Uit: Fryslân 6;2 (2000), pp. 39-41.
Theun de Vries (1907-)
Bouwer aan de mens-van-morgen
Evert Kramer
Bij Theun de Vries denken we aan een actief schrijversleven dat bijna de laatste driekwart van de twintigste eeuw omvat. Tot op de dag van vandaag verschijnen met vaste regelmaat romans van zijn hand. Nu zijn communistisch verleden zo langzamerhand in de vergetelheid is geraakt, oogst hij altijd zeer gunstige besprekingen in de kranten. In dit stug voortwerken aan een steeds imposanter oeuvre steekt hij de oud Harlinger schrijver Simon Vestdijk naar de kroon. Wat beweegt de inmiddels 93-jarige Theun de Vries toch om telkens maar weer nieuwe boeken te schrijven? Zijn gezonde en sobere levenswijze - hij stamt uit een doopsgezind boerengeslacht - en zijn wilskracht om bezig te blijven, vormen ongetwijfeld belangrijke fundamenten voor dit ijzersterk gestel.
Theunis Uilke de Vries werd geboren in het Friese Veenwouden als enig kind van Sjoerd, handelaar in zuivelproducten en diens vrouw Lieske. Na vier jaar gymnasium was hij ondermeer werkzaam als hulpboekhouder en journalist en volgde hij een bibliotheekopleiding. Van 1929 tot 1937 was De Vries werkzaam bij de Openbare Leeszaal aan de Marktstraat te Sneek. Van de nauwgezetheid waarmee hij dat laatste ambt uitvoerde getuigt een treffende anekdote van Herrius Halbertsma, de uit Sneek afkomstige oudheidkundige uit de gegoede stand. Hun paden kruisten elkaar toen de veertienjarige Herre aan de balie vroeg naar het boek 's Keizers Koelies. Dat werd hem geweigerd door de oudere Theun na de volgende woordenwisseling: "Hoe oud bent U?" - "Veertien" - "Dan mag ik u dat boek niet geven".
Verhaalkunst
Theun de Vries behandelen in een kort artikel zou alleen al vanwege de gigantische omvang van z'n werk ondoenlijk zijn. Fryslân wijdde overigens eerder aandacht aan deze schrijver (jaargang 3, 1997, no. l) waarin hij werd geïnterviewd ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag. Van meet af aan waren zijn ambities verre van bescheiden; Friesche Koningssage rond koning Redbad ten tijde van het legendarische koninkrijk Friesland in de zevende eeuw, en Rembrandt als de grootste schilder aller tijden verwijzen al naar zijn voorliefde: het reconstrueren van levens van - in zijn ogen - de besten der aarde. Hoewel hij in Friesland vooral grote bekendheid geniet als auteur van een reeks historische en sociale romans, experimenteerde hij ook met dichtbundels als Westersche nachten in 1930. Onder de argwanende blikken van Sneeker notabelen weet hij in 1936 Fryske Stitistyk af te ronden. In dit kritisch overzichtswerk rekent hij af met menig naar zijn mening verouderd of achtergebleven onderdeel van de Friese literatuur in al haar vormverscheidenheid. Tot ware meesterwerkjes behoren enkele van de tientallen novellen: juweeltjes van verhaalkunst die mij zeer aanspreken. De hoofdrolspelers zijn soms onder het genre paradijsvogels in te passen: kleurrijke dorpstypen in al hun menselijkheid neergezet. Echte aanraders zijn bijvoorbeeld Foxherne waarin Gosse Stellingwerf als enig overgebleven boerenzoon na een cholera-epidemie, zich stiekem als een soort Eyse Eysinga gaat manifesteren door, afgesloten van zijn huisgenoten, staartklokken te demonteren. Of over de suïcidale motorrijder Waling Dota die in De derde dood, toen ook al oerend hard als Tinus op z'n BSA, de strijd aanbond met een naastzij voortdenderende trein. Schitterende types tegen de achtergrond van hun tijd en met een rijkdom aan menselijke psychologie. Je waant je in de verhalen van Roald Dahl, die pas vele jaren later voor het Nederlandstalige lezerspubliek in vertalingen beschikbaar kwamen.
Communist
Zijn debuutroman Rembrandt dateert uit 1931. De Vries schiep een zeer omvangrijk proza-oeuvre dat nu al meer dan honderd titels omvat: dichtbundels, verhalen, romans, historische studies, biografieën, toneelstukken en hoorspelen. In 1937 verwisselt hij Sneek definitief voor Amsterdam. Hij speelde daar een actieve rol in het kunstenaarsverzet tijdens de Tweede Wereldoorlog. In de bezettingsjaren was hij ook een tijd verbonden aan de illegale Vrije Katheder. In enkele van zijn romans getuigt hij van die tijd. Na een periode van zoeken was hij omstreeks 1935 overtuigd marxist geworden. Hij werd uiteindelijk uit de literaire gemeenschap gestoten vanwege zijn blijvende sympathieën met het communistisch gedachtengoed; hij reisde bijvoorbeeld na 1945 veel naar Oost-Europa, China en Cuba en vergoelijkte de inval van de Sovjet-Unie in Hongarije in 1956. Hij brak met deze vorm van communisme na de inval in Tsjechoslowakije (1968) maar bleef marxist en maakte, tot hij in 1971 uit de partij trad, deel uit van het bestuur van de Communistische Partij Nederland. De Vries heeft het zich in zijn leven dus zeker niet gemakkelijk gemaakt. Zo was hij ook nog eens twee keer getrouwd met dezelfde vrouw. Van 1932 tot 1938 en van 1945 tot haar dood in 1975.
Bekroning
Stof voor zijn werk putte hij uit Fryslân's geschiedenis, het agrarische platteland, de Tweede Wereldoorlog en beroemdheden uit de wereld van kunsten en wetenschap. Hij ondervond zelf aan den lijve de opkomst, bloei en het verval van het communisme en de negatieve gevolgen van de Tweede Wereldoorlog. Als socialistische auteur van streekromans begonnen, kwam de linkse individualist vrij snel in aanraking met het communisme. Afkeer van autoriteiten dwong hem in 1941 tot onderduiken in de buurschap Groenendaal op de Veluwe. Naar mijn smaak is dit de meest vruchtbare periode. In betrekkelijk korte tijd rondt hij hier een biografie af over R.J. Schimmelpenninck. Andere papieren die zich destijds in z'n vluchtkoffertje bevonden vormden aanzetten tot De tegels van de haard, een bundel sterk autobiografisch getinte verhalen van Wilt Tjaarda, alias Theun de Vries op jonge leeftijd in Veenwouden, aan de Zwette tussen Dantumadeel en Tytsjerksteradiel. Uiteindelijk kwam De Vries in een kamp terecht. Dit leverde hem veel schrijfstof op over zijn oorlogservaringen. Als intellectueel en kunstenaar kon hij veel van zichzelf kwijt in talloze autobiografische studies. Zijn Friese jeugd vormde de grondslag voor twee terugkerende thema's: die van het romantische Friese verleden waarvan Het zwaard, de zee en het valse hart (verschenen als boekenweekgeschenk in 1966) een hoogtepunt vormt en de sociaal-maatschappelijke bewogenheid waarvan de trilogie Het geslacht Wiarda hét voorbeeld is. 'Nu zijn de kloosters verdwenen - hier en daar staat een verlaten poort in de weilanden, en soms stuit men bij 't graven op muren -, en ook de huizen met trappen en torens en wallen krijgen hun tijd. Maar de boeren zijn er nog steeds; die hebben eeuwen lang gezweet en gezorgd; en dat is goed geweest. De boeren zijn nodig. en als zij verdwijnen, is het met de wereld gedaan.' Twintig jaar geleden las ik deze regels uit Stiefmoeder Aarde voor het eerst. Werkzaam in Friesland's oudheid, met eigen wortels in het Groninger Oldambt, roept de tekst bij mij een gevoel van herkenning op. Er sedertdien is De Vries een van de schrijvers waar ik vaak naar teruggrijp Theun de Vries ontving in 1963 de P.C. Hooftprijs, de staatsprijs voor letterkunde. Vijftien jaar later, in 1978, werd hem een eredoctoraat in de letteren aan de Rijksuniversiteit Groningen door professor E.H. Kossmann toegekend voor zijn historische studies. Van enkele boeken bestaan versies in zestien Europese talen hetgeen zeker ook als een eerbetoon aan zijn werk mag worden opgevat.
Intrigerende persoon
Het ligt voor de hand dat een auteur met zo'n sterk maatschappelijk engagement kritiek ondervindt; in de jaren 1960-1970 zweeg men hem zelfs liever dood. Volgens sommigen is De Vries een van de meest intrigerende Nederlandstalige schrijvers van de pas voorbije twintigste eeuw, vaak omschreven als koppig en eenzaam, verbeten zoekend naar rechtvaardigheid, niet meer thuis in eigen land. Zo zou hij bovendien een slecht ontwikkeld psychologisch inlevingsvermogen bezitten. De kracht van zijn werk was te vinden in de beschrijving van personages en hun situatie, in het oproepen van de sfeer, vaak van een historische periode en in de gedegenheid van de compositie. Hoewel hij enkele dichtbundels op zijn naam heeft is De Vries vooral bekend als veelzijdig schrijver van meeslepend, verhalend proza. De nadruk in veel van dit werk ligt op het sociale element in de samenleving, die hij bij voorkeur tekent in tijden van verandering. Tijdens zijn dankwoord bij de uitreiking van het eredoctoraat in Groningen schetste hij zelf zijn visie op geschiedbeoefening. Kernpunt daarin vormt zijn opvatting dat alleen de eigenlijke geschiedenis hem interesseert: die van de klassenstrijd naar bevrijding van de individuele mens en naar de uiteindelijke menswording van het individu, de progressie van de maatschappij en het individu. Zelfverwerkelijking is een hoog goed bij hem. Veel minder interessant zijn voor hem de oneigenlijke geschiedenissen van koningen en veldslagen. Groot is zijn talent als verteller van de lange adem zoals blijkt uit verschillende romancyclussen. Dat zijn laatste roman over de Dekabristenopstand in Rusland hem op zijn hoge leeftijd toch wel zwaar viel, zoals hijzelf in een van zijn laatst gegevens interviews bekende, zal niemand verbazen. Zijn vroegere streekromans spelen zich af op het platteland en hebben het leven van (meestal) boeren tot onderwerp. De hoogste bloei van dit genre lag in tweede helft van de negentiende eeuw en in deze eeuw was ze slechts tot de Tweede Wereldoorlog populair. In de oudere literatuuroverzichten wordt hij in dat verband in één adem genoemd met Stijn Streuvels en Antoon Gooien. Wat opvalt is zijn gevoeligheid voor tekens van zijn tijd. Zo pakt hij nog net de streekroman mee maar raakt hij al snel betrokken bij communisme, opstand en verzet. Het taalgebruik is niet dat van een groot stilist, maar De Vries pretendeert volgens mij nimmer een mooischrijver te willen zijn. Hij kiest bewust voor stoer, mannelijk en beeldend taalgebruik. Wellicht is ook een verklaring dat hij nog altijd zoveel te vertellen heeft en met het verwezenlijken ervan nog zo bezig is, dat hem de tijd van eindeloos schaven gewoonweg ontbreekt. In stijl en woordkeuze doet hij me denken aan Ede Staal, de Groninger bard die opgroeide bij zijn grootouders en eigenlijk, evenals de nu bedaagde Theun de Vries, ook een stem van een eerdere generatie is.
Anno 2000
In hoeverre maakt het werk van Theun de Vries nog daadwerkelijk deel uit van het aanbod in de boekwinkels? We hebben de proef eens op de som genomen en informeerden bij de drie grote boekhandels in Leeuwarden naar nog voorradige werken uit het omvangrijke oeuvre van hem. De oogst is schraal. Alleen enkele van de meest recente titels zijn vandaag de dag direct verkrijgbaar. Hoewel de vaste uitgever van het werk van Theun de Vries, Uitgeverij Querido, een groot aantal titels van hem uit voorraad leverbaar heeft, loont het kennelijk niet om deze in Leeuwarden in de grotere boekwinkels binnen handbereik te hebben. Een op bestelling beschikbare fondslijst leverde ruim een jaar geleden nog 39 leverbare titels op. We raden de liefhebbers van zijn werk dan ook eerder een gang naar de betere antiquariaten aan, waarvan in Leeuwarden diverse te vinden zijn en waar het meeste van zijn werk, waaronder opvallend veel eerste drukken, nog te koop is voor schappelijke prijzen. De Vries' werk beleeft nu eenmaal weinig herdrukken. De fanclub is klein maar trouw en met twee of drie drukken zijn de meeste titels al goed bediend. Ter gelegenheid van zijn negentigste verjaardag werd Stins en Krite, gedichten rondom de Schierstins, in een oplage van 140 exemplaren uitgegeven door het Veenwoudster uitgeversduo Huistra en Kootstra, twee grote fans van zijn oeuvre: Westerljocht verscheen in een oplage van 500 stuks, hetgeen een graadmeter voor zijn populariteit is. En nog steeds worden er door Theun de Vries titels aan de indrukwekkend lange lijst met publicaties toegevoegd. Met vaste regelmaat verschijnen er romans van zijn hand. Ik hoef de laatste krantenknipsels er maar op na te slaan om daarvan een overzicht te geven: eind 1999 verscheen De wilde vrouwen van Pella, vlak daarvoor nog De bergreis, een roman over Hercules Seghers, en een roman onder de titel Torrentius over de gelijknamige zeventiende-eeuwse 'vuil'-schilder van erotisch getint werk. Toen hem door zijn biograaf Hans van de Waarsenburg (Voetsporen door de tijd, Meulenhoff 1984) bij zijn 75ste verjaardag de vraag werd voorgelegd wat na eeuwen wel moge beklijven van zijn werk, dacht de schrijver zelf het eerst aan een paar van zijn novellen.
© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries
Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke
toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.