Fragment uit de memoires van Albertinus van der Heide (1872-1953)
Digitale bijlage bij Derk Jansen, 'Een persoonlijk voortbestaan ...'. Ds. Albertinus van der Heide en de parapsychologie', De Vrije Fries 83 (2003), 179-200.
Albertinus van der Heide, Mijn Mémoires, 194 – 205. In Tresoar (locatie Provinsjale en Buma Biblioteek fan Fryslân) te Leeuwarden. Hs. 1802.
[194 regel 4] ‘Wellicht, hoogstwaarschijnlijk zelfs, zullen lezers van deze
Mémoires zeggen: “ Wat, gelooft ds. v.d. Heide aan een leven na de dood, aan een
persoonlijk voortbestaan? “
Ja, daar geloof ik in, niet omdat ik het wens, of zo gaarne wil, maar
omdat ik de bewijzen heb dat het de waarheid is. En de lezers zullen dan wel willen weten, welke
de bewijzen zijn. Nu ik zal er een viertal geven.
Een week of zes geleden (ik schrijf dit op 23 October 1950) werd er in
A’dam, onder leiding van Ir. H. Bouman in den Haag een séance gehouden. Onder de
aanwezigen bevonden zich ook enige predikanten. Ik ken Ir. Bouman als een heel knap en
scherpzinnig mens met een uiterst kritische geest. Er kwam iemand door, die zich ‘een
broeder’ noemde. Hij zegende de aanwezigen en begon toen te spreken door het medium. Hij
zei, dat wij in een tijd van [195] ongeloof en materialisme leven, en dat de mensen de schouders
ophalen, als er gesproken wordt over het hiernamaals. Daarom is het zo goed, dat God zijn
boodschappen en boodschappers naar de aarde zendt, opdat de mensen overtuigd zullen worden, dat
het hiernamaals een realiteit is. Er mochten vragen worden gesteld, en één der
aanwezigen, die waarschijnlijk twijfelde of dit alles echt en waar was, vroeg: ‘hebt u er
ook bezwaar tegen uw naam te zeggen?’ ‘In het minst niet. Ik heet Hendrik Heybe
Veder’. ‘Bent u predikant geweest’. ‘Ja’. ‘Waar hebt u gestaan
als predikant, en wanneer bent u predikant geweest?’ ‘Ik ben in Monster predikant bij
de Gereformeerde Kerk geweest, in 1886, en ik heb in dat jaar de kerk verlaten’.
‘Wanneer bent u overgegaan?’ ‘In 1913 of 1913’ (!) ‘Weet u dat niet
precies en hoe komt het, dat u dat niet precies weet?’ ‘Omdat wij hier vooruitzien en
niet achteruit’. En toen kwam er een hoogst interessante belijdenis. Hij had vroeger geloofd
in de hel, dat [196] er zaligen en verdoemden waren, maar nu wist hij beter, niemand ging
verloren, ieder kon de weg gaan naar het Licht, naar God’. ‘Gelooft u in de
duivel?’ ‘Vroeger wel, nu geloof ik in de almachtige God’. ‘Helpt u ook
hen, die vromer waren dan gij zijt?’ ‘Ja, want velen leven in duisternis en kunnen dit
pad niet vinden. Wij oriënteren ons en wijzen dit pad naar het Licht’.
Ik dacht, dit geval is te controleren. Ik dacht, dit geval is te
controleren (!) en ik schreef dus een brief aan de kerkeraad van de gereformeerde gemeente in
Monster. Ik kreeg geen antwoord. Een schrijven aan de Gemeentesecretaris afd. Bevolking gaf ook
geen licht. Toen belde ik het dr. Kuipershuis in de Ruiterstraat in den Haag op en vroeg of men
mij ook zeggen kon welke predikanten van 1880 tot 1890 in de Gereformeerde Kerk in Monster
werkzaam waren geweest. Het antwoord was, dat men in de archieven, die op zolder lagen moest
zoeken. ‘Belt u liever de predikant in Monster op.’ Dat deed ik, en hij [197] vroeg of
ik even geduld wou hebben, hij moest even zijn boeken halen. Hij las mij toen voor welke
predikanten van 1880 tot 1890 in Monster predikant bij de Gereformeerde Kerk waren geweest. Ds.
Veder was er niet bij. Bij het naar huis gaan bedacht ik, dat er misschien een leemte in de boeken
kon zijn geweest. Ik vroeg hen dus: ‘zijn er in Monster misschien ook bejaarde mensen die
zich ds. Veder herinneren?’ ik kreeg een brief met negatief resultaat. Ik stuurde al de
paperassen naar Ir. Bouman en kreeg o.m. het volgende antwoord.
‘Overigens bleek de naam van H.H. Veder wel voor te komen in het
Kerkelijk woordenboek van 1913, het jaar dat de overgegane meende heengegaan te zijn, toen stond
hij blijkens dat boek in Rotterdam. Ik schreef daarop aan de Gereformeerde gemeente in Rotterdam
en kreeg 29 Sept. het antwoord dat ds. Hendrik Heybe Veder [198] van 8 Febr. 1891 tot 20 Mei
(1913) predikant bij de Gereformeerde Kerk in Rotterdam was en aldaar dat jaar is overleden. Toen
ik dit op een cursus, die ik hier in Voorburg voor belangstellenden in religieuze en ethische
vragen meedeelde, stond iemand op en zei: ‘u had al die drukte niet nodig gehad, als u even
bij mij gekomen was. Ds. Veder was onze huispredikant en ik ben bij hem op de catechisatie
geweest.’
Men zal de vraag stellen, hoe kan het medium spreken van Monster, terwijl
hij toch in Rotterdam was geweest? Het antwoord daarop is moeilijk. Zal er verwarring in het
onderbewustzijn van het medium zijn geweest? Heeft uit het onderbewustzijn van een der aanwezigen
een telepathische gedachtenoverdracht naar het onderbewustzijn van het medium plaatsgevonden? Ik
weet het niet. Maar twijfelt nu nog iemand aan het voortbestaan van den mens (curs. DJ).
Dan zal ik nu met een tweede bewijs komen.
[199] Kent men de naam van Sir Oliver Lodge? Hij was destijds de grootste
natuurkundige van Engeland. Hij was een vriend van prof. Lorentz in Leiden. Hij zegt uitdrukkelijk
dat hij dertig jaar met dezelfde critische zin de problemen van het spiritisme heeft bestudeerd
als die van de natuurkunde. Oliver Lodge heeft een zoon gehad, die in de wereldoorlog van 1914 aan
het westfront in Vlaanderen is gesneuveld. Lodge heeft brieven van zijn zoon gehad. Het boek
waarin hij deze brieven heeft opgeschreven is ook in onze taal vertaald.
In één van deze brieven komt een séance voor, waar
Raymond door een medium spreekt. Hij zegt, dat hij, met een 10-tal officieren gefotografeerd is;
hij is op de foto de derde van links. Hij zit op de grond, een stokje in de hand. Achter hem staat
een officier, die een hand op zijn schouder legt. Hij heeft het hoofd licht zijwaarts gebogen. Een
paar uren later krijgt [200] Lodge van een hem bevriende dame van haar zoon het bericht, dat hij
die ook in Vlaanderen aan het Westfront is, zich met enige andere officieren had laten
fotograferen. Hij beschrijft de situatie precies zo, als Raymond die beschreven had. Nog enige
tijd later schrijft de man, die de foto ontwikkeld had, dat de foto klaar is. Korte tijd daarna
ontvangt [hij] de foto. Ze staat in het boek van Lodge, en de gehele situatie is zo, als Raymond
en ook de hem bevriende dame die beschreven had.
Een derde bewijs is de zg. kruiscorrespondenties. Omstreeks 1905 kwamen
in de zg. automatische geschriften van enkele amateur mediums, die elkaar in het geheel niet
kenden en 5000 km. van elkaar afwoonden, allerlei toespelingen, citaten en dergelijke meer voor,
die voor de schrijfsters zelf onbegrijpelijk waren. Deze geschriften waren ondertekend door Myers,
de bekende parapsycholoog, die in 1901 was overleden. Myers had steeds gezegd, dat hij na zijn
dood zou trachten zich kenbaar te maken. Een der dames, Mevr. Holland uit Bombay zond haar
automatisch ontstane geschriften aan [201] Mej. Johnson, die toentertijd de adjunct-secretaresse
was der Engelse S(ociety) for P(sychical) R(esearch). Laatstgenoemde ontdekte spoedig in het
geschrift van Mevr. Holland het adres van een haar bekende dame, Mevr. Verral te Cambridge. Zij
wist toevallig dat Mevr. Verral in de laatste tijden ook automatisch was gaan schrijven en vroeg
inzage te mogen hebben van deze geschriften. Het bleek nu, dat de manuscripten van Mevr. Verral en
Mevr.Holland elkaar aanvulden; vele, voor Mevrouw Holland onbegrijpelijke zinsdelen en
mededelingen waren voor Mevr. Verral geheel duidelijk en hadden op haar betrekking, hetzelfde gold
ook omgekeerd voor Mevr. Verral. (!) Bij deze laatste kwamen dan weer allerlei opmerkingen en
toespelingen voor op Mevr. Holland: ook trof men in de twee reeksen geschriften der beide
automatisch schrijvende dames, b.v. een paar coupletten van een gedicht aan, waarvan de eerste
regel van het vers in het manuscript van Mevr. Verral voorkwam, de tweede regel in dat van Mevr.
Holland en zo vervolgens [202] het gehele gedicht uit. Verder was het opmerkelijk, dat de meeste
gegevens in betrekking stonden tot het herinneringsleven van de overleden Myers, die Mevr. Holland
nooit had gekend, hoewel zij wel zijn postuum verschenen boek had gelezen. En het was juist in de
geschriften van laatstgenoemde, dat deze herinneringen, die in hoofdzaak in verband stonden met
Myers omgang met Mevr. Verral, werden weergegeven.
Het geheel wekte de schijn, dat Myers volgens een vast plan te werk was
gegaan, nu eens zich bij Mevr. Holland in Bombay had laten optekenen, dan weer naar Mevr. Verral
in Cambridge was getogen en deze zekere aanvullingen en toelichtingen had laten optekenen, die,
zoals later zou blijken, sloegen op hetgeen kortgeleden Mevr. Holland in haar automatisch schrift
had geschreven, doch onbegrijpelijk had gevonden. Wij kunnen gerust zeggen, dat de manuscripten
der twee genoemde automatisten elkaars complement vormden en pas zin vormden, wanneer zij naast
elkander worden gelegd. Een van beide zusters heette de gestorven Myers, die [203] grote S.P.R.
pionier, de auteur en ontwerper te zijn. Zulk elkaar completerende geschriften – vaak wordt
pas op het laatst in een der manuscripten aangegeven, waar de andere zijn te vinden, noemt men
kruiscorrespondenties.
Het vervolg gaat verder in op het geval Myers. De Myers-groep (de gestorven Myers en enkele andere overleden SPR-pioniers) bleken vanuit het hiernamaals inplaats van twee soms wel 8 ‘automisten’ te recruteren, waaronder het befaamde medium Mrs. Leonora Piper. In de resultaten van het automatisch schrift, stonden verwijzingen naar de deelnemers en aanwijzingen hoe met elkaar in contact te treden. Van der Heide vervolgt aldus:
‘Vrijwel alle kruiscorrespondenties vertonen [204] de handtekening van Myers en ook de
daarin tentoongestelde geleerdheid en letterkundige bekwaamheid droegen duidelijk de stempel van
de persoonlijkheid van Myers.
Parapsychologisch bezien zijn de kruiscorrespondenties op twee punten van belang en wel:
1° De methode der kruiscorrespondenties werden niet door levenden uitgedacht en daarop beproefd, doch wordt kant en klaar ontdekt, doordat in de geschriften zelf aanwijzingen werden verstrekt, hoe er mede diende te worden gehandeld’
2° De toepassing dezer methode sluit de mogelijkheid uit de telepathische hypothese op de verschijnselen der kruiscorrespondenties toe te passen. En incidenteel kunnen ook geen andere paragnostische (animistische) verklaringen hierbij naar voren worden geschoven als concurrent van de spiritistische hypothese.
Een vierde bewijs vormt een lezing voor de S.P.R. die Frederik van Eeden te Londen hield. Hij
had een vriend gehad, die tot tweemaal toe zelfmoord had gepleegd; hij had zich de keel willen
[205] afsnijden, de eerste maal was het mislukt, bij de tweede poging was de ongelukkige man er in
geslaagd zich van het leven te beroven. Van Eeden ging naar het medium mrs. Thompson 72 met een
flanel van de overleden vriend. Niemand ter wereld wist, dat het flanel van de overleden vriend
was. Zo vaak van Eeden het medium met het flanel naderde kreeg het medium hetzelfde schorre
geluid, dat de zelfmoordenaar van de eerste mislukte poging had gekregen. En van de seance zelf
zegt Van Eeden dat hij de absolute zekerheid heeft, dat het zijn overleden vriend was, die sprak.
Stem, houding, gebaren, ook de paar Nederlandse woorden gaven hem die zekerheid. De indruk, die
Van Eeden kreeg, heeft hij in het verslag van zijn rede aldus weergegeven: ‘Uit het
voorgaande blijkt, dat de in het Nederlands gestelde vragen goed werden begrepen en beantwoord
door de communicatie Sam, die de overleden vriend van Van Eeden geweest is.
Ziehier de vier bewijzen. Er zijn er n.l. honderden (...).’
© Koninklijk Fries Genootschap / de auteur
Dit artikel hoort thuis op de website van het Koninklijk Fries
Genootschap. Verdere verspreiding van dit artikel is niet toegestaan zonder uitdrukkelijke
toestemming van de auteur en / of het Koninklijk Fries Genootschap.