Uit: De Vrije Fries 28 (1926), 111-127. [PDF-bestand]
Johan Winkler en het Oera-Linda-Boek
(een inleidende studie)
Dr. M. de Jong Hzn
Al mei it just net noflik hjitte,
Dat immen mei de roskaem pielt,
Dy wier is, scil him sizze litte,
As hy mar klear de wierheit fielt.
H.T. VAN WARNERS
In 1916 overleed te Haarlem op 75-jarige leeftijd de heer Johan Winkler, bekend folklorist, van
huis uit geneesheer, van 1865-75 als zoodanig te Leeuwarden gevestigd, waar hij geboren was;
beoefenaar van de Friese taal en geschiedenis, in zijn Leeuwarder tijd bestuurslid-bibliothecaris
van het Friesch Genootschap van Geschied-, Oudheid- en Taalkunde, de laatst overgeblevene
van hen, die over de wieg van het Oera-Linda-Boek gestaan hadden, als weleer de Pleiaden over
Klaasje Zevenster, onbewust van de herkomst van het wicht; hij was getuige geweest van al de
tobberij der eerste jaren, van de trage groei van handschrift tot boek. En voor en na de uitgave
had hij de eerste schermutselingen over de echtheid meegemaakt en zich niet onbetuigd
gelaten.
Winkler's overlijden was een gebeurtenis voor het Friesch
Genootschap en voor allen, die in Frieslands verleden en Friese cultuur belang stelden. In
1907 immers had Winkler bij het Genootschap in bewaring gegeven een kistje, dat naar zijn zeggen
de bescheiden bevatte, die de openbaring zouden brengen van het geheim van het Oera-Linda-Boek.
Cornelis over de Linden, de Helderse meesterknecht aan de Marine-werf, was volgens hem de
vervaardiger niet.1 Wie het dan wel was of waren,
zou uit de gedeponeerde stukken blijken .... na Winkler's dood.
Want pas dan, zoo had hij bepaald, zou het geheim ontsluierd mogen
worden.
Toen nu Winkler van deze aarde verscheiden was, werd het kistje in de
bestuursvergadering van 18 Maart 1916 geopend Het bleek te bevatten: een aantal brochures,
kranten, enz alle op het Oera-Linda-Boek betrekking hebbende, en voorts een aantal brieven van
verschillende personen, de meeste van (p. 112) Verwijs, aan Winkler
gericht, benevens een memorie van Winkler's hand. In dit schrijven nu, dat de sleutel tot het
geheim moest bevatten, werd beweerd, dat de vervaardigers van het Oera-Linda-handschrift waren:
Dr. Eelco Verwijs en zijn academievriend Ds. François Haverschmidt, van 1862-64 predikant
bij de Ned. Herv. Gemeente aan Den Helder, daarna te
Schiedam, als Piet Paaltjens toen en later algemeen bekend. Scheepstimmerbaas Over de Linden was
naar de beschouwing van Johan Winkler niet meer dan de handlanger dier beide heren geweest.
De opbrengst van het kistje was voor het Genootschapsbestuur een grote
teleurstelling. Wel is waar was reeds lang te voren bekend geworden, welke personen Winkler op het
oog had. In zooverre wist men dus, hoeveel men te wachten had. De teleurstelling, waaraan Mr.
Boeles in De Vrije Fries uiting gaf2, was
dan ook meer het gevolg hiervan, dat men verwacht had - en met recht mocht verwachten - dat
Winkler, indien ook al geen positieve bewijzen, dan ten minste zoodanige gegevens aan het licht
zou brengen, dat zijn opvatting daardoor hoogstwaarschijnlijk, althans aannemelijk gemaakt zou
worden.
Dit nu is, we moeten het Mr. Boeles toegeven, niet geschied. De gedrukte
stukken brachten natuurlijk geen nieuws; de geschreven stukken echter ook niet; de brieven van
Verwijs schenen veeleer in tegenspraak met Winkler's beweren; en de memorie van Winkler zelf.
... ja, wat bracht die voor nieuws? In hoofdzaak slechts dit: Zij gaf de persoonlijke
motivering van de mystificatie, die echter voor de beide hoofdaanleggers niet dezelfde geweest zou
zijn. Volgens Winkler was het er Verwijs alleenlijk om te doen geweest, de toenmalige archivaris
van Leeuwarden, W. Eekhoff, die als geschiedschrijver van Friesland en van Leeuwarden naam had, er
in te laten lopen. Bij Haverschmidt zou de bedoeling voorgezeten hebben, het openbaringsgezag van
de Bijbel aan te tasten.
Zooverre de laatste betreft, weet Winkler letterlijk niets tot staving
van zijn vermoeden bij te brengen; Verwijs' motieven licht hij toe met een aantal mededelingen
over de persoonlijke verhouding tussen de stedelijke en de provinciale archivaris. Eekhoff schijnt
een man geweest te zijn, die zich in het dagelijks leven door een ietwat afgemeten deftigheid
onderscheidde. We (p. 113) kennen Verwijs, ook uit Verdam's
levensbeschrijving, genoeg, om te weten, dat zoo iets onfeilbaar zijn spotlust moest opwekken.
Eekhoff, zoo herinnert Winkler, hield hardnekkig vast aan de ouderwetse titulatuur
archivarius, schoon toenmaals reeds al zijn collega's zich archivaris noemden.
Dit moet Verwijs aanleiding gegeven hebben, Eekhoff bij voorkomende gelegenheid "de laatste
der archivariussen" te noemen. Een ander maal betitelde hij hem als "Wopke de
Profeet".
Verwijs' toeleg met het O.L.B. mislukte, zoo zegt Winkler. Eekhoff liep niet in de
val.3 Er werd echter een ander slachtoffer
gemaakt. Dr. J.G. Ottema, conrector van het Leeuwarder Gymnasium, spande zich uit alle macht voor
de zaak, alsof zij de hoogste eer van Friesland gold en rustte niet, voor hij in 1872 het
Oera-Linda-Boek, met de vertaling in het Nederlands er naast, uitgegeven had. Verwijs, die jegens
Ottema niets kwaads in zijn schild had gevoerd, liet niettemin de zaak op zijn beloop en hield
zich verder op een afstand.
Tot zoover Johan Winkler.
In een in het Fries geschreven, zeer lezenswaard artikel4 heeft de heer J.J. Hof de opmerking gemaakt, dat degenen, namens wie Mr. Boeles
sprak, vermoedelijk onder de indruk van de teleurstelling, Winkler's mededelingen toch wel wat
al te laag hebben aangeslagen.5 Deze opmerking is
juist, maar ietwat vaag. Ik zou me aldus willen uitdrukken: Men heeft uitsluitend naar objectieve
gegevens uitgezien en daardoor voor de subjectieve kant van Winkler's verklaringen geen oog
gehad. De objectieve waarde van Winkler's memorie is, zooals ik te zijner tijd zal aantonen,
nog geringer dan Mr. Boeles aannam. En evenwel had deze gewicht moeten hechten aan het feit, aan
het blote feit, dat een man van eer, als Johan Winkler, die de lijdensgeschiedenis van het begin
af meegemaakt had, in zijn ouderdom de behoefte gevoeld heeft. een verklaring af te leggen in
handen van hen, die, naar hij veronderstellen mocht, zijn ernst begrepen, en wel in de plechtigste
vormen, bij wijze van testament; dat deze man negen jaar vrede gehad heeft met zijn
uiterste wilsbeschikking, en op hoge leeftijd (p. 114) is overleden
zonder een enkel woord herroepen of enige nadere verklaring gegeven te hebben.
Hof zegt: "Ik heb Johan Winkler gekend, lange jaren. Als een goed
mens, als een goed Fries, als een aristocraat van de geest, als een orthodox Christen.6 En ik weet voor mijzelf één ding:
die man wenste niet de dood in te gaan met een lichtvaardige beschuldiging van medemensen op de
lippen".
Dit getuigenis kan slechts strekken tot versterking van onze opvatting.
Derhalve: De ernst en de integriteit van Johan Winkler hadden voor Mr. Boeles een argument moeten
zijn - onder beneficie van inventaris natuurlijk - maar tòch een argument. Dat is de
subjectieve waarde van Winkler's openbaarmaking, geheel op zichzelf beschouwd.
Uit de mededelingen van Hof betreffende zijn omgang - te Haarlem - en
zijn latere briefwisseling met Johan Winkler, blijkt voorts, dat de oude man vele jaren met die
Oera-Linda-geschiedenis omgepakt heeft. Ook dit is reeds op zichzelf een belangrijk subjectief
gegeven; het bewijst, naast Winkler's ernst en integriteit, zijn nood en zorg.
Acuut werd de kwaal, toen in 1903, na een 25-jarige periode van
schijndood, het Oera-Linda-Boek opnieuw in de litteratuur verscheen. In het opstel van F. Bezemer
in het tijdschrift Noord en Zuid, jaargang 1903, dat in 1907 in de bundel Nieuws uit
Oude Boeken herdrukt werd, zijn geen nieuwe gezichtspunten geopend. Integendeel! de schrijver
behandelt het geval als een curiosum uit de oude doos en bepaalt zich tot een referaat van de
opvattingen van Beckering Vinckers.
Winkler voelde zich verontrust. Hij zocht met de heer Bezemer en in het
vervolg met ieder, die zich in krant of tijdschrift over het O.L.B. had uitgelaten, in verbinding te komen, om invloed uit te
oefenen op de zienswijze der schrijvers.7 Zoo
schreef in de Oprechte Haarlemsche Courant Steven Kleykamp (een schuilnaam), wiens
identiteit Winkler vergeefs heeft trachten vast te stellen; zoo in Het Boek, van tijd tot
tijd de stand van zaken opnemende. Dr. Burger; zoo ten slotte de heer Hof, die in Hepkema
de zaak had aangeroerd.8 Er was iets, (p. 115) dat Winkler dreef, om voor dezen allen en o.a. ook voor de heer J.T.
Eekhoff, die in 't bijzonder werk maakte van het O.L.B.9, een
tip van de sluier op te lichten, door soms één, maar ook wel eens - zoo aan de heer
Eekhoff - beide de hoofdschuldigen aan het drogwerk met name te noemen. Zoo kwam het dat Winklers
bedoelingen, wat de personen betreft, al lang geen geheim meer waren, toen het kistje geopend zou
worden. Deze zooveel onrust verradende, onderhandse schrijverij, een vreemd en abnormaal
verschijnsel bij een man, die zooveel gepubliceerd had als Johan Winkler, leidde niet tot het
doel, had veeleer een averechts resultaat. Daardoor werd hem die Oera-Linda-historie tot een
obsessie, waarvan hij zich tot elken prijs bevrijden wilde. In 1906 schreef hij aan Hof, dat hij
bezig was alles na te snorren, wat met het O.L.B. in
betrekking stond. Dat zijn de voorbereidende maatregelen voor zijn Oera-Linda-testament.
Zoo hoopte Winkler voor goed de boze geest te bannen, die hem zoo lang
gekweld had en zijn laatste levensjaren te vrijwaren tegen ergernis. Sterk kwam dit uit in 1912,
toen Hof in April en Juni twee artikelen schreef over het O.L.B. in het Nieuwsblad van Friesland. "Daarmee is
die verdrietige zaak, die nu al 45 jaar mij veel verdriet en ergernis gegeven heeft, opnieuw
opgehaald", schrijft Winkler. Het is haast roerend hoe hij zijn jongere vriend verzoekt,
alles te doen, wat hij als redacteur kan doen, om te verhinderen, dat er nu verder over die
kwestie geschreven wordt. Hij heeft immers te Leeuwarden zijn testament doen neerleggen. "Zoo
graag wilde ik, dat men maar enkele jaren wilde wachten ...."10
Men mag wel aannemen, dat de heer Hof, wanneer hem toentertijd de
betekenis van Winkler's depositie te Leeuwarden voor Winkler zelf bewust geweest was,
bedoelde artikelen voorlopig in de pen gehouden had. Want dat is het, wat wij hier uitdrukkelijk
moeten vaststellen: bij alles, wat het verder mag zijn of niet mag zijn, is Winkler's
testament in elk geval een hyper-subjectieve en, door de plechtige inbewaargeving van het kistje,
een symbolise verlossingsdaad. Dit verklaart voldoende, hoe Winkler zich tevreden kon
stellen met zoo'n pover "bewijs"- (p. 116) materiaal. Komt
enerzijds de objectieve waarde daarvan nu nog sterker in verdenking, anderzijds wordt de
subjectieve waarde ervan niet weinig versterkt. Wij mogen derhalve Winkler niet scheiden van die
gegevens; hij heeft het zelf ook niet gedaan. Wij moeten m.a.w. het subject-Winkler mede tot
object maken, d.w.z. de gegevens van het kistje niet anders beschouwen dan in verband met Winkler
zelf. Dit geeft al aanstonds het volgende inzicht: Er bestond bij de mens Johan Winkler een diepe,
een levende, een heilige, haast relegieuze overtuiging, dat alles, wat Beckering Vinckers in
schijnbaar strenge bewijsvoering met overdaad van materiaal betoogd had, op drijfzand rustte en
dat - om het minste te noemen en binnen Winkler's ervaringsgebied te blijven - Eelco Verwijs
willens en wetens een onecht stuk, aan welks ontstaan hij mede schuldig was, de kring van het
Friesch Genootschap binnengesmokkeld had. Deze, op inwendige ervaring berustende
overtuiging is, wel te verstaan, niet te houden voor een mening, gegrond op enkele
meer of minder betwistbare gegevens. Zulk een mening over de oorsprong van het O.L.B. zou voor ons volkomen waardeloos zijn. Neen, het gaat om
een stuk leven, om het pond vlees, dat deze zaak van de oude man gevergd had.
We zullen nu in de eerste plaats de vraag stellen, die ook Hof zich gesteld heeft: Waarom heeft
die duistere zaak de oude Winkler zoo gekweld?
Wij zullen niet ontkennen, dat het hem niet onverschillig geweest is, of
hij bij de goedgelovigen, dan wel bij de echtheidontkenners ingedeeld werd. Zoo zond hij nog in
latere jaren aan Dr. Burger een exemplaar van de Leeuwarder Courant van Sept. 1871. bevattende een
artikel van zijn hand, waaruit overduidelijk bleek, dat hij niet in de val gelopen was, in
die val tenminste niet Maar er is toch geen redelijke grond, om aan te nemen, dat
Winkler's onrustige bedrijvigheid van 1903 en volgende jaren ten doel had zijn critise naam te
redden. Wie had die aangetast? Niemand. En Bezemer zeker niet. Trouwens, de kwestie van echtheid
of onechtheid was toen voor niemand een kwestie meer. Verder smeedt men geen nieuwe
hypothese, als men oud inzicht bewijzen wil, en dan vooral geen hypothese, die zijn eigen
critise naam volstrekt niet onaangetast laat. Want dit moeten we goed in 't oog houden: (p. 117) De Verwijs-hypothese plaatst Winkler zelf in de rol van gedupeerde
en is bovendien een verloochening van al wat hij vroeger zelf over de kwestie geschreven
had.
Om met het laatste te beginnen: Winkler had indertijd het resultaat van
Beckering Vinckers' onderzoek naar de schrijver volkomen aanvaard, zooals hij zich ook van
ganser harte had aangesloten bij diens kritiek op de taal van het O.L.B. Dit komt in de eerste plaats tot uiting in een artikel
van zijn hand in De Nederlandsche Spectator van 1877.11 Het was geschreven naar aanleiding van een voorafgaand anoniem stuk. waarin o.a.
de volgende zinsnede voorkwam:
"In die dagen was de familie Over de Linden groot en het boek
beroemd. Van alle kanten kwam men als in pelgrimage naar Den Helder om het eerbiedwaardig
overblijfsel te zien".
"Zelfs in een stad in ons dierbaar vaderland was het gansch niet de
bon ton aan de echtheid te twijfelen". Die stad was Leeuwarden. En nu "stak" het
Winkler toentertijd ongetwijfeld, dat hij bij de goedgelovige Leeuwarders ingedeeld
werd.
Om te laten uitkomen, dat niet alle Leeuwarders zich bij de neus lieten
nemen, gaf hij een geregeld overzicht van wat hij in de handschrift-affaire gedaan had. Hij had
opdracht gekregen van het Friesch Genootschap om het door Verwijs genomen afschrift van het
O.L.B. op taal en inhoud te onderzoeken. In zijn - zeer
sober - verslag12 had Winkler verklaard, dat
het handschrift hem zeer verdacht voorkwam; dat de inhoud allervreemdst, deels mythologies, deels
histories en de taal ten dele Oud-Fries was, maar dat er ook uitdrukkingen in voorkwamen, die van
jonge dagtekening schenen te zijn, schoon hij geen antwoord kon geven op de vraag, wanneer, door
wie en met welk doel het handschrift zou zijn vervaardigd. Nu - 1877 - kon hij er aan herinneren,
dat hij en zijn vriend Gerben Colmjon, Verwijs' opvolger aan het Provinciaal Archief, reeds in
1871 polemiek gevoerd hadden met de verdediger van de echtheid tot het uiterste, de latere
uitgever Dr. J.G. Ottema. Met zeer doorzichtige bedoeling kon hij gewag maken van Ottema's
toorn over zijn hardnekkige ongelovigheid. (p. 118)
In een van zijn brochures had Ottema Johan Winkler gesignaleerd als de
man, die in plaats van te zeggen: "Ik weet het niet", er de voorkeur aan gegeven had,
zijn onkunde te bemantelen met een waanwijze minachting voor het Oera-Linda-Boek. Ottema had
Winkler naderhand wel zijn verontschuldigingen aangeboden13, maar deze had zich de zaak zoo aangetrokken, dat hij zich genoopt gevoelde, af
te treden als bestuurs-lid-bibliothecaris van het Friesch Genootschap.
Zoodat Winkler zelfs min of meer de houding aannam van een slachtoffer
van zijn ongeloof aan de echtheid van het O.L.B.
Vrees voor zijn critise naam, het motief, dat Hof ten onrechte aanneemt
voor Winkler's bedrijvigheid na 1903, deed dus toentertijd nog zijn volle werking. En Winkler
gebruikte het juiste, het aangewezen middel, om het postvatten van verkeerde meningen te zijnen
opzichte tegen te gaan: de publicatie.14
In genoemd artikel komt reeds uit, hoe hij zich bij voorbaat aansloot
bij Beckering Vinckers' resultaten in zijn onderzoek naar de schrijver, wiens aanstaande
ontmaskering hij zelfs het begin van her einde noemt.15
Hoe volkomen Winkler door Beckering Vinckers overtuigd werd, blijkt
echter nergens beter uit dan uit een artikel van Winkler's hand in "Ostfriesisches
Monatsblatt" van Juni 1877.16 Van 't
boekje van B.V. heet het: "Man
kaufe sich nur getrost das Büchlein und wird sich nachher über die 1½ Mark,
welche es kostet, gewisz nicht beklagen". En verder: "Dieser und
jener und vorab Dr. J.G. Ottema, der gar zu arg durch den Betrug mitgenommen und angeführt
ist, hat dieses seiner eigenen schwachen Kritik zu danken. Kein Mann von luchtiger Wissenschaft
doch hat sich, so bald das ganze Oera-Linda-Buch zu lesen war, anführen und mitnehmen
lassen". "Am Ende, wir Friesen können uns Glück wünschen, dasz endlich
durch Dr. J. Beckering Vinckers' Bemühungen das Rätsel des (p.
119) vielbesprochenen, berüchtigten Oera-Linda-Buchs für jeden Unbefangenen,
für jeden Verständigen vollstandig gelost worden ist."
Duidelijker kon het niet gezegd worden. Het was in deze tijd, dat
Winkler zelfs met Beckering Vinckers in vertrouwelijke correspondentie stond, één
van zin in de Oera-Linda-zaak, zoo zelfs, dat B.V.
Winkler kon aansporen de zaak eens in Friesland ter hand te nemen.17
Welk een minachting voor kritiekloze mensen als Ottema, die eigenlijk
niet beter verdienen, dan hun geschiedt! Hoe duidelijk klinkt daardoor heen de toon: Ik dank u,
dat ik niet ben gelijk deze. Die toon van blijde verzekerdheid zou eerst gesmoord moeten worden.
voor er plaats kwam voor de theorie-Verwijs- Haverschmidt.
Verwijs - ach, hoe ver was Winkler er toenmaals van af, in hem de
bedriegelijke vervaardiger van het O.L.B. te zien.
zooals hij later deed. Toevallig had hij zijner in datzelfde Spectator-artikel gedacht.
Na opgemerkt te hebben, dat iedere Fries, in Friese taal en geschiedenis
niet onbedreven, met hem tot dezelfde conclusie van onechtheid gekomen zou zijn, vervolgt hij:
"Ja, dat Dr. Eelco Verwijs 't eerst eenige bladen van 't O.L.B., bij 't Friesch Genootschap van Geschied- Oudheid- en
Taalkunde ter tafel bracht, is waar. Maar Dr. Verwijs is geen Fries en (ni fallor) met de eigenaardigheden der Friese taal niet zoo
vertroud, om daardoor reeds terstond tot d'ontdekking van de valschheid van 't O.L.B. te kunnen komen. Voor zooverre ik weet, heeft-i dan ook
nooit d'echtheid van 't O.L.B. onvoorwaardelijk
verkondigd, noch verdedigd. Dat-i in 't begin twijfelde, 't bewijst eenvoudig, dat-i zelve
te eerlijk was, om terstond zo grote oneerlijkheid bij een ander, bij den schrijver-eigenaar van
't handschrift, te kunnen vermoeden".
Ziedaar, Verwijs' rechtschapene onkunde onder de welwillende
bescherming van de Friese expert Winkler. Hoe beschamend moet het voor deze geweest zijn, tot de
erkentenis te komen - hoe dan ook - dat die onbevoegde het ding, dat hij niet beoordelen kon !....
zelf tot aanzijn geroepen had. Hoe meedogenloos hard en snijdend moet hem Verwijs' spotlach in
de oren geklonken hebben. Daarbij voegde zich het besef, dat die Verwijs hem, juist hém had
uitgekozen voor het onderzoek (p. 120) van het manuscript. Want dat het
Friesch Genootschap Winkler met het uitbrengen van rapport belast had, was geschied op
voorstel van Verwijs.18 In welk licht
moest hem nu zijn correspondentie met Verwijs verschijnen, diens vertrouwelijke brieven, diens
pogingen om hem te overreden, het O.L.B. te
vertalen!
Kunnen we er nog wel één ogenblik aan denken, dat Winkler
zijn Verwijs-Haverschmidt-hypothese geopperd zou hebben, omdat het hem hinderde, dat zijn krities
vermogen in twijfel getrokken was? Neen, die hypothese, geworteld in diepe, zeer diepe ervaring,
is voor hem geweest een smartelijke erkenning van de waarheid.
De man, die voor "zijn naam" niet beter had kunnen doen dan te
zwijgen, heeft zonder enige andere dan inwendige noodzaak, maar uit een noodzaak, een tafereel van
de Oera-Linda-historie gegeven, dat hem zelf deed zien in de rol van dubbel gedupeerde, van de
onkritise, de goedgelovige naprater van Beckering Vinckers, en in de rol van slachtoffer van Eelco
Verwijs. Wel mocht hij zich nu herinneren, wat hij eens van Ottema geschreven had, die "gar
zu arg durch den Betrug mitgenommen und angeführt" was, maar dit "seiner eigenen
schwachen Kritik" te wijten had.
Wat Winkler uitsprak, waren derhalve geen losse beweringen, was geen
ijdel, op sensatie belust gepraat van loslippige ouderdom, tevens dienende om hemzelf in een
schoner licht te plaatsen; neen ! ondanks zich zelf is Winkler gekomen tot het uitspreken
van datgene, wat zich als onafwijsbare waarheid aan hem had opgedrongen.
De kategorise imperatief!
Daarin nu ligt de betekenis van zijn verklaringen, echter alleen
voor zooverre wij mogen aannemen, dat zij op die inwendige ervaring berusten.
Welk een tegenstelling tussen Verwijs' rechtschapene onkunde in de
Spectator en zijn duivelskunsten van later. Welk een afstand tussen die hovaardige, lichtelijk
waanwijze uitspraak, waarin, met voor Friezen van vroeger en later tijd eigenaardige mentaliteit,
onbevoegdheid van niet-Friezen verkondigd wordt, om in zaken, Friesland betreffende, mee te
spreken - en deze (p. 121) openbaring, die in haar diepste wezen niet
anders was dan de schaamtevolle erkentenis van eigen jeugdige onkunde, dwaling en
misvatting!
Hoe diep een val van de rustige hoogte eener zelfbehaaglijke zekerheid,
niet als Ottema en zooveel anderen, het slachtoffer te zijn van een domslimme falsaris tot in de
diepten van de twijfel en het knagend besef, door deze zelfgenoegzaamheid de dupe geworden te zijn
van een falsificator, met wie hij a.h.w. onder
één dak gewoond had!
Een lange tijd van worsteling, van tegenspartelen moet daar tussen
liggen, een tijd van uitvluchten en zelfbedrog Het woelde en gistte in Winkler, maar hij hield
zich gesloten. Hof, met wie hij op vertrouwelijke voet stond, heeft meer dan eens gepoogd, hem
over 't Oera-Linda-Boek aan het spreken te krijgen. Vergeefs. Over "dat sleaue boek"
liet hij zich toen nog niet uit. Nadat echter sinds 1903 het O.L.B. een wederopstanding beleefd had en er beschouwingen in
het oude genre verschenen; toen men Beckering Vinckers - nu histories geworden - voor
feuilletonnistise en antiquarise doeleinden begon uit te buiten toen werd het voor Winkler een
gewetenszaak, of hij dat kwaad mocht laten voortwoekeren.
Er zijn tekenen, die er op wijzen, dat Winkler - ondanks ommeslag van
waanwijsheid tot contritie - nimmer tot de rechte zelfkennis in dezen gekomen is. Ware dat wel het
geval geweest, hij had de ganse Oera-Linda-historie weten te objectiveren en daardoor zich zelf de
rust verschaft, waarnaar hij zoozeer, maar vergeefs verlangde. Hoogstwaarschijnlijk zou hij dan
ook wel eenige positieve aanwijzingen hebben kunnen geven, die aanvaard zouden zijn. Winkler is
echter nimmer boven het Oera-Linda-Boek uit kunnen komen. Vandaar dat hij getracht heeft, zich
zelf te sparen, zooveel mogelijk. In zijn memorie stelt Winkler het voor, alsof Verwijs - toen
deze hem brief op brief schreef, om hem aan het vertalen te krijgen - hem eigenlijk in vertrouwen
had willen nemen, hetgeen echter op zijn oprechte eenvoud afgestuit zou zijn. Zoo iets is
volstrekt uitgesloten; men leze aandachtig Verwijs' brieven en herinnere zich Winkler's
pedante grootspraak van 1877. Winkler verweert zich door de gedachte van medeplichtigheid
slechts tegen de voor hem zooveel hinderlijker, van onbewust werktuig geweest of als zoodanig
bedoeld te zijn De gedachte, door Verwijs gebruikt (p. 122) te zijn,
heeft hij zoo ver mogelijk van zich gehouden. Opmerkelijk zijn zijn zeer sympathieke woorden aan
het adres van den heer Eekhoff, volgens Winkler het eigenlijk bedoelde slachtoffer. Winkler
kòn meegevoelen met Eekhoff, achter wiens rug hij zich schuilhoudt. Want hij mocht het nu
boven allen twijfel achten, dat Verwijs hem, als rapporteur en vertaler, een hoofdrol had
toebedeeld in de tragi-comedie.19 Verwijs
moet gedacht hebben, dat de jonge, onervaren, wellicht wat pedante amateur-filoloog, zich door die
onderscheiding vereerd zou gevoelen, een handig werktuig voor zijn doeleinden.
Zulke gedachten mogen het geweest zijn, die om toegang aangeklopt hebben
bij de oude, verontruste Winkler. Hij heeft het echter niet over zich kunnen verkrijgen, de
waarheid in deze gedaante te zien, hard en ongesluierd.
Toch is het merkwaardig, dat de stukken, die ons in staat stellen tot
een oordeel over Winkler's vroegere denkbeelden, zooals Spectator-1877 en Ostfriesisches
Monatsblatt, met vele andere door Winkler in het kistje gedeponeerd zijn, bij zijne, hem zelf
verschonende memorie, evenals de belangrijke brieven van Verwijs. Winkler verschaft dus wel de
middelen tot interpretatie van zijn memorie en dient weer, ondanks zich zelf, de waarheid.20
Wij hebben in het bovenstaande alleen met Verwijs rekening gehouden, alsof de theorie niet Haverschmidt naast Verwijs gesteld had. We zullen daar rekenschap van moeten geven. Vooreerst geeft Winkler niet de minste positieve aanwijzing op Haverschmidts medeplichtigheid. Ten tweede heeft hij in de waardering van Haverschmidt's motieven sterk geweifeld, zooals ook uit de mededelingen van de heer Hof blijkt. Pas in het laatste halfjaar, voorafgaande aan het Oera-Linda-testament, is hij tot de overtuiging gekomen, dat het Haverschmidt er om te doen geweest is, het gezag van de Bijbel aan te tasten.21 Ten derde weten wij van geen enkel persoonlijk (p. 123) contact van Winkler met Haverschmidt, dat de mogelijkheid van inwendige ervaring, van intuïtief weten open laat, hetgeen in zijn verhouding tot Verwijs juist een moment van betekenis moet geweest zijn. Wat Winkler over Haverschmidt - en Over de Linden - gezegd heeft, is hoogst waarschijnlijk niet meer dan een verstandelijke hypothese geweest voortkomende uit deze overleggingen, die iedereen maken kan: Haverschmidt was een academievriend van Verwijs. Hij is predikant aan Den Helder geweest. Daar kwam hij in aanraking met Over de Linden. - Met zulke overleggingen geraakte Winkler echter buiten zijn eigenlijk ervaringsgebied. In hoeverre deze waard zijn een punt van onderzoek uit te maken, onafhankelijk van de persoon Winkler, zij daargelaten. Binnen Winkler's ervaringsgebied was echter slechts plaats voor een Verwijs-theorie. Het komt mij voor, dat we in Winkler's streven, om ook anderen dan Verwijs in de ontstaansgeschiedenis van het O.L.B. te betrekken, weer een onbewuste poging moeten zien om zichzelf te neutraliseren.
Hoe is de grote ommeslag in Winkler's denkwijze ten aanzien van het O.L.B. en zijn ontstaan te verklaren? Het is moeilijk daarop een
bepaald antwoord te geven, want Winkler heeft alles achterwege gelaten, wat ons in staat had
kunnen stellen, ons daarover een oordeel te vormen. Deze omstandigheid wettigt het vermoeden, dat
we hier staan voor een in hoofdzaak intern psychies proces, d.w.z. dat naar alle
waarschijnlijkheid slechts weinige en geringe feiten invloed op Winkler's denkwijze gehad
hebben; dat andere combinatie van reeds aanwezige elementen, onder invloed van studie,
levenservaring en veranderde omgeving, bovenal onder invloed van een veranderde opvatting van het
karakter van het O.L.B. een
vermoeden, ten slotte een overtuiging gevormd hebben, waarvoor hij a posteriori
de nodige bewijsstukken heeft trachten bijeen te brengen. (Winkler spreekt van "stille
nasporingen"), wat hem zelfs niet in de verte gelukt is.
Als ik wel zie, dan moet een heel vaag gevoel van beetgenomen te zijn,
reeds uit de eerste dagen van het O.L.B. dagtekenen.
Dit is dan mede oorzaak geweest van Winkler's dralen (het duurde een jaar voor hij met zijn
onnozel verslagje gereed was). Men weet, dat er reeds destijds te Leeuwarden (p.
124) waren, die zeiden: "Het zal een grap van Verwijs zijn".22 Dit primaire gevoel is dan onder een zware
voorstellingenlast bedolven geraakt. Vermoedelijk is Ottema's gezag en ernst en macht van
feitenmateriaal daar niet vreemd aan, al was die dan ook pro. Ottema's hardnekkige
verdediging moest bij zijn tegenstanders, vooral bij Friezen, die zijn ernst kenden en
waardeerden, toch ongetwijfeld de indruk achterlaten, dat in het O.L.B. een man met bijzondere kwaliteiten aan het werk geweest
was, degelijk en ernstig, zoodat de gedachte aan platte beetnemerij verworpen moest worden.
Eindelijk ontsloeg het geharnast betoog van Beckering Vinckers hem van alle overgebleven
scrupules. Winkler's Spectator-artikel bevat daarom waarschijnlijk ook een element afrekening
van de schrijver met zich zelf, met zijn twijfelingen, zijn geheime vrees. Inderdaad, hij heeft
zich gaarne door Beckering Vinckers laten overtuigen.
In hetzelfde jaar 1877 plaatste Winkler in De Navorscher23 een stukje, dat als een aanvulling van
B.V.'s bewijzenmateriaal bedoeld was. Een
Voorlooper van het O.L.B. heet het. Daarin wees hij
als hoofdbron aan een werk van de Vlaamse raadsheer Charles Joseph de Grave, getiteld:
République des Champs Elysées ou Monde ancien, Gent, 1806, welk werk volgens
Winkler zoozeer met het O.L.B. overeenstemde, dat hij
het ene niet anders kon beschouwen dan als een navolging van het andere. Elders kom ik op dit werk
terug. Hier willen wij alleen maar vaststellen, dat Winkler - hij had het wel even mogen vermelden
- deze suggestie niet aan zich zelf verschuldigd was. Zij was afkomstig van Jules Andrieu, die in
The Academy, van 17 Juni 1876, het O.L.B. en
genoemd boek van De Grave, meende te kunnen afleiden uit een gemeenschappelijke bron: een Zweeds
werk van Olof Rudbeck, Upsala, 1679, getiteld: Atland eller Mannheim. Deze theorie
(Beckering Vinckers' onthullingsbrochure was nog niet verschenen), werd door Taco H. de Beer
in het weekblad Euphonia van 24 Juni d.a.v. (no. 13) aan het Nederlandse publiek
medegedeeld. Beckering Vinckers had schijnbaar deze suggestie versmaad of (p.
125) genegeerd. Uit een brief van hem aan Winkler24 blijkt, dat hij er wel rekening mee gehouden had, doch dat het desbetreffende
gedeelte ten offer gevallen is aan de bekrompenheid van de drukker. Winkler in elk geval acht
Andrieu's aanwijzing een andere bejegening waard. Hij meent die met B.V.'s resultaten in overeenstemming te brengen door De
Grave niet naast, maar boven het O.L.B. te plaatsen.25 Dat Ottema in het bezit was van een De Grave,
vindt Beckering Vinckers hoogst belangrijk, evenals blijkbaar Winkler. Er is niet veel aandacht
aan Winkler's stukje in De Navorscher geschonken. De schrijver is trouwens in gebreke
gebleven, zijn opvatting nader te demonstreren. De onmogelijkheid, om zijn stelling waar te maken,
moet hem, ondanks enige overeenkomst in algemene trekken, toen het er op aan kwam, spoedig
gebleken zijn. Toch geloof ik, dat het nadenken over dit zonderlinge boek van De Grave, dat een
fantastise ideaal-republiek plaatste aan de monden van de Rijn; dat alle beschaving van daar deed
uitgaan; dat 't eiland Schouwen maakte tot het eiland van Circe, verblijfplaats van Ulysses,
die respectievelijk hun namen zouden geleend hebben aan Zierikzee en Vlissingen26 - zeer veel heeft bijgedragen om Winkler het ware
karakter van het Oera-Linda-Boek te openbaren.
"Een sleau boek" noemde hij het later, d.w.z. een mal, dwaas,
vreemd boek vol flauwe ... gekheid. Dat was al veel gewonnen, want schoon eenzijdig, deze
opvatting ging boven Beckering Vinckers' resultaten uit en wees de weg naar de oplossing. Zoo
heeft De Grave ongetwijfeld de smorende invloed van Beckering Vinckers bij Winkler helpen te niet
doen.
Heeft Winkler Verwijs nog een keer ontmoet in de drie levensjaren, die
de laatste nog restten, B.V. op de vergaderingen van
de Maatschappij der Nederl. Letterkunde, waarvan ook Winkler sedert 1875 lid was? En heeft hij
daar nadere suggesties ontvangen? Het is mogelijk, maar onbewijsbaar.
Eén belangrijke factor moeten wij nog in rekening brengen. (p. 126) In hetzelfde jaar 1877 had Winkler Friesland metterwoon verlaten en
zich te Haarlem gevestigd. Zijn veeljarig verblijf in Holland, waar hij niet onder de
onmiddellijke invloed van een Friesland en elkander verheerlijkende geleerdenkring stond; waar hij
met Nederlandse geleerden en Nederlandse wetenschap in aanraking kwam en zijn Friese
aspiratiën tot Groot-Nederlandse wist om te vormen, moet op de algemene kleur van zijn denken
van groten invloed geweest zijn. Daar begon het duister voor hem op te doemen, wat hem wel nimmer
als klare, objectieve waarheid voor ogen gestaan heeft: dat de Friese wetenschap een halve eeuw
bij de Hollandse ten achter was; dat de wetenschappelijke kritiek daar geen reiniging gebracht
had; dat nieuwere inzichten op het gebied van taal en historie aan Friesland voorbijgegaan waren
en nieuwe methodes van onderzoek daar geen ingang hadden gevonden. Friesland met zijn in vele
opzichten eigene cultuur miste nu zijn Athenaeum, dat een schakel had kunnen vormen met de
Hollands-Nederlandse wetenschap. De Bibliotheek was naar Leeuwarden gegaan, en een Buma, die de
Buma-bibliotheek en de Buma-lenen gesticht had, mocht er van gedroomd hebben, Leeuwarden tot het
brandpunt van een hoge Friese cultuur te maken; het Friesch Genootschap mocht zich met
ijver wijden aan zijn taak van voornaamste drager dier cultuur, Leeuwarden was geen toonaangevend
centrum geworden, dat op een lijn te stellen ware met de grote Nederlandse centra van wetenschap
en kunst, - en de prestaties van het Friesch Genootschap waren niet in overeenstemming met
de aanspraken, die men stilzwijgend of luide genoeg deed gelden.
Dit moet Winkler langzamerhand tot half-bewustheid gekomen zijn door
zijn langdurig verblijf in Holland. Vreemde schamplichten zag hij spelen over het Oera-Linda-Boek,
dat de hoogheid en de oudheid van de Friese stamcultuur zoo buitensporig verhief, met schijn van
ernst, ja, met niet meer dan een schijn, want de frivole toon van het "sleaue boek"
klonk steeds scheller en hatelijker voor hem op.
Naarmate voor Winkler's besef de klove tussen Friese werkelijkheid
en het Friese ideaal dieper werd, onthulde zich voor hem het ware karakter van het
Oera-Linda-Boek. Steeds duidelijker hoorde hij daarin de lach schateren van Mephisto, die de
Friezen deze drogbeelden voor ogen getoverd had, zooals hij weleer de (p.
127) verblufte stamgasten im Bremer Ratskeller deed, toen zij elkaars neuzen voor kersen
hielden en begonnen te "raufen"27 ,
zooals hij nu de Friezen met satanies genoegen had zien plukharen.
Wie was de spotgeest, "naneef van den vader der logenen",
gelijk Verwijs eenmaal Cornelis over de Linden betiteld had? Wie was de vreemde geest, die buiten
en boven die relatief ietwat achterlijke cultuur stond; die haar in haar kracht en zwakheid, haar
tendenzen en idealen, haar middelen en doeleinden zoo volkomen doorgrond had?
Het was dezelfde Eelco Verwijs, die schoon in aanzienlijke betrekking de
Genootschapskring binnengetreden, als geen Fries zijnde, in zaken, Friesland betreffende, niet
voor vol werd aangezien; de aartsspotter, die deze behandeling uit de hoogte - niet alleen het
jonge amateurtje Johan Winkler veroorloofde zich die houding - met de pijlen van zijn vernuft
betaald zette.
Het gevoel voor deze situatie is Winkler langzamerhand gekomen. Hij,
Verwijs, moest de man geweest zijn, die hen allen doorzien en hen allen om de tuin geleid
had.
Tal van kleine feitjes uit de voorgeschiedenis van het O.L.B. lieten tot schrik van Winkler een nieuwe duiding toe
...
Dat Winkler niet alles scherpomlijnd voor zich gezien heeft, is ten dele
het gevolg van zijn tegenspartelen, van zijn persoonlijk verweer tegen de rol van dupe. Maar toch
ook hiervan, dat hij, de arts-dilettant-taal- en geschiedkundige, zelfs later, niet ver genoeg
boven en buiten die kringen stond, en hun tendenzen en idealen niet voldoende wist te
verloochenen. Zoo bleef hij bij zijn beoordeling van de situatie aan de personen hangen.
Zijn ganse visie was ingesteld op de tegenstelling tussen Eekhoff en Verwijs.
Hij zag niet, wilde niet, en kon ten dele ook niet zien, dat het antagonisme tusschen de
archivaris en de archivarius symptomaties was. En zijn haat concentreerde zich op het
"sleaue boek", dat hij met zijn voelen gepeild had ... tenslotte, - maar niet met zijn
denken omvat.
Noten
In druk verschenen als voetnoten, hier omgenummerd naar eindnoten.
1) Dit werd vrij algemeen aangenomen op gezag van de Kamper
taalgeleerde J. Beckering Vinckers.
2) De Vrije Fries, XXV, bl. 32, vv.
3) Zoo meende Winkler. Wij weten echter beter.
4) It Heitelân, jg. 1923, nrs. 19-23.
5) Aldaar, bl. 242.
6) It Heitelân, bl. 257. Cursivering van Hof.
7) Aldaar, bl. 244.
8) Aldaar, bl. 243.
9) Tijdschrift voor Boek- en Bibliotheekwezen. VI. 1908, bl.
237, vv.
10) It Heitelân, bl. 255.
11) Het artikel is gedagtekend 14 Maart. Ook in het kistje
gedeponeerd.
12) Verslagen van het Friesch Genootschap, bl. 202.
13) Deze verontschuldigingsbrief behoorde tot de inhoud van
het kistje.
14) Vergelijk hiermee zijn handelwijze na 1903.
15) Beckering Vinckers' brochure Wie heeft het
Oera-Linda-Boek ge- schreven? was toen nog niet van de pers. Zij verscheen nog hetzelfde jaar
(1877). Winkler was van de komst der brochure op de hoogte.
16) Ook in het kistje gedeponeerd.
17) Blijkens brieven, in het kistje gedeponeerd, doch niet
gepubliceerd.
18) Verslagen van het Friesch Genootschap, 1869-70, bl. 190
en 195.
19) Zie Verslagen van het Friesch Genootschap 1869-70 bl.
190 en 195 en in De Vrije Fries, XXV, bl. 50.
20) Daarom is het te betreuren, dat in de De Vrije Fries
XXV met de andere stukken niet een volledige inventaris van Winkler's kistje gepubliceerd
is.
21) It Heitelân, bl. 244.
22) Dr. C.P. Burger in Tijdschrift voor Boek- en
Bibliotheekwezen, jg. 1907.
23) De Navorscher, 1877, bl. 115.
24) In het kistje.
25) Andrieu nam aan, dat het O.L.B., in 't laatst van de 17de eeuw uit Rudbeck's werk
afgeleid was. Dit is met B.V.'s opvatting niet
te rijmen.
26) Vgl. de zotte plaatsnamen-afleidingen in het O.L.B.: Leiden uit Lydasburcht (van de half-godin
Lyda), enz.
27) Goethe, Faust.
© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries
Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke
toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.