanvankelijk moeite het productieapparaat in Groningen bemand te krijgen. Bovendien kregen medewerkers die niet in de nieuwe opzet pasten ontslag. De leiding van het bedrijf had "... de moeilijkheden die er aan zo'n fusie vastzaten, geweldig onderschat. Volkomen onderschat. We hadden onvoldoende plannen voor de toekomst uitgewerkt." Als excuus kon de voortrekkersrol die Phoenix vervulde worden aangevoerd; veel ervaringen op het gebied van dergelijke fusies waren er nog niet. Al snel keerde de schaalvergroting zich echter ook tegen de PFG-combinatie. Met het openstellen van de markt kwamen buitenlandse fietsmerken met moderne en goedkope modellen op de markt. Die concurrentie, het moeten voldoen aan de steeds groeiende vraag naar nieuwe modellen, vereiste investeringen waarvoor PFG, nog steeds een familiebedrijf, geen kapitaal kon leveren. Overwogen werd door middel van uitbreiding van het aandelenkapitaal extern vermogen aan te trekken, maar die plannen kregen te laat gestalte. In 1966 moest de fabriek 30 man op straat zetten, in 1969 kwam het einde. Batavus nam de fabriek over en verplaatste de productie naar Heerenveen. De merken Phoenix en Germaan verdwenen terwijl Fongers door Batavus tot in de jaren '80 als sub-merk nog geproduceerd werd. Het ontslag van zijn werknemers moet Schootstra pijn gedaan hebben. Herhaalde malen komt hij als werkgever naar voren als 'vaderlijk' en soms ronduit gul. "Als je iets voor hem moest doen en dat deed je goed, kon hij zo de beurs trekken en een tientje voor je neerleggen. Als beloning voor het goeie werk", herinnert iemand zich. Het bedrijf had zorg voor goede arbeidsverhoudingen en -voorwaarden die echter ook scherp gevolgd werden: "Schootstra joech it net gau fourt" vertelt een ander, sprekend over de drie-cent-per-uur loonsverhoging die hij kreeg. Want Schootstra was ook zakelijk, hard als het moest: "Het kostte hem geen moeite iemand het vel over de oren te trekken", soms eigenzinnig en bij tijd en wijle slecht in staat om te gaan met kritiek en tegenspraak.

Levenswerk

Al tijdens de oorlog was het besluit genomen om, als logisch voortvloeisel van het NSF, na de oorlog de families en nabestaanden van omgekomen verzetsmensen bij te staan. Het zou volgens velen Schootstra's levenswerk worden. De zaak werd na de bevrijding van Friesland voortvarend aangepakt want al op 18 april 1945 werd de Vereniging Friesland 1940-1945 opgericht met Schootstra als voorzitter. De nood bleek hoog en om over geld te beschikken organiseerde de Vereniging snel een inzamelingsactie. De opbrengst was vér boven verwachting, de solidariteit in Friesland groot. De voortvarendheid van handelen en de grote opbrengst zorgden voor verwarring. Vragen als: hoe keren we het geld uit, hoe beleggen we het, hoe stellen we ons op jegens landelijke ontwikkelingen, wat doet de overheid en hoe is onze relatie daarmee? Om alles te coördineren werd in september 1945 de Provinciale Raad tot Verzorging van Oorlogsslachtoffers in het leven geroepen. Schootstra nam het voorzitterschap van deze Raad op zich, die directe verantwoordelijkheid voor de dagelijkse gang van zaken kreeg. De Raad moest tevens de eenheidsgedachte op provinciaal niveau bevorderen met als uiteindelijk doel de oprichting van één overkoepelende provinciale stichting. Maar tot grote teleurstelling van de Raad had het NSF-district Sneek, dat in de oorlog al aan een zekere autonomie gewend was, in september 1945 in alle stilte een aparte Stichting Sneek 1940-1945 opgericht. Er was Schootstra veel aan gelegen om de eenheid te bewaren en in het voorjaar van 1946 werd druk vergaderd om toch te komen tot één Friese Stichting. Enige tijd leek het inderdaad die kant op te gaan, maar tenslotte behield Sneek zijn zelfstandigheid. De overige districten bundelden hun krachten in de Stichting Friesland 1940-1945, op 6 mei 1946 passeerde de Stichtingsakte en werd Schootstra voorzitter. De geschiedenis van de beide Friese Stichtingen is beschreven in het boek De belofte gestand gedaan en het voert te ver er hier nog eens uitgebreid op in te gaan. In het boek worden de talloze grote en kleine problemen en tegenslagen beschreven waarmee de Stichting te kampen had en die Schootstra verleidden tot voor hem kenmerkende uitspraak "Het moet en daarom kan het". Uiteindelijk komt alles in rustiger vaarwater en op 7 mei 1956 viert de Stichting Friesland 1940 - 1945 haar tienjarig bestaan met een groots opgezette bijeenkomst in hotel Amicitia in Leeuwarden. Schootstra hoort bij die gelegenheid van de Commissaris van de Koningin, mr. H.P. Linthorst Homan, dat hij benoemd is tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. In 1976 achtte Schootstra de tijd gekomen het voorzitterschap van de Stichting neer te leggen en hij kondigde zijn aftreden aan per 17 november aan, zijn zeventigste verjaardag.

Verzetsmuseum

De Stichting Friesland 1940-1945 was nauw betrokken bij de herdenking van 25 jaar bevrijding. In de Beurs in Leeuwarden werd de grote tentoonstelling "V25" ingericht met materiaal afkomstig uit een privécollectie. Een aantal betrokkenen, waaronder Schootstra en met hem onder meer Linthorst Homan, was van mening dat een dergelijke verzameling permanent voor het publiek toegankelijk behoorde te zijn: in een museum - een verzetsmuseum. Een comité was snel gevormd en men liet het oog vallen op een voormalig café in Beetsterzwaag als locatie voor het museum. De plannen kregen gestalte, van diverse kanten werd steun toegezegd en alles raakte zelfs zover concreet dat in 1973 de Stichting Historisch Centrum Beetsterzwaag kon worden opgericht. Toen kwam de oliecrisis. De economie zakte in, verwachte bedragen werden niet ontvangen waardoor de beoogde locatie niet kon worden aangekocht en het project liep vast. Pas jaren later kwam de zaak weer onder stoom toen de Kanselarij in Leeuwarden als mogelijke vestigingsplek in beeld kwam. Van verschillende kanten droeg men financieel bij, de huisvesting werd geregeld en de collectie waar het allemaal om draaide, kon worden aangekocht. Op 27 september 1979 opende het Verzetsmuseum Friesland zijn deuren. Het Verzetsmuseum was daarna nog enige tijd aan het Leeuwarder Zuiderplein gehuisvest, maar is nu al weer een aantal jaren terug in de Kanselarij. Het museum vierde onlangs op 27 september zijn 25-jarig bestaan.

Afbeelding 9. Oorkonde toekenning verzetsherdenkingskruis.

Verzetsherdenkingskruis

Een hoogtepunt in Schootstra's latere levensjaren moet zonder enige twijfel de uitreiking van het Verzetsherdenkingskruis geweest zijn. Schootstra ontving deze in 1980 ingestelde onderscheiding als een van de eersten op 5 mei 1981 in Wageningen uit handen van Prins Bernhard. Rond die tijd manifesteerde zich bij hem een ernstige ziekte en moest hij een zware en ingrijpende operatie ondergaan. Daarvan herstelde hij in zoverre dat hem nog enkele jaren gegund waren waarin hij zijn vrije tijd kon wijden aan zijn grote passie: het zeilen op de Friese meren en het IJsselmeer. Hij overleed op 21 juli 1985 op 78-jarige leeftijd.

* Leendert Plaisier is een aantal jaren secretaris geweest van de Vereniging voor Protestants Christelijk Basisonderwijs te Leeuwarden-Zuid; de vereniging waar Schootstra 17 jaar voorzitter van was.
De schrijver is speciale dank verschuldigd aan de heer F. Schootstra en mevrouw R. Schootstra-van Wijlen te Sneek en aan Gerk Koopmans van het Verzetsmuseum Friesland te Leeuwarden. Pré-historische Phoenixgegevens mocht hij ontvangen van André Koopmans te Makkinga.

Geraadpleegde literatuur/bronnen:

S. de Jong, Geschiedenis eener Nederlandsche Vereeniging - RAI 1893-1968, Bussum, 1968
P. Wijbenga, Bezettingstijd in Friesland (3 delen), Leeuwarden, 1975-1978
Drs Y.N. Ypma, Friesland Annis Domini 1940-'45, Dokkum, 1953
Sj. van der Schaaf, De belofte gestand gedaan, Leeuwarden, 1985
Y. Schaaf, Laarzen op de Lange Pijp, Leeuwarden, 1995
W.H. Kuipers e.a., Leeuwarden 1945-1965, Leeuwarden, 1966
J. Frieswijk, 'De suvering fan de Fryske Akademy, 1945-1947", De Vrije Fries, 78(1998), 129-162.


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer