Taal menu: Nederlands | Frysk
Algemeen
Actueel
Publicaties

Uit: Fryslân 8;2/3 (2002), 30-36.

Geschiedbeoefening in de provincie
De zusterverenigingen van het Fries Genootschap

Meindert Schroor

Het aanstaande jubileum van het Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur is een goede aanleiding voor een rondleiding door het ‘genootschappelijke’ landschap van Nederland. In dit artikel kijken we over de grenzen van Friesland en schetsen we een beeld van het wel en wee van een aantal zusterverenigingen van het Fries Genootschap (FG). We concentreren ons daarbij op een viertal met Friesland vergelijkbare provincies: Groningen, Drenthe, Overijssel en Zeeland. Hoe zijn de verenigingen ontstaan? Wat waren en zijn hun doelstellingen en welke zijn hun activiteiten en perspectieven? Om te beginnen een kijkje in de voorgeschiedenis van een vijftal provinciale historische genootschappen, waarvan de oudste representanten hun ontstaan juist niet ontleenden aan de bestudering van de historie.

Historieschriver der Staten

Gezien de ouderdom (175 jaar) van het FG en zijn vestigingsplaats (‘history-minded’ Friesland) ligt de gedachte voor de hand dat onze provincie de eerste was, waar men zich in genootschappelijk verband bezig is gaan houden met – aspecten van – de regionale geschiedenis. De belangstelling voor regionale geschiedschrijving in Friesland kent immers een lange traditie en die kreeg onder invloed van het humanisme vooral in de zestiende eeuw gestalte. Om het wettige republikeinse gezag te legitimeren werd in 1590 zelfs het ambt van ‘historieschriver der Staten’ ingesteld, een functie die in de achttiende eeuw geleidelijk aan verwaterde. In de eeuw van de Verlichting verdween de dramatiek en de glans van het regionaal georiënteerde geschiedverhaal om plaats te maken voor een meer registrerende en inventariserende geschiedbeoefening met het accent op algemeen Nederlandse onderwerpen. Daarin nam het individu onder invloed van de ideeën van de Verlichting een belangrijker plaats in dan het gemeenschappelijk beleefde verleden en kwam een einde aan de bloeitijd van de Friese historiografie uit de zestiende en zeventiende eeuw.

Experiment en empirie

In de achttiende eeuw kreeg de geschiedbeoefening er bovendien in de vorm van de natuurkunde een geduchte concurrent bij. Er was zelfs sprake van een modeverschijnsel waarbij met name edelen en gegoede burgers deelnamen aan natuurwetenschappelijke cursussen en experimenten. Experiment en empirie waren de sleutelwoorden, die in het voetspoor van de Engelse natuurkundige Isaac Newton hier te lande door natuurkundigen als W.J. ’s Gravesande (1688-1742) en P. van Musschenbroek (1692-1761) werden gepropageerd. Na het midden van de achttiende eeuw drongen deze ideeën ook tot Friesland door, onder meer via Franeker professoren zoals Petrus Camper (1749-1755 hoogleraar te Franeker) en Jan Hendrik van Swinden (1766-1784 hoogleraar te Franeker). Naast de officiële wetenschapper ontstond in de tweede helft van de achttiende eeuw het fenomeen autodidact. Hiervan was de wolkammer Eise Eisinga een van de eerste vertegenwoordigers. Om de angst voor de gevolgen van een planetaire conjunctie te bestrijden bouwde hij in de jaren 1774-1778 zijn Planetarium.

Intellectuele eilandjes

Toch kwam het vooral buiten Friesland tot de oprichting van regionale of locale geleerde genootschappen, waarin overigens niet de geschiedbeoefening maar de wetenschap en dan met name de natuurwetenschappen, maar ook de kunsten een centrale rol speelden. De dikwijls spectaculaire ontwikkelingen en ontdekkingen hadden immers rechtstreekse gevolgen voor de plaats van de mens in de wereld, zijn relatie met God of een opperwezen. Ze hadden ook verstrekkende implicaties voor filosofische en theologische opvattingen in het algemeen. In het voetspoor van de in 1752 te Haarlem opgerichte Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen werden in Rotterdam (Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte, 1769), Utrecht (Provinciaal Utrechtsch Genootschap van Konsten en Wetenschappen, 1773), Amsterdam (Felix Meritis, 1777) en Haarlem (Teylers Stichting, 1778) geleerde genootschappen opgericht. Reeds in 1765/1769 richtten twaalf gegoede Vlissingse burgers en regenten het (naderhand: Koninklijk) Zeeuwsch Genootschap der Wetenschappen op. Het deftig gezelschap had zich de bevordering van de wetenschapsbeoefening in de Republiek (!) ten doel gesteld en werd in 1769 erkend door de Staten van Zeeland, terwijl stadhouder Willem V het protectoraat (beschermheerschap) aanvaardde. Met de menselijke rede als beginsel werd het maatschappelijke nut van de wetenschap – die zich in die tijd ook naar buiten de universiteiten verplaatste – benadrukt. Het ZGW werd geleid door directeuren die gerekruteerd werden uit de regentenelite. Zoals blijkt uit de sedert 1769 gepubliceerde Verhandelingen hield men zich, zoals de andere genootschappen vooral bezig met de natuurwetenschappen. Daarnaast kwamen  maatschappelijke en theologische kwesties aan bod, zoals bijvoorbeeld de armenzorg en in mindere mate met de geschiedenis. Onder het adagium ‘deugd en waerheijt’ werden prijsvragen uitgeschreven en verzamelingen aangelegd van kunst, boeken, natuurhistorische voorwerpen, nijverheid, munten en penningen. In een artikel over het KZGW in Zeeland 10/0 typeert Jeanine Dekker het genootschap als een van de ‘intellectuele eilandjes’ waarop een aantal liefhebbers, gesteund door goedwillende prestigezoekers, zich met wetenschapsbeoefening bezighielden. De landelijke ambities konden echter niet waar worden gemaakt. Het Zeeuws Genootschap bleek slechts bestaansrecht te hebben dankzij de oriëntatie op het eigen gewest, die – mede in het licht van de toenemend afzijdige geografische ligging van Zeeland - noodzakelijkerwijs en van meet af aan groot was.

Landelijk netwerk

Het duurde tot na de Bataafs-Franse tijd, tot het tijdperk van de Romantiek in de eerste helft van de negentiende eeuw, aleer de regionale geschiedenis als inspiratiebron tot de oprichting van geleerde genootschappen leidde. Een achttiende-eeuwse voorloper was het in 1761 in de stad Groningen opgerichte Pro Excolendo Iure Patrio (P.E.I.P, ‘voor beoefening van het vaderlandse recht’). Hoewel strikt genomen een juristenvereniging en geen historisch genootschap hield P.E.I.P. zich nadrukkelijk bezig met de bestudering van de evolutie van het vaderlandse, destijds Groninger, maar in wezen oud-Fries recht, zoals het in het gewest Stad Groningen en Ommelanden nog altijd in praktijk was.

Het Friesch Genootschap voor Geschied-, Oudheid- en Taalkunde was in 1827 de eerste vereniging met een veel beperkter doelstelling, waarin het accent op geschiedenis, archeologie en taalkunde lag. Wel had het FG aanvankelijk een veel sterkere band met een landelijk netwerk, waar bijvoorbeeld het ZGW in de achttiende eeuw uiteindelijk niet verder was gekomen dan een stadhouderlijk beschermheerschap. Als leden van een nationale elite streefden de Friese leden ernaar binnen het nieuwe kader van het Koningrijk der Nederlanden hun regionale achtergrond te herdefiniëren. Hoe kon zoiets beter dan met behulp van de geschiedenis, die in Friesland niet alleen oeroud heette te zijn, maar ten tijde van de Republiek minstens twee eeuwen een stevig en tevens autonoom fundament had gekend.

Kleinburgers

Ook elders in den lande bloeide de belangstelling voor het eigen gewestelijke verleden op. Heel fraai kwam dit tot uiting in de start van de Volksalmanakken, die omstreeks 1835 her en der in de voormalige randgewesten begonnen te verschijnen, zoals in Gelderland (1835) en Overijssel, Friesland, Groningen en Drenthe (1836) en Utrecht (1837). De Volksalmanakken werden weldra de populaire pendanten van de zwaardere wetenschappelijke kost van de genootschappen. Ze verschenen in de sfeer van het Nut van ‘t Algemeen teneinde de in de gewestelijke geschiedenis geïnteresseerde kleinburgers te gerieven. Een burgerlijk-nationaal beschavingsoffensief in een regionale context.

Het FG kreeg in eerste instantie navolging in de vroegere Generaliteitslanden, de provincies Noord-Brabant en Limburg. In 1837 en 1863 kwam het tot de oprichting van het Provinciaal Noord-Brabants Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (PNBG) en het Limburgs Geschied- en Oudheidkundig Genootschap. Ook hier speelden de adel en het patriciaat een doorslaggevende rol. In beide gewesten had de regionale elite vanouds weinig of geen politieke macht bezeten. Zijn positie werd door de integratie in een landelijk netwerk sterk opgewaardeerd, terwijl in het zuiden als extra element met name de emancipatie van de katholieken meespeelde. Het PNBG werd opgericht door de rector van de Bossche Latijnse school dr C.R. Hermans en de gouverneur A.J.L. baron van den Bogaerde van Terbrugge. De beide katholieken werden gesteund door enkele protestanten en het overigens neutrale PNBG startte met een voor die tijd groot aantal (341) leden, merendeels uit intellectuele en adellijke kringen.

In Overijssel kreeg in 1858 zijn historisch genootschap, de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (VORG). Net als bij het KZGW, het FG en het PNBG traden vooral notabelen, rechtshistorici, archivarissen, maar ook veel predikanten en onderwijzers toe. De in de 19de eeuw opgerichte genootschappen kenmerkten zich stuk voor stuk door een sterke filologische en rechtshistorische inslag. In Overijssel resulteerde dit onder andere in de uitgave van de letterlijke teksten van de middeleeuwse stadsrechten van een zestiental steden. De VORG begon voorts met een vergelijkbare uitgave als de Vrije Fries, de Verslagen en Mededelingen van de Vereeniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis (1860 en sinds 1977, voortgezet onder de titel Overijsselse Historische Bijdragen).

Van kabinet naar museum

De hiervoor genoemde genootschappen hielden zich behalve met studie vooral ook met het verzamelen bezig en hierin weken zij nauwelijks af van het Zeeuws Genootschap. Wel lag het accent bij de 19de-eeuwse genootschappen vooral op de geschiedenis en de archeologie. Dit uitte zich zowel in Friesland als Noord-Brabant in de totstandkoming van de zogeheten Kabinetten van Oudheden, in navolging van de 18de-eeuwse kabinetten met voornamelijk naturalia van bijvoorbeeld het Zeeuws Genootschap en Teylers Genootschap. Het zware accent dat het KZGW nog in de 18de eeuw op de naturalia kon leggen verschoof mede naar andere realia omdat de Zeeuwse rol in de internationale handel (met name Suriname, Guyana) goeddeels was uitgespeeld, waardoor de aanvoer van naturalia en daaraan gerelateerde informatie stokte.

De kabinetten werden de voorlopers van de musea. De belangrijkste impuls tot de stichting van een provinciaal museum ging echter, zowel in Friesland als Overijssel, uit van een grote historische tentoonstelling. Met deze geschiedkundige exposities (Friesland 1877, Overijssel 1882), beide in representatieve gebouwen (het Koninklijk Paleis in Leeuwarden en het Gouvernementsgebouw in Zwolle) werd een groot publiek bereikt. De recettes vormden het startkapitaal voor de provinciale musea, die in beide gevallen – zowel het Fries Museum als het Provinciaal Overijssels Museum – door de genootschappen werden beheerd en pas na de Tweede Wereldoorlog werden verzelfstandigd (1970, resp. 1953). Een andere overeenkomst vinden we in het uiteindelijke afstoten van beider bibliotheken naar de Provinciale Bibliotheek van Friesland, respectievelijk de Athenaeumbibliotheek in Deventer.

In Groningen en Drenthe gingen de initiatieven van de provincie uit. Sinds het midden van de 19de eeuw was te Assen een Provinciaal Museum van Oudheden in een kamer van het provinciehuis gevestigd. Het verhuisde in 1888 naar een eigen onderkomen. In Groningen werd in 1874 een Kabinet van Oudheden gesticht dat uit archeologische en historische voorwerpen bestond en eveneens in het provinciehuis was ondergebracht. Hier werd in 1890  een Museum van Oudheden opgericht dat vier jaar later in een eigen pand aan de Praediniussingel werd ondergebracht. In het laatste museum werden van meet af aan ook kunsttentoonstellingen gehouden.

Groningen en Drenthe

In het dunbevolkte Drenthe waar nauwelijks steden van enige omvang lagen, was de kring van geïnteresseerden voorshands te klein om een bestaansbasis te verlenen aan een regionaal-historische vereniging. Groningen, waar de universiteit zijn geleerde schaduw wierp over een eventueel regionaal historisch genootschap, kende sinds 1886 het Historisch Genootschap te Groningen. Daarin had een aantal academisch gevormde historici, classici, archeologen en archivarissen zich verenigd. De naam gaf al aan dat het de oprichters niet primair om de geschiedenis van Groningen ging. De noordelijke archeologen hadden sinds 1916 een Vereniging voor Terpenonderzoek. Een regionaal-historische vereniging kwam pas vanaf 1917 in beeld. In dat jaar werd onder leiding van de industrieel Jan Evert Scholten de algemene landelijke vereniging Groningen opgericht, die tot doel de behartiging van algemeen Groninger belangen had. De streektaal stond voorop, maar ook de bestudering van de Groninger geschiedenis had zij hoog in haar vaandel. In februari 1924 werd de Vereeniging tot beoefening van de geschiedenis van Groningen en Ommelanden als historische afdeling van de Vereniging Groningen opgericht. Zij werd in 1929 verzelfstandigd als de historische vereniging ‘Stad en Lande’.

Drenthe moest tot 1981 wachten toen de Drentse Historische Vereniging (DHV) werd opgericht. Zij ontstond uit een samengaan van de uit 1973 daterende Drentse Genealogische Vereniging en de in 1979 opgerichte Historische Vereniging Drenthe.

De historische verenigingen zijn – evenals hun voorgangers, de 18e-eeuwse geleerde genootschappen – qua oorspronkelijke opzet niet helemaal te vergelijken. De oude genootschappen herbergden bijvoorbeeld verzamelingen die uitmondden in de stichting van provinciale musea en zowel het FG als het PZGW kenden tot voor enkele decennia een systeem van ballotage, dat in 1969, respectievelijk 1981 werd afgeschaft. Het PZGW kent pas sinds 1996 een vrije aanmelding. Momenteel hebben de provinciale historische verenigingen nagenoeg dezelfde doelstellingen en het loont de moeite de organisaties eens met elkaar te vergelijken. Daarbij hebben we gekeken naar een aantal in de onderstaande tabellen weergegeven kenmerken, waarvoor de gegevens welwillend door onze zusterverenigingen werden verstrekt.

Vereniging Aantal leden Verloop ledental % actieve leden Eigen regio
FG 1800 + 13 % (1995-2002) Ca. 5 % 73 %
PZGW 1400 Lichte teruggang Onbekend* Onbekend
VORG 394 - 33 % (1991-2002) Ca. 5 % 2/3e
S & L 1000 + 66 % (1991-2002) Ca. 10 % 85-90 %
DHV 1200 + 33 % (1991-2002) Ca. 5 % 75 %

* Maar gezien de vele werkgroepen, tamelijk hoog.

Vereniging Activiteiten Uitgaven Contributie*
FG Meerdaagse excursie, verschillende lezingen De Vrije Fries (jaarboek)
Fryslân (4 x p.jr.)
€ 20
PZGW Een tiental werkgroepen. Activiteiten variëren van opgravingen tot excursies, lezingen, concerten en cursussen. Zeeland (4 x p. jr.)
Archief (jaarboek)
Zeeland Agenda
Werkgroepen met eigen periodieken
Werken (reeks)
€ 44
VORG Dagexcursie, Stichtendag (1 x p. 2 jr), Jaarvergadering met sprekers en stadswandeling Overijsselse Historische Bijdragen,  (jaarboek)
Voorts incidentele uitgaven
€ 25
S & L 4 lezingen, 2 excursies, Groot Groningen Examen, Dag der Groninger Geschiedenis Stad en Lande (4 x p.jr.)
Historisch Jaarboek
Nieuwsbrief
€ 25
DHV 3 à 4 lezingen, Genealogische contactdagen, Symposia, o.a. over Arm en Rijk Drenthe en atlas met Franse kaarten, Cursussen Waardeel (4 x p. jr.)
Drents Genealogisch Jaarboek
Nieuwe Drentse Volksalmanak
€ 22,50

* Gewoon lidmaatschap per jaar.

Leden

Het FG heeft in absolute zin het grootste aantal leden, maar gerelateerd aan de bevolking is het KZGW de grootste vereniging. De VORG heeft zowel absoluut als relatief (Overijssel is de volksrijkste van het vijftal provincies) het geringste aantal leden. Een van de redenen daarvoor kan zijn dan deze provincie bestaat uit drie zeer uiteenlopende regio’s: Salland, Twente en het Land van Vollenhove, waardoor de regionale identiteit minder aan de provincie dan wel aan de streek is gehecht. Het relatief hoge ledenaantal van de KZGW houdt ongetwijfeld verband met de brede inhoudelijke opzet van deze vereniging, die zich meer dan de vier andere bezighoudt met niet-historische zaken en daarbij een groot aantal werkgroepen kent. De meeste verenigingen hebben in het voorbije decennium een flinke ledenaanwas kunnen boeken. Voor wat betreft S & L en het FG is deze groei vrijwel geheel te danken aan de start van nieuwe kwartaalbladen in respectievelijk 1991 en 1995: Stad & Lande en Fryslân. Het KZGW en de VORG registreerden een lichte, respectievelijk forse terugloop van het ledenaantal. In beide gevallen is de vergrijzing hiervan de belangrijkste oorzaak. Het percentage actieve leden zweeft in het algemeen rond de vijf procent, maar in Zeeland lijkt de actieve participatie dankzij de verschillende werkgroepen aanmerkelijk hoger dan elders. Het aantal in de regio woonachtige leden zweeft in de meeste gevallen rond de 75 %. Er is geen verband tussen de aantallen leden en de hoogte van de contributie, hoewel het FG de uitzondering vormt, met verreweg de laagste contributie en het grootste ledental.

Activiteiten en publicaties

Het KZGW en de DHV hebben een iets andere opzet dan de andere verenigingen en dat heeft zijn weerslag op hun activiteiten. De ten dele genealogische achtergrond van de DHV vindt zijn weerspiegeling in de uitgave van een genealogisch jaarboek en een groot aantal belangstellenden uit die hoek. Voorts heeft deze vereniging de afgelopen jaren een aantal spraakmakende symposia georganiseerd onder andere over een Franse atlas met kaarten van Drenthe en met name over de vraag of Drenthe inderdaad zo arm was, als waar het voor werd gehouden. Bij het KZGW noemen we de verschillende actieve werkgroepen, die tezamen een scala aan ook niet-historische activiteiten ontplooien. S & L trekt onder meer de aandacht met haar Groot Groningen Examen en de jaarlijkse Dag der Groninger Archieven die in het gebouw van de Groninger Archieven wordt gehouden. De oude banden die zowel het KZGW als het FG met de provinciale musea hebben vinden we terug in de gratis toegang die hun leden tot deze musea hebben. In zijn algemeenheid geven de lezingen en excursies de meest directe contacten tussen de verenigingen en hun leden.

Alle verenigingen, met uitzondering van de VORG, geven een populair-wetenschappelijk kwartaalblad uit. In een tweetal gevallen is aantoonbaar dat deze bladen een forse stijging van het ledenaantal hebben bewerkstelligd. Het is in dit verband opmerkelijk dat het VORG als enige vereniging zonder kwartaalblad in de afgelopen jaren aan een forse afname van haar ledenbestand leed.
Naast deze meer populaire activiteiten geven alle organisaties een wetenschappelijk jaarboek uit en in een aantal gevallen incidentele wetenschappelijke uitgaven, zoals dissertaties en monografieën. Het PZGW en de DHV zijn publicitair het meest actief; het FG en S & L een stuk minder, maar in de beide laatste gevallen hangt een en ander samen met de aanwezigheid van de Fryske Akademy (Leeuwarden) en de Rijksuniversiteit te Groningen.

Veel van de oorspronkelijke taken van de genootschappen zijn in de loop der jaren door professionele instituten (universiteiten, bibliotheken, musea) overgenomen. De boekerijen van zowel het FG, als het PZGW en de VORG werden overgedragen aan resp. de Provinsjale Biblioteek fan Fryslân, de Zeeuwse Bibliotheek en de Athenaeumbibliotheek. Archieven van de verenigingen werden bij de Rijksachieven in de provincies ondergebracht en de museale collecties in bruikleen gegeven aan de provinciale musea. De bibliotheek van de DHV is volledig geïntegreerd met die van het Drents Archief.

Desgevraagd blijkt dat de contacten met lokale historische verenigingen – die bijvoorbeeld in Drenthe alleen al 20.000 leden tellen – informeel en incidenteel zijn. In Drenthe en Overijssel fungeert voor deze contacten een Historisch Beraad of Overleg en in Zeeland zijn er via de werkgroepen contacten. De Dag der Groninger geschiedenis geldt tevens als contactmiddag voor de verschillende historische verenigingen. In zijn algemeenheid geldt dat de Rijksarchieven in de provincies als bewaarders van de belangrijkste genealogische en historische bronnen nog de meeste contacten met lokale verenigingen onderhouden. In Friesland wijkt de situatie in zoverre af dat hier een aantal organisaties op provinciaal niveau actief is met eigen – elkaar dikwijls overlappende – achterbannen, waarvan een aantal maximaal circa 3000 leden en donateurs dan wel geregelde bezoekers/gebruikers kennen, zoals de Fryske Akademy (met zijn Wurkferbannen of werkgroepen), het Ryksargyf, de Provinsjale Biblioteek (PB), Friedoc, en het Frysk Letterkundich Museum en Dokumintaasjesintrum (FLMD). De betrekkelijke overorganisatie in Friesland wordt per 1 januari 2003 sterk vereenvoudigd door de fusie van het Ryksargyf, het FLMD en de PB in een nieuw historisch centrum.  

Resumerend

Het voorgaande maakt duidelijk dat op provinciaal niveau sprake is van een levendige belangstelling voor de regionale geschiedenis. Die uit zich het sterkst in de gewesten met een duidelijk omlijnd provinciaal profiel, zoals Friesland, Zeeland en Drenthe. Bij de VORG en het FG zijn de contacten met lokale historische verenigingen het zwakst ontwikkeld. In Overijssel lijkt dit een gevolg van het betrekkelijk gespleten provinciale profiel (Twente, Salland, IJsselsteden, Kop van Overijssel) en in Friesland van de aanwezigheid van vergelijkbare en actieve organisaties op het terrein van de geschiedenis en de cultuur in de provincie. Bij de VORG is men zich momenteel langs een vijftal lijnen aan het bezinnen op de toekomst en zal op de jaarvergadering in november een aan de leden een plan voor de toekomst worden voorgelegd. Men doet onder meer onderzoek naar vormen van samenwerking met universiteiten en hogescholen, met plaatselijke historische verenigingen en men bezint zich op het uitgeefbeleid.
Met name bij de oudere genootschappen dreigt het gevaar van vergrijzing en het daarmee samenhangende natuurlijke verloop en lijkt het eigen roemrijke verleden een verbreding enigszins in de weg te staan. De geschiedbeoefening en beleving op plaatselijk niveau is voor veel verenigingen een aantrekkelijke concurrent. Zo is het grote aantal lokaal historisch actieven in Drenthe opmerkelijk. In Friesland tellen de lokaal-historische verenigingen van Leeuwarden en Harlingen elk circa 1200 leden en worden hun bijeenkomsten zeer druk bezocht. Een algemeen gremium voor geschiedbeoefening ontbreekt daar echter en het FG lijkt de aangewezen organisatie om deze functie op zich te nemen.
Het beeld is dus wisselend, maar een ding is duidelijk. Met een gemiddeld ledenaantal van hooguit één-kwart procent van de provinciale bevolking valt nog een wereld aan leden te winnen voor de gewestelijke geschiedbeoefening in de Lage Landen in verenigingsverband op provinciale schaal,  juist in gewesten met een scherp omlijnd profiel en imago!


© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.

Valideer XHTML 1.0! Valideer stijlblad

Koninklijk Fries Genootschap voor Geschiedenis en Cultuur / Keninklik Frysk Genoatskip foar Skiednis en Kultuer