Uit: Fryslân 9;4 (2003), 23-27
Frederike van Uildriks (1854-1919)
Een gezonde geest in een gezond lichaam
Lucy Bosch
Onderwijzeres, vrouwenemancipatie, fiets, vrij huwelijk, lichaamscultuur, biologisch reveil en reformkleding. Deze woorden verbeelden het persoonlijk leven van Frederike van Uildriks en deels de culturele sfeer aan het eind van de negentiende eeuw. In 1891 besloten zij en de Friese sociaal-democraat Vitus Bruinsma buiten de echt te gaan samenwonen. Een voor die tijd zeer opmerkelijke stap want Bruinsma was gehuwd met Hilda Lucia van den Berg. Van Uildriks' leven wordt onthuld door haar dagboek, dat leraar biologie Eddy ter Braak tijdens zijn speurtocht naar haar vond op zolder bij een neef. Ter Braak gaf mij onbevangen inzage in het dagboek.
Frederike Uildriks (uit: De Aarde en haar Volken, jg. 55 (1919), nr. 34)
Egodocumenten
Dagboeken, brieven, memoires en autobiografieën behoren tot het genre van de egodocumenten. Het was de historicus Jacques Presser die deze term ruim veertig jaar geleden voor dergelijke zelfbeeltenissen introduceerde. Egodocumenten onthullen persoonlijke gevoelens en gedachten over incidentele gebeurtenissen of een heel leven. De verschillende vormen hebben ieder hun specifieke kenmerken. De autobiografie wordt meestal op latere leeftijd geschreven en is een reflectie achteraf met zekere distantie geschreven. Het dagboek is een veel directer verslag zonder kennis van de afloop. Ze is daarom spontaner, soms intiemer. Bijzonder is dat Van Uildriks, onder het pseudoniem Flos, haar mening over de functie van een dagboek beschreef in een artikel in Excelsior: 'Want begrijp mij goed, ik bedoel met zoo'n dagboek niet allerlei gemoeds-uitstortingen en weemoedsuitingen of vreugdebetuigingen, maar een eenvoudige, kroniekmatige mededeeling van feiten'. De eis om gevoel en verstand te scheiden, was ook voor haarzelf een leidraad wat uit de volgende dagboeknotitie blijkt: 'Zondag alleen thuis voor 't eerst in dezen onvergelijkelijk zaligen tijd, maar neen, ik wil er niet van schrijven, feiten, alleen feiten voor onze eigen gezamenlijke herinnering'. Enkele regels verder in het artikel stelt ze dit beeld enigszins bij: 'ook omtrent stemmingen en gevoelens zal het ons veel leeren, want onwillekeurig zal bij de vermelding van een feit eenige kleur en tint worden aangebracht'. Haar dagboek is zo'n mengeling van gevoel en intellect, geest en lichaam. Enerzijds is het een onpersoonlijk verslag, anderzijds barst het van emoties. Ik las Van Uildriks' dagboek als zijnde voor haar een middel tot zelfreflectie. Daarbij heb ik gezocht naar de belangrijkste drijfveren in haar leven en vond er drie: individualiteit, geluk en gezondheid.
Onderwijzeres, vrouwenemancipatie en schrijfster
Frederica Johanna van Uildriks werd op 31 mei 1854 in Groningen geboren als oudste dochter van Sara Maria van de Moer en de Groninger gemeentesecretaris Jozua Wientjes van Uildriks. Ze had drie zussen: Nelena Johanna (leefde een jaar), Johanna (Annie) en Hillegonda (Gonne). Na het overlijden van haar vader in 1869 bleven de vier vrouwen samen achter. Het gezin behoorde niet tot de Groninger elite, maar bewoog zich wel in gegoede kringen. Frederike schreef over visites bij B.C.J. Mosselmans, predikant van de Remonstrantse gemeente en bij het gezin van hoogleraar staatsrecht B.D.H. Tellegen. De laatste was een voorstander van de vrouwenemancipatie die op haar beurt goed in het Groningse liberale klimaat gedijde. De Verlichtingsidealen en relatieve welvaart in de landbouw aan het begin van de negentiende eeuw waren een goede voedingsbodem voor de ontwikkeling van het liberalisme in dit gewest. De dochters Van Uildriks profiteerden van deze gunstige omgeving. Annie werd directrice van de huishouding in het Delfts ziekenhuis. Gonne was lerares, later vertaalster. In die hoedanigheid correspondeerde ze tussen 1904 en 1909 met de schrijver Marcellus Emants.
Van Uildriks begint haar dagboek (totaal 230 pagina's) op 18 september 1877 en eindigt het op 6 juli 1910. De periode tot 1891 gaat over haar sociale leven in Groningen, verliefdheid op de joodse Jacques Oppenheim, ontmoetingen met Hilda en Vitus Bruinsma en haar vijfjarig verblijf in Amsterdam. Door zelfstudie en/of privé-lessen haalde Van Uildriks diverse onderwijsakten en werkte ondermeer aan de Middelbare school voor meisjes. Ze was lid van het Leesmuseum en Physica, een natuur- en scheikundig genootschap, waar ze trouw alle lezingen volgde evenals vele Nutslezingen en colleges aan de universiteit. Tot groot verdriet huwde Oppenheim in 1879 met een rijke joodse dame. De innerlijke verwerking daarvan en haar gevoelens voor hem vonden in het dagboek een uitweg. De ontboezemingen onthullen het meest over Frederike's gemoedsleven, maar ook iets over het belang van klasse, religie en netwerken, het Groninger uitgaansleven, de universiteitscultuur en negentiende-eeuwse gedragscodes. Zo dwong Van Uildriks zichzelf, ondanks de obsessie voor 'O', voortdurend tot uiterlijke kalmte en ingetogenheid. De strategieën die Oppenheim gebruikte om met haar in contact te komen (lang aankijken, langs haar huis lopen) en af te wijzen (op leraressen afgeven, nukkig zijn), illustreren de mannelijke speelruimte.
Vanaf 1880 schreef Van Uildriks stukjes in de Groninger Courant, later ook in de Provinciale Groninger Courant. Ze werd lid van de 'Vereeniging van Leeraren voor Inrichtingen voor Middelbaar Onderwijs' waar ze Vitus Bruinsma ontmoette. Over de terugreis van een vergadering vermeldde ze: 'zwijgen als des grafs van Gouda tot Den Haag. Als ooit de gelegenheid om daarover eens te praten zich tusschen ons voordoet, dan geloof ik, dat wij beiden zullen bekennen, dat toen een hevige stroom van sympathie zich over ons uitgoot, waarin wij voor verzinken werden behoed door een innerlijke geestkracht, die zoveel inspanning toch kostte, dat spreken onmogelijk was. Als uit een droom schrikte hij op, toen ik bij Den Haag vroeg "Waar zijn wij nu?" '. Het blijft de vraag welke gedachten op dat moment door Vitus heengingen. Ook is het onduidelijk wanneer hun relatie zo hecht wordt dat Bruinsma een scheiding overweegt. Een dagboek verhult juist datgene wat te kwetsbaar is. In 1886 accepteerde ze een baan aan de Amsterdamse HBS vanwege: 'Hoog tractement, zucht naar verandering, trek in geschiedenis-studie (…) Over 60 sollicitanten en ik daaruit gekozen, trots velo en geëmancipeerdheid'. Het laatste woord geeft goed weer welke betekenis Van Uildriks voor de vrouwenbeweging heeft gehad. Hoewel zij artikelen over de vrouwenkwestie schreef, werk voor het radicale Groninger Weekblad verzette en feministen als Aletta Jacobs kende, stond ze niet op de barricaden. Ik zie haar als de personificatie van de idealen van de eerste feministische golf: een goede opleiding en financieel onafhankelijk. Zij realiseerde de nieuwe mogelijkheden die de veranderende samenleving vrouwen bood. Door het vrije huwelijk lapte ze vervolgens de bestaande dubbele moraal en ideeën over het huwelijk, twee andere thema's van de vroege feministen, aan haar laars.
Het huis met zadeldak en dakkapel, rechts van de boerderij, was de woning van Frederike aan de Langewal te Gorredijk. (Foto: G. Popma, Gorredijk.)
Vrij huwelijk
De negentiende-eeuwse samenleving was gebaseerd op seksedifferentiatie, de door de natuur opgelegde mannelijke en vrouwelijke eigenschappen. De intelligente, sterke man en de gevoelige, irrationele vrouw waren twee polen die elkaar in het huwelijk vonden. Vanaf 1895 voerden feministen een debat over het vrije huwelijk, want een wettig huwelijk bleek vaak liefdeloos en op berekening gebaseerd. Daarmee werd het burgerhuwelijk ter discussie gesteld en tegelijkertijd de vrouwelijke seksualiteit erkend. De vrouwenbeweging wilde de natuurlijke ongelijkheid opheffen die ook in de huwelijkswet tot uiting kwam. De vrouw was volgens deze wet gehoorzaamheid aan de man verschuldigd, handelingsonbekwaam (tot 1957) en had geen zeggenschap over de kinderen. Het gelijkheidsstreven was derhalve ook een bedreiging voor de sociale en maatschappelijke orde. Nog erger was de vrije liefde, het hebben van meerdere relaties. Beide samenlevingsvormen stuitten in de vrouwenbeweging op verzet wat mogelijk ten dele verklaard waarom Van Uildriks daarin geen publieke functie heeft vervuld. Zelfs voor een radicaal feministe als Wilhelmina Drucker was het huwelijk een garantie voor de ouderplicht.
In Pro en Contra (1905) wordt een vrij huwelijk omschreven als: 'een vereeniging van twee menschen, vrij van wettelijke banden (…) waar liefde de eenige band, het elkaar vrijlaten de eenige voorwaarde is'. Een andere voorwaarde was de economische onafhankelijkheid van de vrouw zodat ze, na beëindiging van de relatie, alleen verder kon. Het vrije huwelijk van Van Uildriks en Bruinsma was een gedwongen keuze vanwege de huwelijkse staat van de laatste. Ze waren anders getrouwd: 'thuiskomend Br. [Bruin of Bruuntje] met een brief van Annie in de hand en ik zag wel, dat het met Ma niet goed was. 't Was al het doodsbericht, (…) O, het is zoo vreeselijk naar; wij hadden zoo gehoopt op weer samenleven met Ma, als wij 't briefje van den burgemeester hadden. Dat kan eerst 12 Dec. 1897, want 12 Dec. 1892 is voor de rechtbank de scheiding uitgesproken'. Het betrof een scheiding van tafel en bed die beide echtlieden op 7 oktober 1891 bij notaris Barend Schmidt hadden aangevraagd. De zaak kwam tweemaal voor de Leeuwarder rechtbank en op 8 december 1892 volgde de uitspraak. Hilda bleef zich echter tegen een definitieve scheiding verzetten. De notaris deed in 1902 namens haar nog een verzoek of Bruinsma een verklaring wilde tekenen dat ze bij een eventuele scheiding zijn naam mocht blijven dragen: 'Het was een aardig bericht en wij praten al heel wat over "ons trouwen" '. Zover is het nooit gekomen. Een gedwongen, maar tevens moedige keus. In telegramstijl verwoordde ze de weken voor het drama: '12 Sept. Laatste schooldag - 2 Oct. voor 't eerst naar Haarlem - 4 Oct. Onthulling thuis - 19 Oct. vertrek v. H. uit L (…) 23 Dec. 1891 Komst te Gorredijk'. Van Uildriks kocht in deze plaats op 13 december voor 3000 gulden een huis aan de Langewal.
Zeker is dat het vrije huwelijk zowel tot isolement als geluk heeft geleid: 'Br. zegt, dat er eens hier bij moet staan, hoe 'n innig gelukkig leven wij hebben'. Het laatste was gebaseerd op intellectuele gelijkwaardigheid, gezamenlijke interesses en wederzijdse betrokkenheid. Zo ging Frederike meestal wandelen als Bruinsma ergens een vergadering had, hij vergezelde haar als zij zwom. Hoewel het contact met Frederike's moeder was verbroken, bleef dat met haar zussen en Vitus' broers, Gerrit en Bram, bestaan. De omgeving had ook moeite met hun manier van leven. Als Bruinsma voor een lezing wordt uitgenodigd, vraagt men hem: 'alleen te komen of niet te komen'. Zinnen als: 'wij wennen zoo af van 't menschen spreken' en 'Br. vond beter niet te zeggen, dat ik van 1891 af zijn levensgezellin was', spreken boekdelen. Het isolement was enerzijds het gevolg van het overschrijden van burgerlijke normen, anderzijds een eigen keuze omdat ze het samen goed hadden. Hun leven veranderde na 1909 door de ziekte van Vitus en Frederike zocht een intellectueel alternatief. Ze werd lid van het Arnhems Leesmuseum, de Vrouwenkiesrechtvereniging in Lochem en de historische vereniging Gelre. Het betreden van de mannenwereld als ontwikkelde vrouw ging niet vanzelf: 'Ballotage afgewacht in kamer van hotel Ampsen, voorz. baron Sloet, alles goed; 49 heeren aanwezig. Wel een klein triomfje! Thuis koffie en eten bij Bruuntje'. Ook bezocht ze, net als in Groningen, weer concerten en Remonstrantse kerkdiensten.
Natuur
De laatste begrippen die het leven van Van Uildriks karakteriseren, natuur en lichaamscultuur, geven net als de voorgaande een beeld van de culturele context omstreeks 1900. Een levensgeschiedenis verbindt de persoonlijke en culturele geschiedenis. Frederike's dagboek geeft inzicht in haar leven in de context van haar tijd. De laatste was er een van vele veranderingen. Pleidooien voor beter onderwijs, arbeidskansen, het vrije huwelijk, meer lichaamsbeweging, vegetarisme, reformkleding en interesse voor de natuur waren verschijnselen die op een bepaald moment samenkwamen en elkaar beïnvloedden. Door de komst van de fiets veranderde bijvoorbeeld de mannen- en vrouwenmode. De fiets werd pas na 1910 het belangrijkste vervoermiddel voor de massa.
Het natuuronderzoek was lange tijd een zaak van een kleine groep academici. Met het ontstaan van genoot-schappen, natuurkundige 'collegies' en de fysico-theologie aan het eind van de achttiende eeuw verspreidde de aandacht voor de natuur zich onder amateurs en dilettanten om in het fin de siècle in een waar biologisch reveil uit te monden. Deze democratisering werd mede beïnvloed door de toenemende industrialisatie en urbanisatie waardoor het landschap en de samenleving in hoog tempo veranderden. De roep "terug naar de natuur" klonk steeds sterker. Onderwijzers als Hendrik Heukels, Eli Heimans (bekend van herbaria) en Jac P. Thijsse (vooral bekend van de Verkade-albums) gaven in Nederland de aanzet tot deze opleving. Zij propageerden het gebruik van Nederlandse namen, veldwerk en aanschouwelijk onderwijs voor de jeugd waar de ontmoeting met de natuur voorop stond. Via het maandblad De Levende Natuur en gidsen stimuleerden zij velen tot het verzamelen en determineren van planten.
Vanaf het moment dat Vitus en Frederike in Gorredijk woonden, leefden ze van het schrijven, vertalen of bewerken van artikelen en boeken, want beiden hadden hun baan in het onderwijs opgegeven. Ze publiceerden samen een aantal schoolboeken en populair-wetenschappelijke natuurgidsen. Van Uildriks schreef in ruim veertig bladen waaronder de Nieuwe Rotterdamse Courant, De Aarde en haar volken, Vragen des Tijds, Eigen Haard, De Amsterdammer, De Huisvrouw, Het Schoolblad en Sljucht en Rjucht. Haar interesse was veelzijdig: boekrecensies, romans, verhaaltjes, stukken over gezondheid, meisjesgymnastiek, mode, aardrijkskunde, planten, dieren en geschiedenis. In Paterswolde ontstond, aldus de Groningse, een 'flauw besef' van de bekoring van het landschap. De interesse voor de natuur nam in Lochem toe. De jaren van 1896 tot 1910 waren wat betreft het publiceren zeer productief en kenmerkten zich door balans tussen individualiteit, gezondheid en geluk. Daarna vermeldde ze af en toe kwaaltjes als 'bevliegingen van plotselinge warmte' en 'van kleinigheden bergen maken'. Haar beschrijvingen van de natuur waren niet vrij van een bepaalde naïviteit. Deze nostalgische blik paste bij de tweede fase van de Romantiek waar angst mede één van de drijfveren was om te redden wat er te redden viel.
De zussen Uildriks, v.l.n.r. Annie, Frederike en Gonne. (Foto: E. ter Braak)
Een gezonde vrouw
Mens sana in corpore sano, een gezonde geest in een gezond lichaam, was een levensmotto van Van Uildriks. Amerikaanse reformaanhangers en feministen transformeerden deze leus rond 1850 in een nieuwe ideologie van de symmetrical body als reactie op de sekseongelijkheid en medische theorieën over de vrouw. Zij pleitten voor het ontwikkelen en harmoniseren van emotionele, intellectuele en fysieke kwaliteiten van beide seksen, en het kennen van de psyche en het lichaam van het andere geslacht. De vrouw was, evenals de man, in de eerste plaats voor zichzelf gemaakt en niet voor een ander. De individuele evenwichtige mens was de basis voor de sociale symmetrie. Frederike verwoordde dit motto als volgt: 'Leve frissche lucht en sport en andere lichaamsbeweging en veel werk!'. Als vrouw levend in een periode waarin sprake was van toenemende medicalisering van het vrouwenlichaam met het gevolg dat het sekseverschil hiërarchisch werd geduid, was zij een degelijk tegenbewijs geweest in een vergelijkend onderzoek met de vele hysterisch en infantiel verklaarde negentiende-eeuwse dames. Het is curieus dat alleen de vrouw het onderzoeksobject was en geëtiketteerd werd als een afwijking van de gezonde man. Er bestaat geen negentiende-eeuws feminisme zonder negentiende-eeuws masculinisme.
Vitus hoorde als partner volgens de dagboekgegevens niet tot deze categorie doemdenkers. Hier spreekt waarschijnlijk de Multatuliaanse invloed. Hij vervulde ook enkele zorgtaken. Het socialisme botste wel met het feminisme omdat het de vrouwenkwestie als onderdeel van de sociale kwestie zag en geen aparte vrouwenstrijd erkende. Maar volgens Fia Dieteren en Ingrid Peeterman werden de vrouwenverenigingen in Groningen en Friesland minder kritisch bejegend vanwege de radicalisering van de arbeidersbeweging aldaar. Van Uildriks' rol in de oude socialistische beweging was bescheiden en gerelateerd aan Bruinsma's positie. De laatste nam in 1896 definitief afstand van de politiek dat symbolisch door hun verhuizing naar Lochem werd bevestigd.
Het was de Groninger filosoof en psycholoog Gerard Heymans die het negatieve vrouwbeeld nuanceerde met het in 1910 verschenen boek Psychologie der Frauen, hoewel zijn enquêteonderzoek op een verondersteld waardevrij oordeelsvermogen van mannelijke hoogleraren steunde. Na 1890 ontstond daarnaast meer ruimte voor bewegingsonderwijs, sport en spel voor vrouwen. De aandacht voor het lichaam werd door economische (slechte werkomstandigheden en hygiëne) en maatschappelijke (het moderne leven) factoren bepaald. De term lichaamscultuur verwees naar allerlei leefregels waarmee men hoopte het lichaam te sterken en de geprikkelde zenuwen te genezen: gymnastiek, sober eten, massage, eenvoudige kleding, koudwaterbaden en frisse lucht. Zo kwam de gezonde vrouw in beeld. De komst van de vélocipède, een samenstelling van de Latijnse woorden velox 'snel' en pes 'voet', in Nederland rond 1870 droeg daaraan bij.
Van Uildriks was een bijzonder actieve vrouw. In 1882 werd ze lid van de gymnastiekvereniging Gruno. Voordat Nederland een echt fietsland werd, kocht zij een driewieler. Het schoolbestuur verzocht haar in 1886 vergeefs om de fiets te verkopen. In 1899 kocht ze voor 275 gulden een nieuwe Adler-driewieler: 'bij 't paadje naar 't bad met de fiets in de sloot gelegen. Doornat naar huis, andere kleeren van top tot teen en toen toch nog de Berkel in!'. Met fietslessen aan de Fongers-rijwielschool in Arnhem realiseerde ze haar wens van een tweewieler. 'Het rijwiel heeft wonderen gedaan', schreef de in Nederland praktiserende Duitse gynaecoloog en etnoloog C.H. Stratz in De schoonheid van de vrouw. Zijn betoog is een typisch negentiende-eeuwse mengeling van rasbiologische, evolutionistische en erotische elementen. Feministen en medici voerden verhitte discussies over de vrouwenmode met het korset als inzet. Hervormingsgezinde artsen als Hector Treub en Stratz pleitten vanuit gezondheidsargumenten voor vereenvoudiging van het korset, maar waren tegen afschaffing vanwege de kledingdruk op buik-, bekken- en rugspieren, het gebied van de voortplantingsfunctie. Reformaanhangers verzetten zich tegen het schoonheidsideaal van de wespentaille en benadrukten de natuurlijke gezondheid van de vrouw die best zonder korset door het leven kon gaan. Zij vonden de naam 'hobbezakken' van Treub misplaatst.
In 1901 noteerde Van Uildriks: 'het groote pak uit Den Haag kwam Woensdag 27 November en van den dag daarop af, ben ik heerlijk in reformkledij gestoken, "los van alle banden", zei Br.'. De kleding was mogelijk door firma De Wekker, een coöperatieve inkoopvereniging, vervaardigd. Welke maatschappelijke implicaties deze keuze had, bleek toen ze door de ziekte van Vitus weer meer onder de mensen kwam en: 'het "bijzonder" zijn' hinderde. Het laatste verwees mede naar haar korte haardracht, een zogenaamd polkakapsel. In dezelfde periode experimenteerden ze met vegetarische gerechten. Op haar achtenveertigste verjaardag kreeg ze van haar levenspartner een kano en maakte daarmee tochten op het riviertje de Berkel. Baden deed ze als het kon om de dag: 'de Berkel was weer vrij van ijs; 's morgens kano schoongemaakt na 't baden; 's middags 2 tot 4 geroeid en boter van de boterfabriek gehaald'. Ze schafte zich later een ijshamer aan om een bijt te kunnen (laten) slaan.
In 1907 openbaarden zich bij Vitus Bruinsma de eerste symptomen van afasie: 'Hij kon 's morgens aan de schrijftafel in eens niet precies schrijven wat hij wou (…) 't Was of al mijn bloed naar mijn hart terugvloeide'. Zijn toestand verslechterde na 1910 en hij stierf op 28 augustus 1916 te Rotterdam. Frederike van Uildriks overleed op 12 juli 1919 in het Gelderse Gorssel alwaar ze werd begraven. Haar grafsteen is dankzij tijdig ingrijpen van Ter Braak bewaard gebleven.
Literatuur:
Mineke Bosch, Eddy ter Braak, 'Dagboek van een 'vrij huwelijk'. Frederica van
Uildriks en Vitus Bruinsma' in: Jaarboek voor Vrouwengeschiedenis 18 (1998),
117-140.
William Leach, True love and perfect union. The feminist reform of sex and society (London
1980).
Inge de Wilde, Nieuwe deelgenoten in de wetenschap. Vrouwelijke studenten en docenten aan de
Rijksuniversiteit Groningen 1871-1919, Groninger Historische Reeks 16 (Assen 1998).
© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries
Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke
toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.