Uit: De Vrije Fries 28 (1926), pp. 128-146. [PDF-bestand]

P. Leendertz jr.

Over het geestelijk leven in vroegeren tijd buiten de groote steden weten wij maar heel weinig.
En toch is het van groot belang, wanneer wij de beschavingsgeschiedenis van het geheele
Nederlandsche volk willen kennen. Bij de schaarschheid der gegevens, die bovendien meermalen zeer
verstrooid liggen, is het echter in den regel zoogoed als onmogelijk eene eenigszins volledige
beschrijving te geven van eenig hiertoe betrekkelijk onderwerp. In allen gevalle moet eerst het
verstrooide bijeengebracht worden. Daartoe deel ik hier mede, wat mij van het tooneel te Harlingen
in de tweede helft der 18e en het begin der 19e eeuw bekend geworden is, in de hoop, dat anderen
dit zullen aanvullen. Vooral zij, die de beschikking hebben over de nagelaten papieren van Simon
Stijl en van met hem bevriende familiën te Harlingen, zullen daartoe in staat zijn.

De man, die in de 2e helft der 18e eeuw te Harlingen voor het letterkundig leven in het
algemeen, en voor het tooneel in het bijzonder, van de grootste beteekenis was, is Simon Stijl.
Eene goede levensbeschrijving van hem zou dus tegelijk de geschiedenis van het letterkundig leven
in zijne woonplaats zijn. Maar zulk eene levensbeschrijving ontbreekt nog, al geven Scheltema<a
id="t1" class="noot" href="#n1" name="t1">1 en Ottemahref="#n2">2 daarvoor heel wat bijzonderheden. Vooral ontbreekt ons eene goede bibliografie
van Stijl's werken. (p. 129) Men kan wel vrij wat vinden bij
Scheltema, Brouwer3 en Ottema, maar hunne
mededeelingen zijn verre van volledig en niet altijd betrouwbaar.href="#n4">4

Of er vóór het midden der 18e eeuw ook reeds in Harlingen tooneelspelers kwamen,
weten wij niet, en dus ook niet, in welken tijd Stijls liefde voor het tooneel werd opgewekt. De
eerste uitingen daarvan vinden wij in zijn gedicht Aan de Dichtkunstname="t5" href="#n5">5 van 13 Oct. 1752, dus uit den tijd, dat hij te Leiden studeerde. Na
Horatius, Virgilius en Homerus geroemd te hebben stelt hij het treurspel boven die allen, en wel
het Nederlandsche treurspel. Als voorbeelden daarvan noemt hij Vondel's Elektra en
Lucifer, Huydecoper's Arsases en Lud. Smids' Konradijn.

De wijze, waarop hij over deze stukken spreekt, doet vermoeden, dat hij ze heeft zien
vertoonen. Hij zal dan ook te Leiden wel een geregeld bezoeker van den schouwburg geweest zijn en
zeker ook wel eens zijn overgewipt naar Amsterdam, waar hij later althans vele vrienden uit zijn
studententijd had.6

Niet alleen echter door het bezoeken van den schouwburg toonde hij zijne liefde voor het
tooneel; hij begon ook zelf te (p. 130) schrijven. Nog te Leiden schreef
hij onder de zinspreuk Sensim Scandendo het kluchtspel De Vrijer na de Kunst<a
id="t7" class="noot" name="t7" href="#n7">7 en het blijspel Krispijn Filosoof,<a
id="t8" class="noot" name="t8" href="#n8">8 welke beide nog al in den smaak vielenclass="noot" name="t9" href="#n9">9 en herhaaldelijk vertoond werden, vooral het laatste,
waarvan dan ook een tweede druk verschenen is.

Van welken tijd zijne andere blijspelen zijn, weten wij niet, maar het vermoeden van Ottema
(bl. 17), dat zij op één na tot zijne oudste werken behooren, is zeer aannemelijk.
Slechts één daarvan is in lateren tijd gedrukt.href="#n10">10 Van drie andere kennen wij alleen den titelhref="#n11">11: De getrouwde Lichtmis of De toets van het vrouwelijk gezag, Klinkklaar en
Oprecht en Grijpaard of Geld is het Woord. Zijn laatste blijspel n.l. De Torenbouw
van het vlek Brikkekiks in het landschap Batrachia is veel later geschreven en was zeker niet
bestemd om gedrukt te worden; het is ook in tegenstelling met de andere in proza. Het is een
patriottisch schimpschrift uit 178712, dat dus
eigenlijk buiten zijn tooneelarbeid blijft en misschien eerder een uitgebreid Schuitpraatje
genoemd moet worden.

Na het blijspel begon hij zich ook op het treurspel toe te leggen. Eene vertaling van
Aeschylus' Agamemnon en van Euripides' Hecuba zijn beide onvoltooid
gebleven. Ottema kan wel gelijk hebben, als hij meent, dat Stijl deze alleen tot eigen oefening
begonnen was. Maar als wij zien, dat ook van de vertaling der Ilias, waarmede hij omstreeks
1755 bezig was, slechts drie boeken afgewerkt zijnhref="#n13">13, en dat er nog een aantal andere onvoltooide werken onder zijne nagelaten
papieren zijn, dan gelooven wij toch eerder, dat zijne drukke praktijk hem de voltooiing belet
heeft, en dat wij deze onvoltooide werken dus alle in zijne laatste studentenjaren en kort daarna
mogen stellen. (p. 131)

Van zijne voltooide treurspelen is de Herakleahref="#n14">14 van 1754. de Agnes15
is "Voltrokken den 2e Maart 1758", De dood van Orpheus is 6 Jan. 1763 gespeeld<a
id="t16" class="noot" name="t16" href="#n16">16 en De Mityleners is in 1768 uitgegeven
Dit laatste kan echter, althans in eersten aanleg, wel vroeger geschreven zijn.

Na zijn terugkeer te Harlingen (1754) heeft hij er misschien aan gedacht zich grootendeels aan
de studie der letteren te wijden. Maar toen hij zich als geneesheer gevestigd had, kreeg hij
spoedig eene drukke praktijk, die hij met groote nauwgezetheid en toewijding waarnam. Ook stelde
hij zich niet met de aan de akademie verworven kennis tevreden, maar hield zijne studie goed bij,
zooals uit zijne werkzaamheid in het genootschap Sercandis civibus voldoende blijkt. De
letteren kwamen dus in de tweede plaats. Daardoor schreef hij betrekkelijk weinig meer en was
zijne voornaamste werkzaamheid, dat hij anderen leiding gafhref="#n17">17, al bepaalde hij zich niet daartoe.

Indien Harlingen niet reeds voor dien tijd door troepen reizende tooneelspelers bezocht werd,
kunnen wij vermoeden, dat zij er in dezen tijd op uitnoodiging van Stijl gekomen zijn. Te Leiden
en te Amsterdam toch zal hij wel met verscheidenen van hen kennis gemaakt hebben. Wij zien
althans, dat hij in hunne opvoeringen groot belang stelde. Er zijn nog een aantal aanspraken over,
die zij van het tooneel tot de toeschouwers richttenen die door hem zijn opgesteld. Eenige daarvan
worden door Ottema (bl. 20) genoemd. Drie daarvan zijn uitgesproken door J. Wedemeijer, nl. lo.
afscheid van het tooneel op 29 Dec. 1757, na de vertooning van Konradijn van L. Smids; 2o.
Nieuwjaarswensch op 10 Jan. 1758 na de vertooning van Karel den Stouten van P. Verhoek; 3o.
afscheid van het tooneel op 7 Febr. 1761.

Zooals de titels hier staan, hebben zij iets verbijsterends. Maar in de uitgaveclass="noot" name="t18" href="#n18">18 heeft de tweede een langeren titel:
"Nieuwjaars-wensch bij het vernieuwen der Tooneel-liefhebberij, na het (p.
132) vertoon van Karel de Stoute, den 10 Januarii 1758". Wij zien dus, dat
Wedemeijer 29 Dec. 1757 afscheid nam van het tooneel te Harlingen, maar reeds 14 dagen later
opnieuw optrad, en eerst 7 Febr. 1761 voorgoed afscheid nam. Den daarop volgenden winter speelde
de troep van Faber, zooals uit een door Stijl geschreven aanspraak blijkt.name="t19" href="#n19">19 Ook in den winter van 1762 op 1763 speelde deze troep te Harlingen
en vertoonde op 6 Jan. 1763 De dood van Orpheus van Stijl.name="t20" href="#n20">20 Daarna speelde het door Stijl opgerichte gezelschap van
liefhebbers.

De troep van Faber was waarschijnlijk niet talrijk. Wij vinden als spelers genoemd: Zandstra,
Faber en Heffer met hunne vrouwen, en Juffr. Laborie. Misschien waren er niet meer leden en
bestonden de Rei van Bacchanten en het Gevolg van Bosch-Goden en Godinnen wel uit liefhebbers uit
Harlingen zelf. Later heeft deze troep niet meer te Harlingen gespeeld, want nog in hetzelfde jaar
werd hij ontbonden en in het volgende seizoen vinden wij Faber met zijne vrouw en Juffr. Laborie
in den troep, dien Corver in dat jaar had opgericht.href="#n21">21

Of ook Jacob Wedemeijer directeur van een troep geweest is, valt te betwijfelen.
Waarschijnlijker was hij alleen een der leden van den troep, die in de jaren 1757-1761 te
Harlingen speelde. Stijl toch noemt hem, van deze jaren sprekendename="t22" href="#n22">22, "een aankomeling van goede hoop" en een "bevalligen
speeler, tot het treurspel gebooren". In het speeljaar 1762-1763 was hij aan den
Amsterdamschen Schouwburg verbonden23. Bij den
strijd, die er in dat seizoen ontstond, had hij eerst afgesproken met Corver en anderen den
Schouwburg te verlaten, "maar", zegt Corver, "hij verried ons, daar hij ook bitter
voor gestraft is". Twee jaar later deed hij eene vergeefsche poging om in den troep van
Corver te worden opgenomen. Dat deze, die hem "een jongen Knaap" noemt, veel minder
gunstig over hem oordeelt24 dan Stijl, is
licht te begrijpen. (p. 133)

Na Faber heeft waarschijnlijk geen reizende troep meer in Harlingen gespeeld. In de behoefte
aan tooneelvoorstellingen werd nu voorzien door het Genootschap der Tooneelminnaaren, dat
misschien in Dec. 1762 werd opgericht en reeds 19 Jan. 1763 den Arzases van Huydecoper
vertoonde. Na afloop daarvan werd, waarschijnlijk door Stijl zelf, een door hem vervaardigde
aanspraak tot de toeschouwers gericht, waarin hunne toegevende belangstelling werd ingeroepen en
het tooneel tegen zijne berispers werd verdedigd.href="#n25">25

In dit genootschap was Stijl dertien jaren lang de leider en de eerste speler. Van hem was ook
het opschrift op het gordijn van het tooneel:

In 't Schouwspel heerscht de Deugd door Wijsheids achtbre stem:

Zoo iemand anders denkt, de Konst is niet voor hem.

Van de vertoonde stukken worden ons genoemd:

19 Jan. 1763. Arzases van B. Huydecoper. (Zie boven.)

8 Maart 1763. De dood van Willem den Eersten van Cl. Bruin. In de door Stijl opgestelde
aanspraak tot het publiek werd er zeker wel op gewezen, dat het de verjaardag van den Stadhouder
was.

2 Jan. 1765. Sophonisba naar Voltaire, maar het blijkt niet, welke bewerking het was.

5 Juni 1765. De malle Wedding of Gierige Geraard van J. Blasius en Don Quichot van
P. Langendijk. Bij het laatste schreef Stijl eene "Narede van Kamacho".

4 Juni 1766. Constantinus de Groote van P. Bernagie.

3 Juni 1767. Het Huwelyk van Orondates en Statira van D. Lingelbach.

23 Mei 1769. Mahomet de Tweede, zeker wel in de bewerking van N.W. op den
Hooff.

Voor al deze vertooningen schreef Stijl eene aanspraak tot de toeschouwers, maar voor die op 3
Juni 1767 eene Groete aan het Gezelschap.href="#n26">26

Ook Stijl's treurspel De Mityleners, dat hij bij de uitgave in 1768 "Aan het
Hooggeëerde Genootschap der Tooneelminnaaren te Harlingen" opdroeg, zal daar wel
gespeeld zijn. De hoofdrollen werden veelal door Stijl vervuld. Hij wordt (p.
134) geprezen als Rhadamistus in Rhadamistus en Zenobia van A. Bogaert, als Cato in
het treurspel van dien naam van H. Angelkot en P. Langendijk, als Lubbert Lubbertze in het
gelijknamige blijspel van M. van Breda naar Molière, als Achilles in het treurspel van B.
Huydecoper, als Gijsbrecht van Amstel en als Herodes, waarschijnlijk in Herodes en Mariamne
van Kath. Lescailje. In eenige van deze rollen werd hij door sommigen op ééne lijn
gesteld met Duim, Punt en Spatsier.27

Naar aanleiding van de oprichting van dit tooneelgezelschap vertelt Scheltema: "Dit
Liefhebberij-tooneel wierdt als een voorwerp van spotternij behandeld, door den schrijver van eene
brief in het weekblad, de Denker geplaatst, dan Styl beandwoordde dien aanval zoo aartig en
geestig in eenen Tegendenker dat alle geschootene pijlen op het hoofd van den spotter terug
stuitten".

Ook hier vergist Scheltema zich en geeft eene verbleekte en later opgesierde herinnering,
zonder de zaak opnieuw te onderzoeken. In den Denker toch is een dergelijke brief niet te
vinden, en van een Tegendenker is nergens sprake. Toch is er eene kern van waarheid
in.

No. 102 van den Denker van 10 Dec. 1764 (2e deel, bl. 393- 400) bevat een brief, die
zeer wel van Stijl kan zijn. Hierin vindt men eene samenspraak van eene moeder en hare dochter. De
laatste wil naar den schouwburg gaan, waar dien avond Rhadamistus en Zenobia en Het
gedwongen Huwelijk vertoond zullen worden. De laatste titel ontlokt de Moeder een "Foei
!" waarop de Dochter antwoordt: "Wel zo? 't Is een van de beste stukken, die
Molière gemaakt heeft, en S..... speelt van zyn leven niet kunstiger". Met S..... zal
hier wel Stijl bedoeld zijn. Wat later zegt de Moeder: "ik moest maar eene Actrice van je
maaken", waarop het antwoord luidt: "Was ik het zo goed als Juffrouw F......". Hier
valt het niet moeilijk den naam aan te vullen tot Fontein.

De Moeder vaart heftig uit tegen het tooneel, op het gezag van den catechiseermeester en eenige
predikanten, hoewel zij zelf zegt: "Een Predikant moet ook de Comedie slechts bij naam
kennen". Daartegenover verdedigt de Dochter het met kalmte en verstand, maar toch ook met
kracht. Van eene (p. 135) onlangs gehoorde preek zegt zij b.v.: "Zot en
impertinent. Kunt gy gelooven, dat zo veel fatsoenlyke lieden, als de Schouwburgbezoeken, daar
opgaan naar Gilgal en Bethel, om Afgodery te pleegen, om Gods naam te hooren lasteren, om
aanleiding te krygen tot buitensporigheden, tot Echtbreuk, en diergelyke gruwelen, die 't my
niet betaamt te noemen?

Waarschijnlijk zullen de Harlingers hierin wel den korten inhoud gelezen hebben van eene preek,
die zij gehoord hadden, evenals zij in den Proponent P., Ds. N. en zijn Collega B. bepaalde
personen herkend zullen hebben. Aan het einde wordt nog even gesproken over menschen van aanzien,
die voor liefhebberij zes of zevenmaal in een jaar op het tooneel komen.

De geheele brief geeft een aardigen kijk op de wijze, waarop het tooneel van den kansel
bestreden werd.

Hierbij behoort ook no. 139 van 26 Aug. 1765 (3e deel, bl. 265-272). Dit bevat drie brieven,
zoogenaamd van Friesche vrouwen, met klachten over haar man. In de derde klaagt Claasket, dat haar
man, "wiens voorouders braave Mennisten waren", lid van een liefhebberijtooneel geworden
is. Dat kost veel geld en hij komt dikwijls laat thuis, b.v. nadat zij Electra overhoord
hadden. Ook was daar Faëton ingestudeerd. Verder klaagt zij er over, dat hij op zijn 37e jaar
nog dansen leert28. Wij zien uit dezen brief
ook, dat de voorstellingen druk bezocht werden en dat de bezoekers van alle kanten kwamen.

Het is niet onmogelijk, dat ook deze brieven van Stijl zijn.

Wie na 1776 de leiding in het tooneelgezelschap gehad heeft, weten wij niet. Zelfs is het niet
zeker, of het is blijven bestaan, ofschoon wij dat wel waarschijnlijk achten. Er blijft hier
echter in onze kennis eene gaping van bijna twintig jaar.

In 1795 werd een nieuw gezelschap opgericht, blijkbaar door een jonger geslacht uit dezelfde
kringen, waaruit het gezelschap van Stijl was voortgekomen. De namen Van der Plaats, Toussaint,
Roorda, Stinstra, Fontein toch vinden wij ook onder zijne vrienden.

Ik heb, bij elkander ingebonden, een aantal tooneelstukkenhref="#n29">29, (p. 136) op het schutblad aangeduid als
"Tooneelstukken gespeeld in de Liefhebberij Comedie te Harlingen in de Raamstraat Ie
Stuk".

Bij elk stuk is bijgeschreven de datum van de opvoering, de rolverdeeling en het aantal regels
(ook van de prozastukken), die ieder te spreken had.

Het kon haast niet anders, of voor de eerste opvoering moest een stuk van Stijl gekozen worden.
De volgende stukken zijn gespeeld, steeds een treurspel en een blijspel:

11 Juni 1795 (Donderdag). De Mityleners (1768)name="t30" href="#n30">30 en De verbeterde Dwaas (1788) van H. Ogelwight Jr.

17 Nov. 1795 (Dinsdag). Arzases (1743) van B. Huydecoper en Loon naar Werk (1710)
van Y. Vincent.

29 Dec. 1795 (Dinsdag). Achilles (1742) van B. Huydecoper en De Dwarsdryfster (1746)
van P.A. de Huybert van Cruyningen.

13 April 1796 (Woensdag). De Dood van Johan en Garcias (1715) van Cl. Bruin en De
Spilpenning (1726) van T. Asselyn.

De spelers waren, in volgorde zooals zij het eerst genoemd worden: J. IJsenbeek, Hendricus
Stroband, Pier Boomsma, J.D. Toussaint, D. IJsenbeek, J.D. van der Plaats, A. van Loon,
V. van der Plaats, T. Tjallingi, Johannes Stroband, S. Tjallingi, K. van der Plaats,
M. IJsenbeek.

Blijkbaar waren er ook meisjes lid, of speelden althans mede: D. IJsenbeek, die alleen in De
Mityleners voor Klytie speelde (een rol van 47 regels); M. IJsenbeek, die in De
Spilpenning voor Leonoor speelde (7 regels); T. Tjallingi, die in Arzases voor Egine
speelde (21 regels) en K. van der Plaats, die in den Achilles voor Cephize (18 regels), in
Johan en Garcias voor Cassandra (19 regels) en in De Spilpenning voor Sofia (4
regels) speelde. Voor het overige werden de vrouwenrollen door mannen gespeeld. De namen van hen,
die dat naast mannenrollen gedaan hebben, zijn hierboven cursief gedrukt.

Waarschijnlijk waren J. D. en K. van der Plaats kinderen van den tafelbroeder en uitgever van
Stijl. Zij waren dan wel zeer jong, want Volkert van der Plaats is eerst 16 Mei 1778 gehuwd met A.
Toussaint. Dat hij zelf zal medegespeeld hebben, is niet waarschijnlijk, omdat hij reeds 50 of 51
jaar was. De genoemde V. van der Plaats was dus waarschijnlijk een neef. (p.
137)

J. D. en K. van der Plaats waren ongetwijfeld broeder en zuster. Er is nl. een
oproepingsbriefje voor hen gezamenlijk ingespeld om "Saturdag den 19 Maart s' namiddags
te 2 uur te exerceren. Vrijdag den 26 dito s' avonds te 5 uur te spelen". Hierin is
natuurlijk òf Vrijdag òf 26 eene vergissing.

De opvoeringen begonnen dus om 5 uur. Tevens zien wij, dat de laatste van 26 Maart tot 13 April
verschoven is. Waarschijnlijk had het plan om op Goeden Vrijdag of op Zaterdag voor Paschen eene
voorstelling te geven, ergernis gewekt.

Op slechts eene enkele plaats is een woord van den tekst veranderd. In De Mityleners
zijn een aantal tooneelaanwijzingen bijgevoegd, maar alleen in de rol van Nicias. Daaruit blijkt,
dat dit exemplaar aan J.D. van der Plaats heeft toebehoord. Uit de bijvoeging op bl. 37 blijkt
echter, dat J. IJsenbeek ze geschreven heeft. Deze had dus zeker de leiding en trad als regisseur
op.

Zonder twijfel is er nog een bundel met de stukken geweest, die tusschen 13 April 1796 en Maart
1797 gespeeld zijn, toen er eene nieuwe vereeniging werd opgericht.

Tegelijk met den vorigen kocht ik nog eenige bundels, met den geschreven titel
"Tooneelstukken, gespeeld in de Liefhebberijcomedie te Harlingen onder de Zinspreuk

De Smaak voor 't Schouwtoneel, gewettigd door de Reden

Geeft Luister aan de deugd, en zwier aan schoone zeden".

Hiervan kocht ik den len, 2en, 3en, 7en en 15en bundel en een zonder titel, die de 8e moet
zijn.

De inrichting van deze bundels is geheel gelijk aan die van den vorigen. De verzamelaar van deze
was ook weer J.D. van der Plaats.

In dit gezelschap zijn de volgende stukken gespeeld:

31 Maart 1797. De Burgemeester, naar Von Bruhl (1794) en P. Langendijk De
Wiskunstenaars (1784).

26 Mei 1797. Brandes, Schyn bedriegt (1777) en P. Bernagie, De ontrouwe Voogd
(1782).

30 Sept 1797. J. Nomsz, Titus (3e dr. z.j.) (1780) en J. Japin, De Lastigheid der
Rykdommen (1739).

9 Nov. 1797. J. van Walré, De School voor de Vaders (1788) en Rikko (1793).
(p. 138)

21 Dec. 1797. S. Feitama, Pyrrhus (1755, 2e dr.)href="#n31">31 en P. Langendijk, De Zwetser (1789).

l Febr. 1798. P.J. Kasteleijn, De Graaf van Olsbach (1778) en P.G. Witsen Geysbeek, De
Ongeduldige (1795).

15 Maart 1798. Ph. Zweerts, Merope (1746) en P. de la Croix, Krispyn Medicyn
(1784).

3 Mei 1798. A. Vereul, De Zege der Ouderliefde (1791) en De dankbaare Zoon naar J.J.
Engel (1788)32.

13 Sept. 1798. S. Styl, De Mityleners (1768) en P. Langendijk, Don Quichot (1786)<a
id="t33" class="noot" name="t33" href="#n33">33.

25 Oct. 1798. A. von Kotzebue, De Lasteraar (1796)href="#n34">34 en J. Japin, De Woekeraar Edelman (1785).

13 Dec. 1798. De Doove, naar Desforges (1797).

7 Febr. 1799. H. Ogelwight Jr., Waldheim (1789) en P. Bernagie, Het Huwelyksluyten
(1739).

[Hiermede eindigt de 3e band; nu volgt de 7e.]

15 Mei 1801. G.C. de Greuve, De Virtuosen (1799) en A. Tack, Het Huwelyk van den
Capucijn (1800).

2 Oct. 1801. L.W. van Merken, Jacob Simonszoon de Ryk (1776) en A. de Wit, Het
Hofsteeleeven (1736).

5 Nov. 1801. J. S. van Esveldt-Holtrop, De verkeerde Schaamte (1798) en De Verteller
naar J. B. Picard.

17 Dec. 1801. J. G. Doornik, Beverley (1800) en Krispyn, Barbier, Dansmeester, Pagie en
Graaf (1729).

28 Jan. 1802. J. Nomsz, Anthonius Hambroek (2e dr. 1795) en J.J. Hartsinck, De Hagenaar
te Enkhuizen (1784).

4 Maart 1802. Natuur en Pligt naar Pelletier Volméranges (1800) en De Comedie bij
Geval naar Dorvigny (Utr. z.j. (1785))href="#n35">35

l April 1802. D.A. van de Wart, De Hertog van Monmouth (1799) en P. Langendijk, Krelis
Louwen (1740).

9 Sept. 1802. P.G. Witsen Geysbeek, De Bloedverwanten (1798) en A. Hordyk Verstolk, Het
hoogste Lof (1795).

[Hier ontbreken weer een aantal bundels en volgt no. 15.]

3 Nov. 1808. J. S van Esveldt-Holtrop, De Schrijf-lessenaar (1801) en H. Tollens Cz.,
Het Huwelyk naar de Mode (1800)

15 Dec. 1808. D. Onderwater, Stille Waters hebben diepe Gronden (p.
139) en J.S. van Esveldt-Holtrop, De Ongelukkigen (1798).

26 Jan. 1899. R.C. van Goens, De Twede Tartuffe (1797) en De belagchelyke Zelfmoord
naar A. Martainville (Rott. z. j.) 1).36

13 Maart 1809. W. C. Lochmann van Königsfeldt, geb. Meysenheim. Wanhoop en Redding
(1803) en J. S. van Esveldt-Holtrop, De Deserteur (1807).

In het laatste deel is bij enkele stukken de rolverdeeling niet bijgeschreven.

Het is niet noodig van al die stukken de rolverdeeling op te geven. Ik geef hier dus alleen
eene lijst van de spelers, in de volgorde, zooals zij voor het eerst genoemd worden. De namen van
hen, die ook in de eerste vereeniging medegespeeld hebben, worden met een * gemerkt. Van hen, die
ook vrouwenrollen gehad hebben, zijn de namen cursief gedrukt; van hen, die alleen vrouwenrollen
gehad hebben, bovendien gespatiëerd.

E. Roorda, P. Greidanus, F. Fontein, S. Wijbenga, J. Huidekoper, *Jan
IJsenbeek, *F. Tjallingi, G. Stinstra, *J. Oosterbaan, K. Oosterbaan, *N. Baur,
*J.D. v.d. Plaats, <span
style="letter-spacing: 0.2em">M. Vellinga, <span
style="letter-spacing: 0.2em">Joh. Stroband, <span
style="letter-spacing: 0.2em">D. Brouwer, G. Hingst, A. Tjallingi, G. Fontein, P.
Oosterbaan, Juff. R. van der Werf, <span
style="letter-spacing: 0.2em">Mevr. Roorda, <span
style="letter-spacing: 0.2em">Juff. A. Lieuwma, *J. Stroband, P. Tetrode, *Hendr.
Stroband, Sj. Hingst, *Juff. K. van der Plaats,
Juff. IJsenbeek, <span
style="letter-spacing: 0.2em">Juff. A. Huidekoper, Steenstra, J. van der Plaats,
Juff. E. Tuinhout, <span
style="letter-spacing: 0.2em">Juff. A. Stinstra, <span
style="letter-spacing: 0.2em">Juff. E. Tjallingi, P. Tjallingi, Zijlstra,
Nettevogel, C. Oosterbaan.

In 1808 komen er de volgende nieuwe namen bij:

Juff. D. Boomsma, <span
style="letter-spacing: 0.2em">Juff. A. Boomsma, A. Stinstra, <span
style="letter-spacing: 0.2em">Juff. E. Stroband, S. Tetrode, D. Fontein. B. Deketh,
Juff. Greidanus, P. Huidekoper, Joh.
Greidanus.

Zooals men ziet, was het een vrij gesloten gezelschap, en behoorden de leden tot een beperkt
aantal familiën. In het begin werden de grootere vrouwenrollen door mannen gespeeld en werden
alleen kleine vrouwenrolletjes waarschijnlijk aan heel jonge meisjes gegeven. Ook hebben er zeker
wel eens (p. 140) kinderen medegespeeld, in kinderrollen. Hunne namen
staan dan echter gewoon in de rolverdeeling als die van de anderen. Geen enkele maal is, voor
zoover wij zien kunnen, een mannenrol door eene vrouw gespeeld.

Dat het gezelschap naast deze spelers ook nog andere leden had, blijkt uit twee brieven aan
Daniel van der Plaats, vooraan in het eerste deel bijgebonden, waarop ook de titel is geschreven.
Zij luiden:

Harlingen den 31 Jan. 1797.

Den burger D. van der plaats.

Medeburger

De Commissie van drie leeden tot het kiezen der stukken en verdelen der rollen benoemd heeft
goedgevonden U te geeven de rol van Mevr. blasdorp in de burgemeester en de rol van ..... in de
wiskunstenaars, te speelen over 6 weken.

Waarmede blijven Uwe Medeburgers

Hijlke Haanekuik

E. Roorda

P. Greijdanus

tot het kiezen der stukken en verdeden der rollen benoemd.

Harlingen den 7 Feb. 1797.

Den burger D. van der plaats te Harlingen.

Burger!

Ingevolge de nieuwe verdeeling hebben wij goedgevonden U te geeven de rol van Julia in de
burgemeester en geen rol in de wiskunstenaars.

waarmede blijven Uwe Dw. Medeburgers

Hijlke Haanekuik.

E. Roorda.

P. Greijdanus.

Ook wanneer er gedanst werd of buiten den tekst gezongen, zijn de namen bijgeschreven.
Daaronder zijn er enkele, die niet onder de spelers voorkomen.

In enkele jaren werd er nog al gedanst. Het eerst vinden (p. 141) wij
het in De Lastigheid der Rijkdommen. Aan het einde van het 1e bedrijf (bl. 26) werd
tweemaal gedanst door V. van der Plaats, K. van der Plaats, F. Fontein en M. Tjallingii en door
dezelfden nog eens in het 8e tooneel van het 3e bedrijf en tweemaal aan het einde. In De
Zwetser stelden Baur, Roorda en IJsenbeek drie dansende Moffen voor.

Aan het einde van De Dankbaare Zoon volgt deze uitvoerige mededeeling:

"Hierop werd den Ritmeester door V. van der Plaats. F. Fontein Iz., Juff. K. van
der Plaats en M. Tjallingii ieder een ruiker of iets dergelijks aangeboden, waarop zij een ballet
dansten. Toen dansten Michiel en Grietje eenige touren der Allemande. Waarop 4 boeren (zijnde J.
IJsenbeek, J. Huidekoper, N. Baur en H. Stroband) Jaapje sta stil en de Schermschool dansten.
Vervolgens werd door V. van der Plaats eenige passen van de Hornpijp gemaakt en een Ballet van de
4 eerstgenoemde (waarna de Ritmeester een Krans boven het hoofd werd gehouden) sloot het Toneel
voor dit Saisoen."

In het 9e tooneel van het 1e bedrijf van Don Quichot waar Don Quichot en Sanche
stokslagen krijgen, staat aangeteekend "Zijlstra, Baur, Roorda, Nettevogel en F. Fontein
danzen hier een Ballet". Daarentegen is in het 8e tooneel van het 3e bedrijf het dansen
geschrapt. Het ballet aan het einde van het stuk werd gedanst door: Nettevogel en K. v.d. Plaats,
D. Zijlstra en A. Huidekoper, Stroband en Juff. v.d. Werff, P. Tetrode en Mev. Roorda.

Bij de vertooners van Krelis Louwen wordt W. Tuinhout als danser opgegeven.

Nog talrijker zijn de mededeelingen omtrent het zingen. In De Lastigheid der Rijkdommen
is in het 3e tooneel van het 1e bedrijf ingevoegd de muziek van een "Trincklied"
beginnende "Godd Bacchus lehdt uns das kostelijke Wijn" en de tekst van een lied van
Filipijn op de wijze van "De Turk en zijn Narrewens". Bij het 5e tooneel zijn de muziek
en de woorden van een lied van Filipijn ingevoegd. Aan het einde van het 1e bedrijf is ingevoegd
de muziek van het liedje van "Twee van het gevolg van Plutus", terwijl in den tekst is
bijgeschreven, dat het is gezongen door D. IJzenbeek en L. Popta. In het 8e tooneel van het 3e
bedrijf zijn weer de woorden en de muziek van een lied van Filipijn ingevoegd. Het lied aan <span
class="pnr">(p. 142) het einde van het stuk werd vervangen door een duet, gezongen door D.
IJsenbeek en L. Popta, waarvan ook de woorden en de muziek zijn ingevoegd. Daarbij staat nog de
opmerking:

"Deeze Duett wordt op de Amsterd. Schouwburg gezongen,

in plaats van de laatste zang in de Lastigheid der Rijkdommen."

In het laatste tooneel van De Zwetser is bij beide coupletten van Krispijn
bijgeschreven: "Air: Ja wat wil ik wel weezen".

Aan het slot van Krispyn Medicyn is een duet bijgevoegd van Krispijn en Katrijn, op de
wijze van "Un Militaire doit avoir Trompette et Tambour" uit de opera l'Amant
Statue.

In het 12e tooneel van het 3e bedrijf van Don Quichot zijn de woorden en de muziek
ingevoegd van drie coupletten op de wijze van "Femmes, Voulez vous éprouver" uit
de opera Le Secret.

"In het 17e tooneel van De Woekeraar Edelman is de dans geschrapt en zijn de beide
coupletten vervangen door drie andere, waarvan de woorden en de muziek zijn ingevoegd. In het
laatste tooneel is de muziek ingevoegd van den beurtzang, waarmede het stuk eindigt.

In Het Huwelyk sluiten is het liedje aan het einde van het 4e tooneel van het 1e bedrijf
vervangen door een ander op de wijze van "Femmes, voulez vous éprouver". Deze
drie coupletten zijn weer ingevoegd. In het 8e tooneel van het 2e bedrijf is een door Flink te
zingen couplet ingevoegd op de wijze van "Dansons la Carmagnole".

In De Virtuosen is in het 5e en 6e tooneel van het 2e bedrijf de muziek ingevoegd van de
in den tekst voorkomende zangstukken.

Ook van het trio aan het slot van De verkeerde Schaamte is de muziek ingevoegd.

In Krelis Louwen worden onder de lijst der vertooners als zangeressen opgegeven Mevr.
Roorda, Juff. v.d. Werff en K. v.d. Plaats. In het 7e Tooneel van het 2e bedrijf zijn de tekst en
de muziek opgenomen van drie coupletten, "gezongen door Mijnh. en Mev. Roorda, Juff. v.d.
Werff en K v.d. Plaats". In het 3e tooneel van het 3e bedrijf vinden wij alleen de woorden
van drie door dezelfden gezongen coupletten "Air. Lieve Meisjes hebt gij zin enz Zie 't
Blindemannetje Band ... e stuk". (De cijfers zijn onleesbaar geworden: deze band ontbreekt
mij.) (p. 143)

Alleen in De Virtuosen is vrij veel geschrapt, zeker wel omdat de aardigheden wat ruw
waren. Verder zijn slechts hier en daar enkele regels geschrapt om de ruwheid, of omdat b.v. het
weglaten van een dans eene verandering in den tekst noodig maakte.

Daartegenover verdienen enkele bijvoegingen meer aandacht. Aan het eerste stuk, De
Burgemeester, gaat vooraf in hs. eene "Aanspraak, gedaan door E. Roorda bij de Opening
van 't Tooneel te Harlingen den 31 Maart 1797."

Het zijn 8 strophen van 10 regels, waarvan de derde luidt:

O Gij, die door uw milde Gaaven

Deez plaats zoo heerlijk hebt vercierd,

Heb dank, heb dank, o eedle braven!

Uw hand wierd door Uw hart bestierd.

En Franeker: zou 'k U niet noemen?

Wij kunnen op uw vriendschap roemen,

Ook gij waart tot ons hulp bereid;

Hoe zullen wij uw vriendschap loonen,

Ontvang bij voorraad slegts de toonen,

Van onze oprechte erkentlijkheid.

Achter De Hertog van Monmouth is een blad ingevoegd met de mededeeling: "Onmiddelijk na
't afloopen van 't speelen der Hertog van Monmouth werd door de Heer F. Fontein van 't
Toneel af gereciteerd 't volgend Vaars op de Algemeene Vroede te Amiens geslooten d Maart
11. door Dr. S. Styl". Aangezien dit nergens gedrukt is, laten wij het hier volgen.

1

De langgewenschte Vreede is eindelijk verscheenen,

En op dat ogenblik al 't grievend leed verdweenen,

Zoo worde ook hier, daar elk dat rijzend licht begroet,

Met vreugd ontmoet.

2

Zo lang het zig maar flaauw mogt opdoen aan de kimmen

Had Mavors moed genoeg om 't zijlings te begrimmen,

En rigte hier en daar, uit zugt tot Euveldaan

Nog wel een bloedbad aan.

(p. 144)

3

Nu ist in volle kragt ten hoogsten trans gesteegen

En schittert over de aarde, en stort een stroom van Zegen

Aan alle zijden uit, waarbij men klaar mag zien

Wat hand ons hulp wil bien.

4

Die hand, zoo fel getergd door de Onregtvaardigheeden

Had alle hoop op gunst regtvaardig afgesneeden,

Tot ze eindelijk geraakt door de algemeene nood

Zich uit genade ontsloot.

5

Moet zulk een blijden dag niet iedereen bekooren

Die nog ten eenemaal 't gevoel niet heeft verlooren

Die in zijn Vijand nog, zo hij een vijand vindt,

Den Medemensch bemint.

6

O schoonste dogter van den grooten Albehoeder

Aanbiddelijke vree, gij zegenrijke Moeder

Van al wat lieflijk is, en welbetaamlijk luidt

Hoe zagt lokt gij ons uit.

7

Daar de Oorlog alles sloopt, verdelgt, en af doet branden

Herstigt de Vreede al wat zij aanraakt met haar handen

Zij wenkt de lieve jeugd naar 't heilig Egtaltaar,

En vindt de vriendschap daar.

8

En gij die 't Schouwtoneel uit agting wilt beminnen

Spelt ook hieruit veel heils voor d' eedie Zanggodinnen

Ziet met een gunstig oog op onze poging neer

En moedigt ons nog meer.

Ook in het hierna gespeelde blijspel Krelis Louwen werd de vrede herdacht Op bl. 56, dat
is in het 5e tooneel van het 3e bedrijf, als Pieter uit het venster kijkt, vinden wij de volgende
opmerking: "Door de Heer E. Roorda de rol van Pieter vervullende werd bij de 6e Regel van
pag. 56 't volgende gevoegd :

Wat doe jij Swartsmoel hier de vreugde te verstooren,

Terwijl de vreebazuin zig overal laat hooren.

Daar heb je seldrementse quant

De Haarelemsche Nacourant."

(p. 145) Of de rest der verzameling van J.D. van der Plaats verloren
gegaan is, of nog hier of daar bewaard wordt, weet ik niet. Maar ook uit hetgeen wij nu nog
hebben, zijn ons reeds vrij wat bijzonderheden gebleken omtrent die Harlinger
tooneelgezelschappen. Ik kan er nog een paar bijvoegen.

Van Asselyn's De Spilpenning (1784) heb ik een exemplaar, dat behoord heeft aan
"Juffer K. v.d. Plaats". Het stuk zou gespeeld worden op 4 Dec. 1800. Er ligt ook eene
rolverdeeling in, die echter geen enkelen nieuwen naam brengt.

Aan dezelfde, die dan de rol van "Tryn, de Meyd" gespeeld heeft, zal wel toebehoord
hebben mijn exemplaar van P. de la Croix De ingebeelde Zieke (1760). Er is geene
rolverdeeling en ook geene opgave van den datum, maar wel een groot aantal spelaanwijzigingen en
tekstveranderingen in de genoemde rol.

In een exemplaar van De Lasteraar naar A. von Kotzebue (1802) is aangeteekend
"Gespeeld te Harlingen d. 26 Januarij 1815", terwijl er een los lijstje in ligt met de
namen der spelers. Dit waren: H. Stroband, Juffr. B. Ruitenga, Juffr. C. Mollema, I. Mollema, T.
Tjallingii, M. van der Plaats, A. Ruitenga, I. IJsenbeek, G. Pettinga, S. Toussaint, Juffr. A.
Boomsma, B. Boomsma, Juffr. D Boomsma, D. Greydanus.

Een minder bekend blijspel37 is: "Het
Liefhebberij Tooneel bij Toeval; Blyspel in vier bedryven. Opgedragen aan de Verdienstelijke
Active Leden van de Harlinger Tooneelsocieteit, door derzelver gewezen medelid J.R. Modderman. Te
Harlingen, bij M. van der Plaats, 1821". Hieruit blijkt, dat het gezelschap in 1821 nog
bestond, en dat er tweeërlei leden waren.

Ook in 1825 bestond het gezelschap nog. Er werden althans nog tooneelstukken ter lezing
rondgezonden. Twee van die stukken bezit ik, no. l en no. 7. Het zijn De Molenaar van
Sans-Souci door M.J. Engelman (1805), dat 17 Juli verzonden werd, en De Lichtzinnige
van A.L. Barbaz (1807), dat blijkbaar niet rondgegaan is. Wel is er een lijstje met namen
ingeplakt, maar dat is niet afgeteekend. De leestijd was 7 dagen, en "iederen dag te late
verzending is een stuiver boete". De toenmalige leden waren: I.I. IJzenbeek, M. v.d. Plaats,
I. Mollema, Fa v. E. Tjallingii, P.F. Tjallingii, P.A. Braams. M. Blok, (p.
146) P. Greydanus, D. Fontein Fz., P. Popta, S. Stinstra, G. Pettinga, W. Hillebrant.

Het boek moest teruggezonden worden aan M. v.d. Plaats.

Hoewel wij in het bovenstaande allerminst eene volledige geschiedenis hebben, geeft het toch
reeds eenig beeld van een zij het ook tijdelijk, opgewekt geestelijk leven in eene kleinere stad
en van den invloed, die er van één man kan uitgaan.

Noten

In het origineel als voetnoten, hier doorgenummerd naar eindnoten.

1) Levensschets van Simon Stijl, door Jacobus Scheltema.
Gevolgd van twee lijkkzangen. Amsterdam, 1804. Zonder de lijkzangen is deze herdrukt in
Scheltema's Geschied- en Letterkundig Mengelwerk 1, 1e stuk, Amst. 1817, bl.
162-189.

Eene fout bij vele schrijvers is, dat zij 24 Mei als sterfdag noemen i.p.v. 31 Mei. Scheltema
zegt n.l. dat Stijl op 24 Mei eene beroerte kreeg en eenige dagen later stierf. De juiste datum
blijkt uit het bericht in den Kunst- en Letterbode 1804, I bl. 426 en uit het door Ottema
medegedeelde opschrift op de grafzerk.

2) Gelegenheidsrede bij de oprichting van het Monument voor
Dr. Simon Stijl. Leeuwarden 1860.

3) In zijne Voorrede voor de Nagelaten Gedichten
(Tooneelpoëzij), Leeuwarden en Harlingen, 1835.

In Brouwer's voorrede ontbreekt de gewenschte helderheid en vooral de nauwkeurigheid, die
men tegenwoordig in een bibliograaf onmisbaar acht. Het is b.v. niet mogelijk hieruit een
overzicht te krijgen van de nagelaten geschriften van Stijl.

4) Bij slechts een enkelen schrijver vind ik b.v. den juisten
titel van Stijl's Onderzoek van het Bericht en Oordeel over het Treurspel De Mityleners;
't welk gevonden wordt in de Nieuwe Vaderlandsche Letter-oefeningen, II Deel. No. 8.
Harlingen, 1768. De meesten, ook Ottema, nemen den onjuisten titel van Scheltema over.

Ook van enkele der afzonderlijk uitgegeven gedichten geeft Scheltema een onjuisten titel.

Sommigen ook schrijven de vertaling van Turpin's verhandeling, die aan den 1en druk van
Opkomst en Bloei voorafgaat, aan Stijl toe, terwijl toch uit de voorrede het tegendeel
duidelijk blijkt.

5) Nagelaten Gedichten. Mengelpoëzij. Leeuw. en
Harl. 1837, bl. 7.

6) Vgl. zijne Reis naar Utrecht met Ds. van Engelen, in het
jaar 1757 in Nieuwe Friesche Volksalmanak voor 1862, bl. 96.

7) Uitgegeven te Leiden bij C. Visser, 1754.

8) Uitgegeven te Amsterdam bij Iz. Duim, 1754; 2e druk
1782.

9) M. Corver, die van oordeel was, dat er na Langendijk geen
tooneeldichter van eenige beteekenis geweest was, zeide er van: "Dit Blijspel, kan 'er
even door". Zie zijne Tooneel-aantekeningen, bl. 115.

10) De belachelijke Minnenijd, of de Knecht van
Fortuin, in de Nagelaten Gedichten, Tooneelpoézij (1835), bl. 183-226.

11) Ottema, bl. 17.

12) C. Busken Huet heeft het hs. gezien en daaruit iets
medegedeeld in Litterarische Fantasieën XXIV, biz. 153 vlg.

13) Ottema, bl. 24.

14) Nagelaten Gedichten (1835), bl. 1-86. Voor de
tijdsbepaling zie aldaar de Voorrede, bl. XXVI vlg.

15) Ib. bl. 87-182.

16) Ottema. bl. 17.

17) Men denke b.v. aan de vele werken, die in dezen tijd te
Harlingen uitgegeven zijn.

18) Nagelaten Gedichten, Mengelpoëzij, bl.
15.

19) Ottema, bl. 20.

20) Ottema, bl. 21. Deze deelt op bl. 43 de rolverdeeling
mede.

21) J. A. Worp. Geschiedenis van het Drama en van het
Tooneel. Groningen, 1908, II bl. 240.

22) Het Leven van Jan Punt, bl. 62 en 70.

23) Worp, II bl. 235.

24) M. Corver, Tooneel-aantekeningen, Leyden 1786,
bl. 87, 122-125.

25) Ottema, bl. 18.

26) Ottema, bl. 20.

27) Scheltema, bl. 9.

28) Vgl. hierachter bl. 140 en 141.

29) Deze en de andere in dit artikel genoemde uitgaven
behooren thans aan het Friesch Genootschap.

30) Het cijfer tusschen haakjes is het jaartal der
gebruikte uitgave, zooals die in den bundel voorkomt.

31) In den Catalogus der Maatschappij v. Letterkunde
onjuist 1775.

32) Deze uitgave is noch in den Catalogus der Maatschappij
van Letterkunde, noch in dien van de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam.

33) Idem.

34) Idem.

35) Idem.

36) In den Catalogus der Maatsch. v. Letterk. wordt als
jaar van uitgave opgegeven (c. 1810?). Het blijkt hier, dat het niet later dan 1808 is
uitgegeven.

37) Noch het stuk zelf, noch den schrijver heb ik ergens
genoemd gevonden.