Door Mr. A. VAN DER MINNE.

In Oud-Holland LIV, van 1937, gaf Dr. Pater B. von Koskull O.S.B. op blz. 80 en 84 een tweetal schilderijen uit de voormalige keizerlijke Russische verzamelingen van de hand van Roland Verzyll uit het jaar 1716 in het licht, welke door Tsaar Peter de Groote waarschijnlijk tijdens zijn tweede bezoek aan Nederland in 1717 zijn gekocht of besteld. Aangezien den schrijver niets omtrent dezen schilder bekend was, sprak hij de hoop uit, dat zijne gegevens nadere inlichtingen zouden uitlokken, aan welken wensch ik hieronder gaarne voldoe.

In 1925 publiceerde Dr. A. Wassenbergh in het gedenkboek Leeuwarden 1435-1935 in zijn artikel over de achttiende- eeuwsche Leeuwarder decoratie-schilders op blz. 147 een schoorsteenstuk, voorstellend een Italiaansch havengezicht en geteekend R.Versijl. 1712., welke handteekening zoo veel gelijkenis met de door Dr. von Koskull afgebeelde vertoont, dat men niet aarzelt in den schilder den maker van de stukken in de Ermitage te herkennen.

Dr. Wassenbergh beschrijft het schilderij als volgt: „Op den voorgrond komt een Oostersch Heer, vergezeld van zijn parasoldragers, zijn bevelen aan de lastdragers uitdeelen, links onder de ruïnes staat een groepje vrouwen te praten, terwijl langs de baai de kooplieden handel drijven. In het verschiet gaat een schip de haven verlaten”. Volgens Dr. Wassenbergh hebben we te doen met een copie naar een schilderij van Giovanni Battista Weenix, die onder den bentnaam van Ratel van 1642-1647 te Rome werkte.

Het is afkomstig uit het huis Ossekop nr. 11 te Leeuwarden, dat door de gemeente in 1916 werd aangekocht van de Leeuwarder Waterleiding Maatschappij en in 1920 verbouwd voor zijne tegenwoordige bestemming van zusterhuis van het Stadsziekenhuis. Bij deze verbouwing kwam het schilderij als schoorsteenstuk te vervallen en werd naar het Stadhuis overgebracht, waar het thans nog hangt.

Het huis Ossekop nr. 11 werd op 19 October 1696[1] aangekocht [p. 159] door Aggaeus Hamerster, raad in het Hof van Friesland.[2] Na zijn overlijden, dat op 18 Juli 1717 voorviel, vererfde het op zijn zoon Dominicus, die hetzelfde ambt bekleedde, en die het huis verkocht op 15 Juli 1738.[3] Eerstgenoemde moet dus de opdracht voor het schilderij hebben gegeven. In de laatste koopacte, die overigens in de beschrijving van het huis niet aanmerkelijk van de eerste verschilt, wordt het stuk met name genoemd; er wordt in gesproken van „een benedenzaal, off voorkamer aan de strât, behangen met een geschildert tapijsserij en stuk in de schôrsteen”, terwijl verderop nog bedongen wordt, dat het stuk in den koop is begrepen.

Niettegenstaande men er toen blijkbaar nogal waarde aan hechtte (wellicht was trouwens de geheele „tapijsserij” door Verzijl beschilderd), zijn de hoedanigheden van het stuk niet van dien aard, dat men zich ernstig om de lotgevallen van zijn schilder zou bekommeren. De Russische schilderijen geven daar echter wel aanleiding toe.

Voorzoover mij bekend, wordt de schilder in de litteratuur alleen vermeld in het rare geschrift van Johannes Buma[4], Boerenbruiloft geheeten en na zijn dood uitgegeven te „Knollendam” (ongetwijfeld een valsch adres; de Leeuwarder uitgever wilde er denkelijk niet mede gedoodverfd worden) in 1767. In de aan den tekst voorafgaande „beknopte levensschets van den schrijver” lezen wij het volgende: „In die omstandigheden[5] hield hij zich veel op bij een zeker Schilder, genaamt N. Verzijl, (berucht wegens veele Boere Gezelschapjes en Zeestukken, door hem gemaakt), en oeffende zich ook in die kunst, vindende zoo veel smaak in dezelve, dat hij naderhand, door een sterker oeffening, en 't meenigvuldig copieeren der Landschappen van den beruchten Pijnakker, dermaaten vorderde, dat men hem met recht een Meester mochte noemen; een meenigte Schilderijen, door hem gemaakt, bevestigt deeze waarheid.[6] De eerstgemelde Schilder Verzijl was ook een beminnaar van [p. 160] de Muzijk, en een goed Fiolist: zijn zuster Anna Helena Verzijl, beminde de zangkunst, en onze schrijver vervaardigde zomtijds, ten haaren believen, het een of ander Dichtstukje om te zingen. Die Zuster wierd zijn Huis-vröuw, bij welke hij Kinderen verwekt heeft, doch die jong gestorven zijn”.

De N. bij Verzijl is niet zijn voorletter, maar duidt op des schrijvers onbekendheid met zijn voornaam.

Het Leeuwarder gemeente-archief levert slechts weinig op over hem. Slechts tweemaal vond ik hem als „konstschildenaer”, onderscheidenlijk „konstschilder” vermeld. De eerste maal in eene schuldbekentenis van 25 Februari 1716,[7] waarin Grietje Haanstra, weduwe van Taco Verzijl, in leven koopman te Leeuwarden, voor zichzelf en als voogdes over haar twee minderjarige kinderen, benevens (haar meerderjarige kinderen) Rinso Verzijl en Watso Verzijl, die handlichting bekomen heeft, allen wonende te Leeuwarden, een bedrag van 200 gulden erkennen schuldig te zijn aan Gossuinus Heringa, burgemeester van Dokkum en zijn vrouw Titia Verzijl (zuster van Taco). De tweede maal in een acte van 19 October 1720,[8] waarbij Sjoerd Tjerx Westerhuys, oud-burgemeester en regeerend vroedsman der stad Leeuwarden, een huis op de Zuidzijde van de Tuinen, dicht bij de toenmalige Tuinsterpoort, verkoopt, dat door Rinso Verzijl en Watso Verzijl, koopman, als huurders bewoond wordt.

Watso of Watse Verzijl komt ook daarna nog een paar keer als huurder voor, in 1721 van een huis in de Koningstraat[9] en op 20 Januari 1725 van een aan den Wortelhaven,[10] echter niet meer in gezelschap van zijn broeder.

Deze blijkt dus Rinso (ook wel Rinse) te heeten en niet Roland, zooals in een door Dr. von Koskull vermelde lijst in de Ermitage staat.

Hij werd Hervormd gedoopt op 29 Januari 1690 als oudste zoon van genoemde Taeke of Taco Verzijl en Grietje Haanstra, die op 14 April 1689 gehuwd waren. De vader was, behalve koopman, zeilmaker[11] en komt ook als distillateur[12] voor. Hij was een geboren Leeuwarder. De moeder was uit Sneek afkomstig.

De levensgeschiedenis van Rinse Verzijl sedert 1720 is mij niet [p. 161] bekend. Indien de schilder niet weldra is overleden, zal hij zich vermoedelijk elders hebben gevestigd, anders zou hij nog wel sporen in het Leeuwarder archief hebben nagelaten.

Noten

1) Groot-consentboek, 11 December 1696.
2) Zie over hem het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek.
3) Groot-consentboek, 19 September 1738.
4) Zie over dezen zonderling het Nieuw Nederlandsch Biografisch Woordenboek.
5) Na zijn vaders dood in 1709.
6) In het Friesch Museum bevinden zich twee, in de Stedelijke Kunstenverzameling van Leeuwarden een landschap van hem, die van deze liefhebberij, minder echter van dit meesterschap getuigenis afleggen. Een ervan is afgebeeld In bovengenoemd artikel van Dr. Wassenbergh, onder nr. 8.
7) Hypotheekboek, 12 Maart 1717.
8) Groot-consentboek, 22 November 1720.
9) Reëel-kohier van Leeuwarden, op het Rijksarchief in Friesland.
10) Groot-consentboek, 16 Maart 1725.
11) Schuldbekentenis van 17 Juli 1697 In hypotheekboek, 12 Juni 1706.
12) Schuldbekentenis van 17 Februari 1706 in hypotheekboek, 28 Juni 1706.