Uit: De Vrije Fries II (1842), pp. 215-220. [PDF-bestand]

Beschrijving van een zeldzaam voorkomend werkje van Johannes Bogerman, predikant te Leeuwarden.

J.G. Ottema

Praxis verae poenitentiae, sive meditationes in historiam lapsus DAVIDIS. Authore JOHANNE BOGERMANNO , Ecclesiae Leowardianae, in Frisia, Pastore. Herbornae Nassoviorum, ex officina CHRISTOTOPHORI CORVINI, 1616. Dat is: Praktijk (of beoefening) van het waar berouw, of overdenkingen bij de geschiedenis van DAVIDS val.

Dit werkje, dat, behalve de voorrede en de toegift, 259 bladzijden in klein octavo bevat, behandelt in de beide eerste hoofdstukken de vraag: waarom God toelaat, dat de zijnen, en zelfs somwijlen de heiligste mannen der kerk, tot zware misdrijven vervallen. De schrijver betoogt, dat men van het gevoel der menschelijke ellende moet doordringen tot haren oorsprong, welke de zonde is: dat men door de erkenning van de zonde, moet komen tot de begeerte naar eenen Verlosser, die van de zonde bevrijdt. Deze Verlosser, zoo gaat hij voort, is JEZUS CHRISTUS: doch hij bevrijdt ons (p. 216) van de zonde in dit leven niet geheel en al; want die zuivering geschiedt, ten aanzien van de gevolgen der zonde, door het bloed van CHRISTUS, en, ten aanzien van hare oorzaken, door den Heiligen Geest, en dit laatste middel werkt in dit leven onvolkomen. Van hier de val der godvreezenden, welken God toelaat, om de zijnen te verootmoedigen, om zijne genade, trouw en magt te verheerlijken, om den zwakken een troost en hulpmiddel tegen vertwijfeling te verleenen, om zachtmoedigheid te leeren gebruiken jegens gevallene broeders, om de gevallenen te stellen tot een voorbeeld van waar berouw, om de geestelijke zorgeloosheid en insluimering te verdrijven, en om de begeerte naar een toekomend leven op te wekken.
    Tot staving van deze denkbeelden, wordt in de zeventien overige hoofdstukken de geschiedenis van DAVIDS val uitvoerig behandeld, en geheel menschkundig de weg nagespoord, langs welken DAVID, de man naar Gods hart, die reeds zoo vele bewijzen van zijne godsvrucht gegeven, en reeds zoo vele blijken van Gods bijzondere gunst ontvangen had, tot het dubbele misdrijf van overspel en doodslag geraakte.
    De schrijver heeft dit werkje opgedragen aan Graaf WILLEM LODEWIJK VAN NASSAU, Stadhouder van Friesland, Groningen en Ommelanden, aan de Heeren KEIMPO VAN DONIA, RIENK VAN BURMANIA, RITSKE VAN RINIA, ERNST VAN AYLVA, BOCKO VAN FEITSMA, FEIKE VAN HERBRANDA, TJEERD VAN AYLVA, FEYE VAN HEEMSTRA, PIETER VAN EYSINGA, TJALLING BANGMA en JOUKE JOCHUMS, alle Grietmannen in Oostergo, aan de Heeren TJERK. VAN HEREMA, (p. 217) HESSBL VAN VERVOU, DUCO VAN BOTNIA, SYBRAND VAN OSINGA, BOCKE VAN BURMANIA, DOMINICUS VAN HOTTINGA, HOBBO VAN AYLVA, DOMINICUS VAN EPEMA en JELGER VAN FEITSMA, alle Grietmannen in Westergo, benevens aan de Burgemeesters en Vroedschappen der steden Leeuwarden, Bolsward en Sneek.
    Deze opdragt, die den titel van praefatio voert, en dus tegelijk voorrede is, ontvouwt in het breede des schrijvers bedoeling met het onderhavige werkje, en wordt besloten met eene eerbiedige toespraak aan de opgenoemde Heeren, waarin veel tot lof van dit gewest en deszelfs Bestuurders gezegd wordt.

Het volgende zij daaruit hier ter plaatse medegedeeld:

«Er zijn onder U, Heeren Grietmannen! mannen die om hunnen ouderdom eerwaardig zijn, die, bij de zware beroeringen dezer eeuw. zich onverschrokkene voorstanders en verdedigers van de vrijheid des lands, en van de Hervormde godsdienst betoond hebben, en zich beroemd hebben gemaakt, door hunne diensten aan kerk en staat bewezen; mannen van luisterrijke afkomst, en met de aanzienlijkste ambten en waardigheden bekleed, geëerd wegens hunne uitgebreide geleerdheid, wijze staatkunde, ongekreukte trouw en strenge zeden. Aan verscheidenen onder U heb ik bijzondere verpligting, door hunne toegenegenheid te mijwaarts, en door de diensten en weldaden, aan mij en mijnen vader, zaliger gedachtenis, bewezen. Aan sommigen ben ik zelfs door omgang en vriendschapsbanden gehecht. Bolsward bemin ik niet alleen als de plaats waar ik opgevoed en onderweieu ben, maar ook omdat (p. 218) zij mijnen vader, door eenen vijandelijken inval uit Kollum verdreven en van zijne bezittingen berooid, menschlievend heeft opkomen , en zijn getrouw en heilig dienstwerk, in bet verzaamelen en hoeden van CHRISTUS kudde, te midden van de moeijelijkste tijdsomstandigheden, in dankbaar aandenken houdt: en omdat zij de asch van mijne grootmoeder en van mijnen broeder, tot den dag der zalige opstanding, bewaart. Sneek heeft den eersten arbeid van mijne herderlijke bediening met zoo veel gunst en toegenegenheid vergolden, dat ik mij van ondankbaarheid zoude moeten beschuldigen, zoo ik haar immer vergat, Leeuwarden, strekt mij reeds twaalf jaren tot een genoegelijk verblijf, door de toegenegenheid van hare bloeijende gemeente, door de welwillendheid en omgang der aanzienlijkste mannen, door eensgezindheid mijner eerwaarde ambtgenooten, en door de aangenaame ligging der stad.»

En verder, na zijne begunstigers te hebben aangespoord, om het hun door God toevertrouwde pand, de vrijheid van godsdienst en vaderland, heilig te bewaren, gaat hij aldus voort:

«Bedenkt, dat dit West-Friesland. hoewel nu eene kleine landstreek, met zulk eenen overvloed van ligchaamlijke en geestelijke zegeningen, gedurende vele jaren, sedert de herstelling van de vrijheid, begiftigd, dat het in tweeledige betrekking een dal van vettigheid kan genoemd worden. Hetzelve bevat elf steden, die meestal welbevolkt, welbebouwd en welgegoed zijn; en niet minder dan drie honderd en veertig dorpen, alle bloeijende door talrijkheid van bevolking, door (p. 219) vruchtbaarheid van akkers en weligheid van weilanden. De geheele landstreek is overvloeijende van melk, en heeft van allerlei voortbrengselen, die tot levens onderhoud dienstig zijn, niet alleen voor zich zelven genoeg, maar kan zelfs daarvan aan naburen en vreemden mededeelen, waartoe vooral hare ligging aan zee en hare gelegenheid tot (binnenlandsche) scheepvaart haar zeer te stade komen. In dit gewest zijn twee Provinciale Hoven, welke gevestigd zijn in het beroemde, aangename en schoone Leeuwarden (alwaar ook de jaarlijksche vergaderingen der Provinciale Staten worden gehouden), het eene, het Collegie van Gedeputeerden, belast met het burgerlijk bestuur, het andere, het Hof van Friesland, gewijd aan de bediening van het regt; beide, als de steunsels van den staat en de banden van goede orde, bezet met mannen, die evenzeer uitmunten door vroomheid, trouw, geleerdheid, wijsheid en ervaring, als door aanzien, rang en waardigheid. Behalve de achtbare Regeringen der elf steden, zijn er nog dertig Grietenij-Besturen, waarvan elf in Oostergo, negen in Westergo, en tien in Zevenwolden, zamengesteld uit eene aanzienlijke reeks van Edelen en Eigen-erfden. In steden en dorpen zijn talrijke en bloeijende gemeenten van Christenen, naar de regtzinnige leer der Hervormde kerk. De zes classicale vergaderingen van de dienaren des evangelies tellen nagenoeg honderd en tachtig Predikanten, onder welke velen uitmunten door geleerdheid, vroomheid, ijver en geestelijke gaven, zoodat de heilrijke evangelie-prediking, tot voedsel der zielen en tot echte (p. 220) bevordering van duurzaam geluk, in ons Friesland meer dan overvloedig is. Hierbij moet nog gevoegd worden het grootste sieraad van dit gewest, de hoogeschool, gevestigd in het nette Franeker, die door de mildheid der Edel Achtbare Staten, door de bestendige zorg der Curatoren, KEIMPO VAN DONIA, JELGER VAN FEITSMA, MARCUS LYCKLAMA en GILLIS HILLAMA, en door den arbeid der beroemdste Hoogleeraaren. sedert geruimen tijd bloeit en alom vermaard is. Zoo veel goeds bevat dit klein gewest, dat slechts acht mijlen in de lengte zich uitstrekt, zoo dat ik niet ligt geloof, dat ewnig ander gewest, in even enge grensen besloten, met ons Friesland kan worden vergeleken.»

Als eene proeve van den Latijnschen stijl, waarin BOGERMAN zich uitdrukte, diene het volgende (blz. 254): Quales servos et aulicos in Regum aulis versari supra vidimus: quibus scilicet id solum negotii et voti est, ut Regum votis et studiis, sive bonis, sive malis, se totos applicent, illisque in omnibus gratificentur. Si Rex ait, ajunt; si negat, negant: ante omnia certum est, nihil velle, invenire, fingere, facere, quod Regi non perplaceat; nec quicquam displicet, dum Regi placeat. Si Deum ille colit et vult pietatem, velle se et isti fingunt; si satanae Regi lubitum est servire, ut satanas se praestant ilico, et cum Domino nequitia certant profligatissimi.

Van dit zeldzaam voorkomend boekje, is door den Hoogleeraar Mr. H.W. TYDEMAN een exemplaar ten geschenke gezonden aan het Provinciaal Friesch Genootschap ter beoefening der Friesche Geschied-, Oudheid- en Taalkunde.