Goffe Jensma

Ongetwijfeld dankzij de reclame-activiteiten van een multinationale sigarettenproducent is Pieter Stuyvesant de Fries met de grootste internationale naamsbekendheid. Maar: what's in a name? Niet iedereen die achteloos een zoveelste filtersigaret opsteekt zal weten naar wie zijn rokertje is genoemd, laat staan dat hij weet heeft van de wondere wereld achter de rookwolken, het domineesland waaruit deze Stuyvesant afkomstig was en waarin hij zijn jeugd doorbracht.
Over dit laatste bestaat ook bij historici nogal wat onzekerheid. Slaat men er een biografie of een biografisch woordenboek op na, dan valt op hoe de vroege jeugd van Pieter Stuyvesant wordt samengevat in een aaneenschakeling van zinnen in de vragende vorm.2 Dat betreft bijvoorbeeld zijn geboortejaar en -plaats. Het ene artikel stelt: geboren in 1592, het andere in 1612. Voor tussenliggende alternatieven kan men te kust en te keur gaan. In bijlage 1 wordt op grond van enig nieuw materiaal beargumenteerd dat het juiste geboortejaar waarschijnlijk 1612 was en dat derhalve Stuyvesants geboorteplaats Peperga moet zijn geweest.
Voor het overige is het de jonge Stuyvesant vergaan als zoveel historische figuren. Het beeld dat van hem gecreëerd is, berust niet zozeer op die enkele biografische feiten die van hem bekend zijn, maar op de samenhang die men achter die feiten vermoedt. Zo kon de jonge Stuyvesant uitgroeien tot de domineeszoon, die, avontuurlijk als hij was, niet voor de studie in de wieg was gelegd. Als student zou hij zich zo hebben misdragen dat hij tot schande van zijn vader naar zee moest vluchten.

De eerste vraag moet zijn, waarom wij zulke beelden creëren. Waarom richten wij in geboorteplaatsen gedenkzuilen op? Waarom staat deze Pieter Stuyvesant zozeer in de belangstelling? Waarom kan zo'n sigarettenfabrikant zo goed met hem uit de voeten? Het antwoord lijkt mij, dat er in zijn levensgeschiedenis een aantal omstandigheden samenvallen. Allereerst leefde hij in de tijd die we normaal 'onze' gouden eeuw noemen. En dat is een periode die niet alleen in Nederland, maar ook in het buitenland nog steeds grote belangstelling en waardering geniet. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden, waarvan Friesland er één was, beleefde in de eerste helft van de zeventiende eeuw een periode van ongekende bloei op velerlei terrein. In Europa gold de Republiek als modelstaat zonder weerga. Tegenwoordig herkennen wij deze gouden eeuw het gemakkelijkst aan de toen geproduceerde kunstwerken. Tegelijkertijd weten we dat 'de cultuur' zo kon bloeien omdat de Nederlanden economisch gesproken een fase van expansie doormaakten. De koop- en zeelieden zwermden vanuit de Republiek uit over de wereld. Een wereld die tot dan toe grotendeels onbekend was geweest en die nu werd ontdekt, veroverd, beschreven en bestuurd. Pieter Stuyvesant was één van deze zeelieden/bestuurders.
Sindsdien zijn macht en invloed van wat nu Nederland heet danig getaand. Het oude Europa en daarmee ook Nederland zijn ingehaald door het nieuwe (p. 22) Amerika. Het is daarom beslist niet toevallig dat een volgende omstandigheid die tot Stuyvesants roem bijdroeg (en bijdraagt) 'Amerikaans' van aard is. Als een van de eerste gouverneur-generaals bestuurde Stuyvesant namelijk het tegenwoordige New York. In Amerika kent men hem vooral omdat hij van Nieuw Amsterdam, zoals deze Nederlandse kolonie toen heette, een stad wist te maken. In 1653 kreeg de stad als eerste nederzetting in het gebied van de tegenwoordige Verenigde Staten stadsrechten. Stuyvesant zette zich in voor het welzijn van deze stad. Aan de brandweer die Stuyvesant instelde is destijds een postzegel gewijd, maar belangrijker was dat hij aan de andere kant van de oceaan bijvoorbeeld onderwijs en armenzorg op poten zette. Nadat de koning van Engeland de Hollandse kolonie, bij wijze van zelf te veroveren kadootje, aan de Engelse hertog van York (vandaar de naam New York) had gegeven, moest Stuyvesant in 1664 de stad overgeven aan de Engelsen. Niet voor niets noemde men hem 'stubborn Peter', want na een kort verblijf in wat hij zelf misschien niet eens meer als zijn vaderland zag, verkoos hij daarna een bestaan op zijn 'bowery' (bouwerij) in het door de Engelsen overheerste New York boven de terugkeer naar 'thuis'.
Het lijdt weinig twijfel, dat zijn tegenwoordige roem op 'Amerikaanse' herkenning steunt. Veel van de biografische literatuur over Stuyvesant verscheen juist in de jaren waarin Amerika zijn tegenwoordige plaats in de wereld begon op te eisen.3 De 'Amerikaan' kon (en kan, voor zover hij er nog in is geïnteresseerd) in Stuyvesant een evenbeeld zien: de man die risico's durfde te nemen, die trouw was aan zijn calvinistische principes en aan zijn opdrachtgevers, die getuige zijn beenamputatie (in 1644) pijn kon lijden en die ondanks of juist door zijn handicap toch uitgroeide tot een groot leider. Een persoonlijkheid die zelfs na zijn nederlaag zijn principes trouw bleef. Zo werd Stuyvesant deel van de Amerikaanse mythe.
Maar dan gaat het over de volwassen Stuyvesant. De bestuurder wiens sporen uit duizenden herkenbaar zijn, omdat ze bestonden uit de afdruk van één gezonde voet en van een houten poot. Hier zal het gaan over de domineeszoon die met twee gezonde benen sporen maakte als ieder ander. En dan kan de vraag, waarom er van deze jongen ook in Nederland beelden worden gemaakt, maar op één manier worden beantwoord. Omdat Amerikanen geneigd zijn dat spoor terug te volgen. Omdat er voor Nederlandse bestuurders bepaalde voorrechten en misschien zelfs voordelen van afhangen of Stuyvesant in hun gemeente of provincie is geboren.

Er bestaat over de jeugd van Stuyvesant een artikel van S.J. Fockema Andreae, voormalig rijksarchivaris van Friesland. Het werd in 1964 gepubliceerd in een Amerikaans historisch tijdschrift. Toen hij zichzelf de vraag stelde naar de motieven van de jonge Stuyvesant om het ruime sop te kiezen, schreef hij over de toenmalige Friese maatschappij:

'The community that Peter left was rigidly formal (...) If one's condition happened to be that of a minister's son, one was destined to become a minister oneself. This meant a lifetime in Friesland's province, a lifetime in small circles, with total dependence on the village voters and the favor of the church rulers. On the spiritual level life would be equally constricting. A minister was required to place his signature not only under the Dutch articles of faith and the Heidelberg catechism, but also under the articles drawn up against the Remonstrants in 1619.'4

Daarmee sloeg hij misschien een feitelijke spijker op zijn kop, maar leidde hij (p. 23) zijn lezers ook op een dwaalspoor. Op zichzelf gaat het hier namelijk niet om onjuiste observaties. Maar let op de kracht van de opeenvolgende formuleringen: 'formele samenleving', 'domineeszoon moet dominee worden', 'kleine kringetjes', 'totale afhankelijkheid', 'verstikkend geestelijk milieu'. De slotsom is al ver van te voren duidelijk: Stuyvesant was te groot voor die enghartigheid en vluchtte naar de vrijheid:

'The narrow confines of his native province could not have offered room to a man who had so totally outgrown the mentality and limitations of his ancestry'.5

Hij werd, aldus Fockema Andreae, gedreven door het verlangen 'for the freest possible existence on self-conquered soil'.
De vraag waarom men beelden van Stuyvesant creëert kan nu plaatsmaken voor de vraag hoe men dat doet. Fockema Andreae's artikel is er een prachtig voorbeeld van hoe een cultuur zich rekenschap geeft van haar verleden door dit te beschouwen als het tegendeel van haar wensdromen. Wensdromen: 'informele samenleving', 'vrije beroepskeuze', 'groots en meeslepend leven', 'persoonlijke onafhankelijkheid', 'geestelijke uitdaging'. Wat anders wordt er in deze oppositionele termen geschilderd dan 'it lân fan dream en winsken', Amerika? Wat doet Fockema Andreae anders dan achter de biografische feiten van Stuyvesants leven een moderne, door de Verlichting aangeraakte ervaring plaatsen, een verlangen naar individuele vrijheid? En wat is de strekking van zijn artikel dus anders dan een tegemoetkomen aan en voeden van de Amerikaanse mythe? Zo worden Stuyvesants drijfveren 'gesublimeerd', want deze bijna abstracte vrijheidsdrang was in Stuyvesants tijd niet denkbaar of uitspreekbaar. Ze was eigen aan Fockema Andreae's wereld.

Ik wil in dit artikel, voorzien van enig nieuw bronnenmateriaal, opnieuw bekijken waarom Pieter Stuyvesant zijn vaderland verliet en 'koos' voor een loopbaan bij de West-Indische Compagnie. Tegenover de door Fockema Andreae geopperde vrijheidsdrang als reismotief zet ik gefrustreerde eerzucht. De reden van Stuyvesants vertrek, zo zal ik proberen aannemelijk te maken, was allereerst het vastlopen van zijn vaders carrière. Daardoor werden ook de kansen van de zoon om aan vaste wal tot een goede positie te geraken verkleind.
Om Stuyvesants motief te kunnen begrijpen moeten we ons dus uitgebreid verdiepen in zijn familieachtergrond en met name in het leven van het familielid dat op hem de meeste invloed had, zijn vader. Over deze valt meer te zeggen dan tot nu toe werd gedaan. Waarschijnlijk werd Balthasar Joannis (Stuyvesant) zo rond 1587 als zoon van een herbergier Joannis Balthasari in Dokkum geboren.6 Dat geboortejaar kan worden afgeleid uit een inschrijving aan de Franeker universiteit in 1605 ;7 1605 min 18 (de gemiddelde leeftijd van de aankomende student) is 1587. De jonge Balthasar gaf in het inschrijvingsalbum te kennen dat hij theologie wilde gaan studeren.
Het geval Balthasar Joannis is er een prachtige illustratie van, dat de tijd rond 1600 gekenmerkt werd door een verhoogde sociale mobiliteit en dat daarbinnen vervolgens juist het predikantschap gold als een uitgelezen middel om hogerop te komen. Dit was een gevolg van de gebeurtenissen in 1580. Toen koos Friesland de kant van de Opstand tegen Spanje en toen werd ook de overstap gemaakt van katholicisme naar protestantisme. Stap voor stap, maar met veel elan, werd daarna begonnen met de inrichting van wat men beter een min of meer autonoom en souverein staatje kan noemen dan een Nederlandse provincie. (p. 24)
In sociaal opzicht ontstond in dit proces van opbouw en vernieuwing ruimte voor nieuwkomers. In hoeverre er in de loop van de tijd ook praktisch de hand aan kon worden gehouden, wordt niet altijd even duidelijk,8 maar het staat wel vast dat aan deze nieuwkomers eisen werden gesteld van 'ideologische' aard. Zo werden - althans in de theorie van wetten, plakkaten en ordonnantiën - sommige ambtenaren (schoolmeesters en professoren) verplicht om de Heidelbergse catechismus te onderschrijven en werden mensen van andere denominaties dan de gereformeerde uitgesloten van ambten. Het was aanvankelijk dus wel degelijk de bedoeling dat sociale én ideologische vernieuwing hand in hand zouden gaan. Men mag om deze reden stellen, dat sommigen uit de leidende kringen de protestantse leer als een belangrijk instrument zagen voor de beheersing van de sociale mobiliteit. Predikanten zouden - als een soort van 'partij-ideologen' - in dat proces een belangrijke rol moeten spelen.
Eén van de 'staatsinstellingen' die werden ingericht, was in 1585 de universiteit van Friesland te Franeker. Het belangrijkste motief tot oprichting was het grote gebrek aan protestantse predikanten.9 En omdat de Friese bestuurders meenden, dat men er met de opening van zo'n universiteit alleen niet was, werd er bovendien jaarlijks een aanzienlijk aantal beurzen aan veelbelovende scholieren uitgereikt. Men noemt deze instelling het alumniaat ('alumnus' betekent voedsterling). Zo was voor jongeren van wat lagere komaf juist een studie in de theologie in de toenmalige maatschappij één van de manieren om zich te verzekeren van toekomstig maatschappelijk aanzien.10 Balthasar Joannis was één van de gelukkigen die op kosten van de Staten van Friesland mocht gaan studeren voor predikant. Daarvan getuigt een borgstelling uit 1602. Een zekere Willem Laurenss, burger te Leeuwarden, stelde zich garant, dat Balthasar zich zou houden aan de voorwaarden die aan zo'n beurs waren verbonden, namelijk dat hij niet iets anders dan theologie zou gaan studeren en dat hij na afloop van zijn studie het gewest Friesland zou dienen als predikant.11
De herbergierszoon werd dus predikant en dat was op zichzelf al een flinke stap vooruit op de maatschappelijke ladder.12 Zeker in de tijd rond 1600 toen het calvinisme nog het elan van het nieuwe had, hadden predikanten over het algemeen een behoorlijke status. Maar ook binnen het beroep van predikant kon men zichzelf verbeteren. Binnen de Friese gereformeerde kerk stond niet iedere predikant even hoog in aanzien. Welke criteria precies werden aangelegd is niet geheel duidelijk. Wel staat vast dat de standplaats van een predikant een van de belangrijkste maatstaven was. Vanzelfsprekend was dit zo vanwege de verschillende rijkdom van de kerkelijke gemeenten, maar ook zullen veel minder tastbare grootheden als 'status' en 'invloed' een rol hebben gespeeld. Wie de beschrijvingen van predikantenloopbanen in de lijsten van Romein13 en vooral in die van Kalma14 doorloopt, valt het op dat vele predikanten in een klein kerkdorp begonnen om - indien het meezat - via een groter en rijker dorp te eindigen in een stad.15 Volgens deze normen was een predikantschap in de hofstad Leeuwarden de hoogste positie die een theoloog (althans als predikant) in Friesland kon bereiken. Bepaalde predikanten (bijvoorbeeld de stadspredikanten in Sneek en in Bolsward) waren als halve of hele geleerden smaakmakers bij de opiniebepaling in de Gereformeerde kerken16 en van een man als Johannes Bogerman (predikant in Leeuwarden) is bekend, dat hij in voorkomende gevallen zelfs direkte invloed kon uitoefenen op de Friese stadhouder.17
Uit de spaarzame stukken wordt goed duidelijk, dat Balthasar Joannis Stuyvesant een eerzuchtig man was, die binnen deze kerkelijke circuits carrière probeerde te maken. Daarin slaagde hij echter maar tot op zekere hoogte. (p. 25) Achtereenvolgens was hij predikant in Peperga, Scherpenzeel en Berlikum. Hij was dus dorpspredikant en bleef dat. Van de drie dorpen waar hij stond genoot Peperga zonder twijfel het minste en Berlikum het meeste aanzien. Maar dit succes was tijdelijk, Stuyvesants loopbaan als predikant liep vast. In plaats van vanuit Berlikum de sprong naar een stad te maken, werd hij in 1633 door Gedeputeerde Staten benoemd tot predikant van het Friese garnizoen soldaten te Delfzijl. Daarin kan men bijna niet anders dan een degradatie zien.
Deze mislukte loopbaan wordt mogelijk begrijpelijk als we haar plaatsen tegen de achtergrond van de veranderende verhouding tussen kerk en overheid in de eerste decennia van de zeventiende eeuw. Mogelijk speelde daarbij mee dat Stuyvesants grote eerzucht zijn oorspronkelijk goede contacten met zijn beschermheren aantastte.
Ook al kan het netwerk van deze patronen niet volledig worden gereconstrueerd, er zijn voldoende aanwijzingen, dat Balthasar Stuyvesant dergelijke relaties onderhield. Dat was trouwens niets bijzonders. Patroon-cliënt relaties hoorden tot de meest voorkomende bindingen tussen mensen in de toenmalige maatschappij.18 Bij Balthasar Stuyvesant komen we ze voor het eerst tegen tijdens zijn studie. Waarschijnlijk kwam hij in 1604 van de Latijnse school in Dokkum en was zijn kennis van de klassieke talen al zodanig dat hij meteen begon te studeren in de hogere faculteit van de theologie.19 Het volgende jaar pas liet hij zich - zulks was niet ongebruikelijk - officieel immatriculeren, namelijk op 22 mei 1605. Misschien was dat omdat hij toen officieel wilde disputeren. In de academische gehoorzaal sprak hij over 'het wezen van God'.20 Hij droeg dit kleine drukwerkje op aan een aantal Dokkumer heren die of zijn patronen waren of van wie hij hoopte dat ze het zouden willen worden. 'Mijn beschermers en weldoeners, die door mij vooral moeten worden geëerd en hooggeacht', noemde hij ze.21
Het komt zelden voor dat men voor een historische figuur dit soort contacten over langere tijd kan volgen. Dat kunnen we ook niet in het geval van Balthasar Joannis. Wel kunnen we vaststellen dat hij hier een beroep deed op leden van de Dokkumer en Dongeradeelse elite van wie sommigen - overigens niet als big shots - banden hadden met de provinciale politieke elite. Wat we zeker weten is dat het stadsbestuur van Dokkum deze opdracht in april 1606 beloonde met een som van 7-10-00 cg. Een beloning, want '.. .voor een vereeringe van de dedicatie zijner thesen aan den magistraat gedaan'.22 Uit de lofdichten bij deze en andere disputaties blijkt, dat Balthasar in Franeker in hetzelfde huis woonde als de zoon van één van de door hem vereerde Dokkumer heren - namelijk Frans Fokkes van Unia. Bovendien studeerde hij samen met onder andere een domineeszoon uit Ee, Hendricus Avercampius, en met de Holwerder Regnerus Barel(t)s.23 Hij was dus behoorlijk ingevoerd in wat hogere Dokkumer/ Dongeradeelse kringen.
Stuyvesants eerzucht blijkt ook uit het huwelijk dat hij in 1607 sloot met Margaretha Hardenstein, weduwe van een zekere Petrus Monches (ook wel Monchovius genaamd), laatstelijk predikant te Parrega. Van deze Margaretha weten we allereerst dat zij omstreeks 1575 werd geboren; toen ze in 1625 stierf werd namelijk genoteerd dat ze 50 jaar oud was.24 Dit houdt in, dat ze waarschijnlijk wel zo'n tien jaar ouder was dan Balthasar; een opmerkelijk leeftijdsverschil. De meest voor de hand liggende reden voor deze opvallende partnerkeuze ligt in Margaretha's afkomst. Zij stamde namelijk uit een Zwolse familie die juist in de tijd rond 1600 aanzien en welvaart verwierf.25 Misschien heeft Balthasar contact gelegd met Margaretha via een familielid, te weten (p. 26) Pelegromius Hardenstein, die in dezelfde tijd als hij in Franeker studeerde.26 Het door deze latere schepen van Zwolle gevoerde wapen is identiek aan dat van Margaretha.27 Hoe dit ook zij, voor Balthasar was dit huwelijk een buitenkansje; hij werd er beter van.
Het is niet bekend, hoe Stuyvesant in zijn eerste gemeente Peperga en Blesdijke terecht is gekomen. Wellicht is hij, direkt na zijn huwelijk, dus in 1607 of 1608, in dit sterk op Drente georiënteerde dorp beroepen. Zeker is dat hij er eind september 1609 was.28 Kerkelijk gezien hoorden de Stellingwerven in de eerste tijd na de opstand tot de classis Sneek. Doordat de streek tot aan de val van Steenwijk (in 1592) werd geteisterd door plunderende Spaanse soldaten werd pas later een aparte classis Zevenwouden opgericht (in 1595). Hetzelfde gold ook voor de kerkelijke gemeente Peperga en Blesdijke, die aanvankelijk (misschien tot 1602) werd bediend vanuit het naburige Noordwolde. De Stellingwerven vormden in kerkelijk opzicht dus anno 1600 nog een soort van 'zendingsgebied' met vele 'verenigde' gemeenten.
In Peperga stapte Stuyvesant (voorzover bekend) voor de eerste maal, in juni 1612, naar de rechter. De achtergrond van zijn geschil met een zekere Jan Hermens is maar moeilijk te vatten, maar misschien meende Stuyvesant dat hij in deze jonge gemeente orde op zaken moest stellen. Duidelijk is in elk geval dat het ging om de wijze waarop de kerk (en in dit geval Balthasar Joannis) haar bezittingen in de vorm van bepaalde landerijen beheerde.29 Een belangrijke, door latere gebeurtenissen nog bevestigde vaststelling is, dat vader Stuyvesant er een gewoonte van maakte om tot voor het gerecht voet bij stuk te houden. Aan zo'n rechtzaak zullen steeds onaangename strubbelingen vooraf zijn gegaan.
Tussen juni 1612 en februari 1619 verhuisde het gezin Stuyvesant van Peperga naar het nabijgelegen Scherpenzeel. Daar heeft Pieter een deel van zijn jeugd doorgebracht. En daar trad Balthasar opnieuw op de voorgrond, zij het op weifelachtige en discutabele wijze. In maart van dat jaar was hij namelijk als 'predikant te Scherpenziel cum annexis', betrokken bij een actie om de grietenijsecretaris Matthias Franckena tot grietman van West-Stellingwerf benoemd te krijgen. Er was hier sprake van een ingewikkeld en voor ons moeilijk te doorzien patronagespel van dienst en wederdienst. Stuyvesant, samen met vier van zijn West-Stellingwerver collega's en 80 ouderlingen, diakenen en lidmaten wenste Franckena te steunen, zo schreven zij op 19 maart 1619 aan Gedeputeerde Staten en de stadhouder, omdat zij 'opnieuw' een overheid zouden willen hebben 'waardoor de Heilige dienst Godts ... conserveert mochte sijn, ende ooc sonder tumult, lasteringe ofte scheldinge met de meeste vrede van de gemene ingesetenen soo kercks als anders-gesinde bliven.' Het merkwaardige is echter dat Stuyvesant nog geen maand eerder en op verzoek van dezelfde Franckena mensen had bewerkt om juist te stemmen op Franckena's tegenkandidaat, Homme van Idzaerda, zoon van de kort daarvoor overleden grietman Meynardt van Idzaerda. Stuyvesant wedde hier dus heel opzichtig op het verkeerde paard. Mogelijk heeft Van Idzaerda hem dit niet in dank afgnomen.30
Hoe dat ook zij, Stuyvesant vestigde zich in juli 1622 met vrouw en kinderen in een andere grietenij, te weten in Berlikum in Menaldumadeel. Hij had er, tegen de kerkelijke regels in, drie of vier keer op proef gepreekt en dat toont aan dat hij graag uit Scherpenzeel weg wilde. Op zichzelf was dit ook een stap vooruit. Berlikum was in die tijd een niet onaanzienlijk dorp, dat bovendien op de rijke klei en dichtbij de universiteitsstad Franeker en de hofstad Leeuwarden was gelegen. Maar hier zou de carrière van Balthasar Stuyvvesant (p. 27) vastlopen. Toen hij er kwam was hij eind dertig en kon hij nog verwachtingen koesteren. Toen hij twaalf jaar later, in 1634, vertrok zal hij de nodige illusies armer zijn geweest. De periode Berlikum begon al met strubbelingen. Het bleek namelijk dat de classis Leeuwarden zich, op grond van procedurefouten waaronder het bovengenoemde onrechtmatige proefpreken, tegen de benoeming verzette en in dat verzet steun zocht bij de Staten op de landdag. Dankzij de steun van Gedeputeerde Staten kreeg de Berlikumer gemeente, die zijn zinnen op Stuyvesant had gezet, echter toch zijn zin. Dit zou kunnen duiden op protectie voor Stuyvesant vanuit het college van Gedeputeerde Staten.31 In Berlikum stierf, in 1625, Balthasars vrouw Margaretha Hardenstein. Twee jaar later, in 1627, trouwde Balthasar voor de tweede maal, nu met Styntje Pieters, een weduwe afkomstig uit Haarlem. Naar alle waarschijnlijkheid had Balthasar familie in Haarlem en was hij via hen met deze weduwe in contact gekomen (zie bijlage 2). Het echtpaar kreeg vier kinderen.
Net als indertijd in Peperga probeerde Balthasar in Berlikum orde op zaken te stellen. Vanaf 1629 tot aan het jaar van zijn vertrek 1634 raakte hij verwikkeld in een reeks van civiele rechtzaken.32 De meeste zaken gingen ook hier over de opbrengsten van de kerkelijke goederen. Een enkele zaak kwam in hoger beroep voor het Hof van Friesland. Wat opvalt is dat Stuyvesant voor het lagere nedergerecht van Menaldumadeel de meeste zaken verloor, terwijl het Hof hem doorgaans in het gelijk stelde. Mogelijk had hij zich de voorzitter van dit nedergerecht, de grietman Tjaard (of Tjeerd, of Sierck) van Heerma, tot vijand gemaakt. In 1632 spande deze grietman namelijk voor zijn eigen gerecht een zaak tegen Stuyvesant aan. Het is één van die voor ons even onbegrijpelijke als voor de zeventiende en achttiende eeuw zo typerende erezaken.33 Op 17 mei 1632, zo stelde Tjeerd van Heerma, had Balthasar Stuijffsandt namelijk in de middagkerkdienst vanaf de kansel openlijk en met luide stem, en voor een groot gehoor zowel van inwoners als van vreemden verkondigd dat:

'de impetrant [de aanklager - G. J.] op pinxterdage sich seer schandelijck hadde verlopen in dronckenschap ende soo vol gesopen dat hij op den stoel hadde moeten sitten slapen (en oock der vroulieden aldaer genood sijn soo sere geparset datt sij onbehorlick over strate mosten t huis gaen...)'.34

Het spande er hier werkelijk om, want Stuyvesant zette Heerma zo te kijk juist in de dienst waarin de laatstgenoemde zijn zoontje ten doop hield en de doop was al vanouds bij uitstek een ritueel om de status en voornaamheid van de familie van de dopeling te bevestigen.35 Stuyvesant tastte dus de familie-eer aan. Hij ontkende dat ook niet, maar verweerde zich wel. Hij was naar zijn zeggen geenszins van plan geweest om de impetrant opzettelijk te beledigen. Door zijn ambt en geweten genoodzaakt, had hij met zijn uitspraken vanaf de kansel geen andere bedoeling gehad dan de beterschap van de impetrant 'ende stichtinge van d genieuze verstanden'. Hij was dan ook niet van plan voor een wereldlijk gerecht in te gaan op de aanklacht, maar wilde de grietman nog wel eens voor de classis over het voorgevallene aanspreken. Immers de grietman was het hoofd van dit wereldlijk gerecht en kon 'daeromme alles staijven ende dirigeren nae sijn weel gevallen'. De zaak liep uiteindelijk voor Stuyvesant af met de sisser van een fikse boete van honderd gulden en de betaling van de proceskosten.
Een van de historische achtergronden van deze zaak was mogelijk het langzame uiteendrijven van kerk en staat, of zoals men het in die tijd zei: van de ware religie (orthodox calvinisme) en machiavellistische regentenkuiperij. (p. 28) Vanaf het begin van het twaalfjarig bestand dat in 1621 eindigde, bleek een goed calvinistische inslag niet langer een onverdeeld positieve eigenschap voor carrièremakers in spe.
Hiermee samenhangend veranderde de maatschappelijke positie en de status van predikanten. Er ontstond onderscheid tussen de gegoede stads- en de arme plattelandspredikant. Een eerste teken aan de wand was wat dit betreft de 'verwording' van het alumniaat. Een tekort aan geschoolde predikanten was indertijd de reden voor de inrichting van deze instelling geweest. Gaandeweg (naar schatting kort na 1610) verkeerde dit tekort in een overschot.36 Waarschijnlijk waren enerzijds dalende salarissen het gevolg.37 Aan de andere kant werden vanaf dat moment contacten (in de vorm van patroons en dergelijke) en familierelaties veel belangrijker. Dezen moesten worden ingezet om de behaalde maatschappelijke positie te continueren en (in intergenerationeel perspectief) te verbeteren. Op grond van de bovengenoemde lijsten met predikantenloopbanen (zie noten 13 en 14) zou men kunnen veronderstellen, dat in deze tijd ook de predikantendynastieën hun oorsprong hebben.38 Het zou zinvol zijn om deze veronderstelling te staven en uit te zoeken of de oligarchisering ook niet in de kerk en dus ook in (stedelijke) predikantenmilieu's een pendant had en of ze niet juist in de jaren na het Twaalfjarig Bestand een aanvang nam.39
Zo Stuyvesant senior zichzelf ooit had gezien als founding father van zo'n predikantendynastie, dan had hij zich vergist. Hij was een man die ongetwijfeld graag flirtte met de macht. Maar zoals we weten was in de tijd van het Ancien Régime dit lonken gebonden aan de strakke regels van dienst en wederdienst. Misschien heeft Stuyvesant, net als in Scherpenzeel, in Berlikum op het verkeerde paard gewed, misschien ook heeft hij het evenwicht tussen wat wenselijk en wat bereikbaar was uit het oog verloren. In een tijd van beginnende oligarchisering, een tijd waarin milieu en familie steeds belangrijker werden, verspeelde hij zo waarschijnlijk niet alleen zijn eigen kansen, maar ook die van zijn zoon.

Pieter Stuyvesant was eind 1629 of begin 1630 door Balthasar naar de universiteit in Franeker gezonden. Hij was toen ongeveer 18 jaar oud en had - waarschijnlijk te Leeuwarden40 - de Latijnse school doorlopen. Anders dan zijn vader, die zich 25 jaar eerder als student theologie had ingeschreven, liet hij zich in januari 1630 immatriculeren als student in de talen en filosofie.41 Dat hij echter van plan was om net als zijn vader predikant te worden, bewijst een lijst van zijn boeken die werd opgemaakt waarschijnlijk nadat hij uit Franeker was vertrokken. Het gaat hier om een voor een student meer dan gemiddeld boekenbezit en als we de 56 titels bij langs lopen dan wordt duidelijk dat Pieter zich door een studie in de artesfaculteit voorbereidde op de theologie. Er worden voornamelijk 'literaire' en theologische werken genoemd.42
Deze lijst roept ook nieuwe vragen op omtrent Pieters vertrek naar zee. Ten eerste: werden deze boeken verkocht na dat vertrek? Dat Balthasar Stuyvesant de verkoop regelde, terwijl er ook van door Pieter gemaakte schulden sprake was, pleit voor een bevestigend antwoord.43 Bovendien was er sprake van schulden - mogelijk kost- en collegegeld - aan mensen uit het Franeker universitaire milieu. Het geheel geeft zo de indruk van een algehele afrekening.44 Zou de veiling inderdaad in het teken van Pieters vertrek hebben gestaan, dan leidt dit meteen tot de vraag wanneer ze precies werd gehouden. Evenmin als over Pieters geboortejaar bestaat er immers ook geen overeenstemming over het jaar van zijn vertrek. Kemperink stelt het op 1632/1633.45 Jammer genoeg valt (p. 29) ook deze vraag niet met zekerheid te beantwoorden. Het lijkt onwaarschijnlijk dat de veiling eerder plaatsvond dan januari 163146 en later dan november 1632.47 Zou het vermoeden juist zijn dat het hier om afhandeling van schulden van Pieter Stuyvesant gaat, dan is deze hoogstwaarschijnlijk begin 1631 vertrokken.48 Waarom vertrok Stuyvesant? Er bestaan aanwijzingen dat hij zich als student op de een of andere wijze heeft misdragen. Een eerste is een tekeningetje van put, galgen, rad en gevangenis bij zijn inschrijving in het Album van de Leeuwarder natio te Franeker. Dit zou duiden op wangedrag.49 Een tweede aanwijzing stamt uit veel later tijd (1649) en is een 'commentaar' op zijn benoeming als opvolger van de corrupte directeur-generaal van Nieuw-Nederland, Willem Kieft in 1647. In dit anonieme pamflet gaat Stuyvesant over de tong als:

'.. .een Predicants Soon uyt Vriesland, die wel eer te Franiker de Dochter van zijn eyghen Hospita bestolen hadde, ende daer over betrapt was, ende om zijne Vaders wille verschoont is, anders soude daer wel licht zijn eerste schandael hebben moeten uytstaen...'.50

Een derde aanknopingspunt biedt mogelijk een krantenartikel uit 1963, dat weliswaar anoniem en zonder bronvermelding verscheen, maar dat in de kern wel lijkt te zijn gebaseerd op archivalia. In dit artikeltje wordt gesproken van vandalisme in een Harlinger kroeg in november 1630.51 Zou in het vuur achter deze paar rookwolkjes de reden van Pieters vertrek kunnen schuilen? Die conclusie ligt voor de hand, want het verhaal is bekend: de student die niet wilde deugen, werd indertijd op 'een Oost-Indisch Schip gesmeten en weggezonden voor soldaat'.52 Toch valt er op zo'n snelle slotsom nog wel wat af te dingen; bijvoorbeeld dat iemand onschuldig is tot het tegendeel is bewezen. En dat dit laatste in dit geval geen loze bewering meer hoeft te zijn, is te danken aan de uitstekende, in 1985 verschenen inventaris van de archieven van de voormalige universiteit te Franeker. Daarin is namelijk een volledig overzicht opgenomen van alle rechtzaken die voor de academische vierschaar tegen de jeugdige student-delinquenten van weleer werden gevoerd. Zoals misschien bekend vielen de academieburgers onder een eigen rechtspraak. Slechts in het geval van zware misdaden werden de delinquenten overgedragen aan het Hof van Friesland te Leeuwarden. Nu er in deze lijst geen sprake is van zekere Pieter Stuyvesant pleit dat hem vrij, zo misschien niet van een enkel feit (er kan een stuk zijn weggeraakt), dan toch wel van de reputatie van notoire, want herhaaldelijk opgebrachte onruststoker.53
Hetzelfde verhaal - dat van de student in Oost-Indië - kent ook een meer wetenschappelijke variant: in de toenmalige samenleving met zijn geringe mate van verticale sociale mobiliteit boden, aldus Faber en ook Boxer,54 de zeevaart en de koloniale sfeer nog de meeste mogelijkheden om vooruit te komen. Voor deze, wat positiever geformuleerde versie valt in dit geval meer te zeggen. Toegepast op de Stuyvesants kan men zich voorstellen, dat er in de familie in het begin van de jaren dertig rekeningen zijn opgemaakt en toekomstperspectieven vergeleken. Mogelijk was inderdaad een vergrijp van de zoon daartoe aanleiding; maar bij dit opmaken van de balans zullen zonder enige twijfel meer zaken ter sprake zijn gekomen.
Allereerst lijkt het erop dat de loopbaan van Balthasar was vastgelopen. Niet alleen bovengenoemde rechtzaak laat zien hoe zijn positie in Berlikum onmogelijk was geworden. Ook zijn - mislukte - poging om in mei 1633 van gemeente te ruilen met de vader van zijn vroegere studiegenoot Franciscus Haverkamp te Oldeholtpade wijst in die richting.55 De uiteindelijke benoeming door (p. 30) Gedeputeerde Staten als soldatenpredikant in het fort te Delfzijl in november 1633 komt in het licht van Balthasars loopbaan dan ook niet als een verrassing. Mogelijkerwijs heeft hij zelf om deze degradatie - want iets anders dan een buitenspel zetten kan men er nauwelijks in zien56- verzocht.
Al met al was waarschijnlijk aan het begin van de jaren dertig al wel duidelijk dat Pieter als aankomend predikant van zijn vaders contacten niet erg veel hoefde te verwachten. En dat terwijl, zoals al eerder opgemerkt, de positie van de predikant in steeds sterkere mate daarvan afhankelijk werd. Zou hij doorzetten dan zou hij net als ooit zijn vader waarschijnlijk moeten beginnen als slechtverdienende plattelandspredikant. In de inventaris die na de dood van Balthasar Stuyvesant in Delfzijl werd opgemaakt, staat - behalve de grote hoeveelheid huisraad en het opmerkelijk waardevolle boekenbezit (opnieuw ook een bewijs van Balthasars ambities) - een post die zowel ontroert als een sleutel mag heten voor de keuze die vader en zoon Stuyvesant maakten. Ergens in huize Stuyvesant hingen twee taferelen: een plaat van Amsterdam en eentje van Haarlem.57 Amsterdam was de plaats van waaruit Pieter uitvoer naar de West. Haarlem zal - waarschijnlijk - voor de familie een heel speciale betekenis hebben gehad. Het is nog steeds niet geheel duidelijk hoe de familie Stuyvesant precies in elkaar heeft gestoken.58 Dat er een Haarlemmer en een Friese tak zijn geweest lijkt echter onbetwistbaar en ook dat er aan het begin van de zeventiende eeuw tussen de Friese en de Haarlemse tak contacten hebben bestaan.59 Niet alleen trouwde Balthasar Stuyvesant, en dat is geredeneerd vanuit Friese begrippen in die tijd opmerkelijk, in 1627 een Haarlemse weduwe;60 ook een zuster van Balthasar, Anneke, trouwde in 1621 te Haarlem.61 Vele van deze Stuyvesants waren schipper of anderzins zeevarend (zie bijlage 2).

Toch kan het niet meer zijn dan een gegrond vermoeden waarmee ik hier wil eindigen. Toen steeds duidelijker werd, dat een loopbaan als predikant voor Pieter op bezwaren zou stuiten, wat lag er toen meer voor de hand dan dat voor een andere voortzetting van de carrière gebruik werd gemaakt van bestaande familiecontacten, contacten die zich ook uitstrekten tot de West-Indische Compagnie? Vader en zoon Stuyvesant zouden samen tot de conclusie kunnen zijn gekomen, dat een loopbaan bij de WIC de beste mogelijkheden bood. Weliswaar was zo'n carrière, al was het alleen maar vanwege de hoge sterftecijfers aan boord van de schepen, veel riskanter dan een loopbaan aan wal;62 zeker voor iemand als Pieter die toch een meer dan gemiddelde opleiding had genoten lagen er wel degelijk kansen op succes (zie ook het artikel van Gaastra en Seybel elders in dit tijdschrift).63 Dat zijn vader waarschijnlijk bij de beslissing om uit te varen betrokken was, blijkt niet alleen uit de wijze waarop hij na Pieters vertrek diens studieschulden vereffende door middel van de verkoop van zijn boeken; het blijkt nog veel meer uit een briefje dat hij een paar jaar later vanuit Delfzijl aan de West-Indische Compagnie stuurde:

'de vaeder van Petrus Stuyffsant Commys of Supracargo op Fernando Norunho, versouckt dat syn soon vandaer geavanceert tot het ambt hy bequam gevonden mocht worden'.64

Van Pieter Stuyvesant is gezegd, dat het avontuur hem in het bloed zat, dat hij een door vrijheidsdrang gedrevene was, iemand was die niet geschikt was voor een geregeld leven op het vasteland. Er wordt dan vervolgens gesuggereerd hoe teleurgesteld vader Balthasar over zijn zoon zal zijn geweest. Zo'n (p. 31) tafereeltje van een ondankbare zoon die zijn vader verdriet doet en tot in het diepst van zijn vaderhart kwetst, mag dan wel in de negentiende eeuw passen, het congrueert veel minder met de sociale verhoudingen en mechanismen van de zeventiende eeuw. Ik hoop dat ik, door de beschikbare feiten op een rijtje te zetten en in hun historische context te plaatsen, hier aannemelijk heb gemaakt, dat het vertrek van Pieter Stuyvesant veel meer dan werd aangenomen een gevolg is geweest van 'familieomstandigheden', van berekening en van afgewogen carrièreplanning dan van opwellingen en vrijheidsdrang.

Noten

1 Dit artikel is de uitgewerkte tekst van een lezing die ik in januari 1989 te Wolvega hield. Een mens overziet niet altijd de gevolgen van zijn daden. Deze lezing bleek namelijk voor de Vereniging Plaatselijk Belang Tot Nut & Genoegen' te De Blesse/Peperga reden om de publiciteit te zoeken en om uiteindelijk in het dorp Peperga een monument voor Stuyvesant op te richten. Zo staan er in de gemeente Weststellingwerf nu maar liefst drie monumenten ter herdenking van de geboorte van Stuyvesant, een exemplaar in de hoofdplaats Wolvega, één in de 'oude' geboorteplaats Scherpenzeel en nu dan ook één in de 'nieuwe' geboorteplaats Peperga. Was dit het onverwachte resultaat van mijn lezing - ik had namelijk slechts nieuw bewijsmateriaal aangedragen voor wat al sinds 1959 met grond van redenen was beweerd (zie bijlage 1) -, ze had indertijd ook een voorgeschiedenis, namelijk een uitnodiging aan mijn adres om bij gelegenheid van een bezoek van de toenmalige burgemeester van New York Ed Koch, in 1988, enkele nieuw boven tafel gekomen gegevens over Stuyvesant tot een verhaal te verwerken. Daarmee is dan al gezegd, dat een groot deel van de gegevens waarop dit artikel is gebaseerd, niet door mij zelf is verzameld. Een welgemeend en heel hartelijk woord van dank is op zijn plaats, allereerst aan de medewerkers van het Rijksarchief te Leeuwarden en heel in het bijzonder aan de rijksarchivaris in Friesland, mr. D.P. de Vries, die mij vele feiten aanreikten. Daarnaast toonde ook de Vereniging Historie Weststellingwerf e.o. een gulle bereidwilligheid. Vooral van de voorzitster van deze vereniging, mevrouw A. van Gelder-Van den Donker ontving ik vele gegevens. Het zal duidelijk zijn dat ik, hoewel pronkend met andermans veren, de verantwoordelijkheid voor het verhaal zelf draag.
2 De belangrijkste literatuur over de jonge Pieter Stuyvesant: J.C.E. Bartelds: in P.C. Molhuysen en P. J. Blok (red.), Nieuw Nederlansch biographisch woordenboek (10 dln; Leiden 1911-1937) VII, 1191-1194; M. Eerdmans, Pieter Stuyvesant. An historical documentation (Grand Rapids 1957), met uitgebreide bibliografie; S. J. Fockema Andreae, 'Data on the Dutch Background of Peter Stuyvesant' in: De Halve Maen. Quarterly Magazine of the Dutch Colonial Period in America 39 (1964) nr. 1, 5-6; A. van Gelder-van den Donker, 'Een Stellingwerver: geboren in Peperga, getogen in Scherpenzeel... Pieter Stuyvesant', De Stelling. Officieel orgaan van: De Vereniging Historie Weststellingwerf e.o. 7 (1988) nr. 26, 17-24; A. van Gelder-Van den Donker, 'Pieter Stuyvesant geboren in 1610!!', De Stelling 8 (1989) nr. 28, 14-17; J.J. Kalma, 'Piter Stuyvesant (1612-1672). De man, dy't New York boude', in: Idem, Dit Wienen Ek Friezen II (Leeuwarden 1964) 20-26; J.H.P. Kemperink, 'Pieter Stuyvesant. 'Waar en wanneer werd hij geboren?' De Navorscher. Nederlands Archief voor Genealogie en Heraldiek, Heemkunde en Geschiedenis 98 (1959) afl. 3, 49-59; A.R. Van Hoevenberg, 'The Stuyvesants in the Netherlands and New Netherland', The New-York Historical Society. Quarterly Bulletin 10 (1926) nr. 1, 3-13.
3 Eerdmans, Stuyvesant, 75, geeft vijf (van zestien) titels uit de jaren twintig van deze eeuw.
4 Fockema Andreae, 'Dutch Background', 6.
5 Ibidem.
6 Balthasar was de zoon van een herbergier, genaamd Joannis Balthasari; mededeling van wijlen dr. J.J. Kalma die dit op zijn beurt ontleende aan een door hem niet nader gespecificeerd stuk van de hand van Meinardus van Aitzema. In de geklapperde registers (betalingsordonnanties, resolutieboek en burerboek) van het Dokkumer archief komt deze naam niet voor (inlichtingen van de oud-gemeentearchivaris, dhr. Keune).
7 S. J. Fockema Andreae en Th. J. Meijer (red.), Album Studiosorum Franekerensis (1585-1811, 1816-1844) (Franeker 1968) d.d. 22 mei 1605, (874); hij werd ingeschreven door Henricus Antonides Nerdenus als 'Balthazarus Joannis Doccumensis Th. st.'.
8 W. Bergsma, deskundige op het terrein van het calvinisme in de vroegmoderne periode, (p. 32) maakt er in zijn artikelen over de Friese situatie werk van om dit verschil tussen theorie en praktijk te benadrukken door de beschrijving van 'case-studies' uit het veld (bijvoorbeeld: 'Kalvinisme yn Snits om 1600 hinne', in: idem e.a. (red.), Frysk, from en frij. In oantal aspekten fan leauwe en polityk yn Fryslân (Leeuwarden, 1988), 95-119.) Zijn favoriete thema is de zwakte van het vlees. Het lijkt hem echter soms te ontgaan dat er van zwak vlees niet kan worden gesproken zonder gewillige geest en dat er door het calvinistisch centrum van de macht als zijnde die 'gewillige geest' wel degelijk naar werd gestreefd om een strakke, gedisciplineerde organisatie op poten te zetten. De door Bergsma gehanteerde methode is uitstekend geschikt om de effectiviteit van een beleid na te gaan, maar veel minder om de bedoeling achter dat beleid te achterhalen.
9 Zie mijn 'Inleiding' in: G.Th. Jensma, F.R.H. Smit en F. Westra (red.), Universiteit te Franeker. Bijdragen tot de geschiedenis van de Friese Hogeschool (Leeuwarden 1985) 11-39; met literatuur.
10 Zie J.J. Kalma, ''s Lands voedsterlingen', in: Jensma e.a. (red.), Universiteit te Franeker, pp. 147-160.
11 RAF, Statenarchief, GA2: dd. 18 november 1602: Balthasar Joannis Scholier geniet pensie 'van den Landtschappe', waarvoor Willem Laurenss borg staat. Het was vanaf april 1602 voor alumnen verplicht om een borg te stellen; Kalma, 'Voedsterlingen', 151. De tekst luidt: 'Willem Laurenss. burger binnen Leuwarden op huijden int Staten huijs verschenen heeft belooft ende aengenomen, ende dyen volgens hem borge geconstitueert, sulckes doende mits deesen dat Balthasar Joannes Scholier pensie vanden Landtschappe genieten int wtvoeren van sijn leeringhe hem tot ghene faculteijten anders als tot de heijlige schrifture sal begeuen, ende sulckes nacomende de kercke van deeze Landtschappe voor allen anderen t'allen tijden verbonden weesen, ofte bij gebreecke van dijen is d' voorn(oemde) Willem Laurenss te vreeden de pensien die d' voorseide Balthasar van nu voortaen dal geraecken t'ontfangen , den Landtschappe wederomme te restitueren, voldoen & betaelen, daer vooren sijne goederen der Landtschappe executie submitterende ende t'onderpandt stellende, (Is) oorconde de handt vande voornoemde borge hier onder gestelt, Actum den xviiie nouembris Sestien hondert & twee. (...) Alsoo d' voornoemde borge nyet schrijuen en conde heeft sijn merck hier onder gestelt & daerenbouen deesen bij franchoijs de Zwart Clerq t' sijnde beede medeonderteeckent,
Dit is t' merck van Willem Laurenss Frans: deswart...'.
12 Relevante literatuur is vooral: P. van Rooden, 'Van geestelijke stand naar beroepsgroep. De professionalisering van de Nederlandse predikant, 1625-1874', Tijdschrift voor Sociale Geschiedenis 17-4 (1991) 361-393; G. Groenhuis, De Predikanten. De sociale positie van de gereformeerde predikanten in de Republiek der Verenigde Nederlanden voor 1700 (Groningen 1977).
13 T.A. Romein, Naamlijst der predikanten sedert de Hervorming tot nu toe in de Hervormde gemeenten van Friesland. Handschrift nagelaten door... (2 dln; Leeuwarden 1886-1888). Romein is voor de vroegste periode niet altijd even volledig.
14 J.J. Kalma, Een kerk in opbouw. Classisboek Sneek 1583-1624 (Leeuwarden 1978); Idem, Een kerk in opbouw. Classisboek Bolsward-Workum 1600-1633 (Leeuwarden 1981) en Idem, Een kerk in opbouw. Classisboek Franeker 1636-1658 (Leeuwarden 1983). Het is maar één uit vele verdiensten dat Kalma in deze bronnenuitgaven de loopbanen van predikanten op minitieuze wijze heeft gereconstrueerd.
15 Cf. J.A. Faber, Drie eeuwen Friesland. Economische en sociale ontwikkelingen van 1500 tot 1800 (2 dln; Leeuwarden 1973) 369 en P. van Rooden, 'De sociale positie van de predikant in de tijd van HaverSchmidt', De Negentiende Eeuw. Documentatieblad Werkgroep 19e eeuw 18-1 (1994) 39-52, vooral 40-41, waar wordt beschreven hoe ditzelfde systeem tot in de negentiende eeuw werkte. Zie voor het verschil tussen stads- en plattelandspredikanten: Groenhuis, De Predikanten, 34 en vooral 133 e.v.
16 Zie mijn: 'Uit het huis van Arcerius. Acht 'artes'-studenten en hun opvattingen over wetenschap en maatschappij', in: Jensma e.a. (red.), Universiteit te Franeker, 461 e.v. over twee van zulke predikanten, n.l. Gotschalk Aeltius en Godefridus Sopingius.
17 Zie mijn: 'Twee adviseurs, een stadhouder en een koning. Over de benoeming van William Ames tot hoogleraar in de theologie te Franeker, 1622' De Vrije Fries 66 (1986), 59-70, en H. Spanninga en H.M. Mensonides, 'De Saeck van Leeuwarden is so cleyn niet te achten. Geloof en politiek in Leeuwarden in de jaren 1608-1617' Leeuwarder Historische Reeks 2 (1990) 66-171.
18 H. Spanninga, 'Patronage in Friesland in de 17de en 18de eeuw: een terreinverkenning', De Vrije Fries 67 (1987), 11-26.
19 Op 6 augustus 1604 ontving 'Balthasar Joannis Scholier' van het gewest 12 gulden 'tot een (p. 33) vereeringe'; RAF, Statenarchief, Gf50, 64v. Deze gift zou hem kunnen zijn verstrekt bij zijn 'eindexamen' aan de Latijnse school van Dokkum. Wel stond hij al sinds 1602 expliciet als theologisch alumnus te boek (zie noot 11). Wellicht verzorgden dus de rector en de conrector van de Dokkumer Latijnse school derhalve zijn 'vooropleiding' in de talen en de filosofie. Het dankwoord aan hen in zijn disputatie (zie verder) maakt dat aannemelijk. Er bestond in bepaalde kringen discussie over het nut van de artes-faculteit, zie ook mijn 'Uit het huis van Arcerius'.
20 Disputatio theologica ...de Essentia Divina ...ad quam... praeside ...D. Henrico Antonide respondebit Balthasarus Joannis Doccumianus Frisius (Franekerae; Rombertus Doyema & Theodoricus loannis, 1605).
21 Dat waren: Sixtus van Scheltema, hoog militair en oud-gedeputeerde; Frans Fokkes van Unia, een oud-volmacht in de Staten van Friesland (Frans Fokkes Unia was lid van G.S. van 1588 tot 1593, zie M.H.H. Engels, Naamlijst)', Klaas Hobbes Vallinc J.U.D. (Klaas of Nicolaas Vallinc was stadssecretaris van Dokkum van april 1603 tot zijn dood op 4 december 1617. Hij was getrouwd met Hester van Loo; FA, Hs Sannes; vriendelijk dank aan prof. dr. Ph.H. Breuker die me het handschrift liet inzien); Thomas Joannis, quaestor (schatbewaarder) in diezelfde stad. Tevens bedankte hij Stephan Ubels en Boëtius Ludolphi omdat ze hem bij zijn eerste studieën op weg hadden geholpen. Stephanus Ubels was rector van de Latijnse school te Dokkum waarschijnlijk van 1603 tot zijn dood in 1629. Zijn voorganger was Raphaël Clingbyl, die in 1603 werd benoemd als hoogleraar te Franeker. Stephanus Ubels, die ook wel Schoning of Valling wordt genoemd, studeerde te Franeker: ASF, nr. 12, 14.4.1586, 'Stephanus Ubeli, theol. stip.' Boëtius Ludolphi wordt als conrector genoemd in 1605. Zijn voorganger was Hilarius Sibrandi, genoemd in 1598, zijn opvolger was Paulus Arcerius (1607-1609). Ik ontleen deze gegevens aan een handschrift dat ik van wijlen dr. J.J. Kalma kreeg.
22 Gemeentearchief Dokkum, nr. 204, p. 616 (register van betalingsordonnanties).
23 Focco Franciscus Unia werd op de zelfde dag als Balthasar Joannis als student in de rechten (ASF, 871) ingeschreven. Vier dagen later, op 26 mei (ASF, 873), kwam Henricus Avercampius naar Franeker, de zoon van Franciscus Avercampius, in deze periode predikant in Ee bij Dokkum. Later, in 1633, zou Balthasar met deze Franciscus Avercampius (Haverkamp), die toen predikant was te Oldeholtpade, proberen te ruilen van gemeente (zie verder). Op 23 april 1605 (ASF, 863) tenslotte was Regnerus Barel(t)s ingeschreven. Hij was afkomstig uit Holwerd. Deze studenten vereerden elkaar met lofdichten in hun disputaties. Zo schreef Unia een lofdicht in Stuyvesants disputatie over 'Het wezen van God': '...Ik prijs je theses, huisgenoot, maar zet krachtig door wat je begonnen bent, opdat je zo je vijanden kunt overtreffen...'. Balthasar vereerde Barelts in diens onder Nerdenus gehouden disputatie De Imagine Dei ad quam homo conditus est... (Franeker; Rombertus Doyma 1606) op zijn beurt met een lofdicht:'... Moge je blijven bij wat je begonnen bent en in je koers niet afwijken naar een zijpad. En in de heilige woonplaats zul je een welkome gast zijn...'. Studenten met een min of meer gemeenschappelijke achtergrond - in dit geval de plaats van afkomst - vormden vaker zo'n 'studieclubje'; zie ook mijn 'Uit het huis van Arcerius'.
24 GA Zwolle, RBSO no. 721. In 1607 ging Balthasar Joannis in Zwolle in ondertrouw: 'den 18 aprilis 1607. Baltasar Joannis van Doccum ende Margareta Hardensteins & Petri Monci (gew...) dinnaer des godlichen W, toet paraga n.l.w. 12. st.' Voor de leeftijd van Margaretha Hardenstein, cf. Kemperink, 'Stuyvesant', 51. Petrus Monches (of: Monchovius) over wiens komaf niets bekend is, was predikant te Parrega. Hij overleed tussen 31 augustus en 12 oktober 1601; Kalma, Classisboek Workum d.d. 12-10-1601. Op die laatste datum kreeg zijn vrouw (Margaretha Hardenstein) de profijten der 3 pastorieën (Parrega, Dedegum en Hieslum) tot Sint Pieter (d.i. 21 februari 1602) alsmede de opbrengsten tot een jaar daarna. Monches wordt ook genoemd als voerende een rechtzaak over landerijen tegen een zekere Bauke Pybes. De sententie van het Hof wordt afgewacht. Ibidem d.d. 31-08-1601. Zie ook Romein, Naamlijst II, 369.
25 Inlichtingen door het RAF ingewonnen bij het GA Zwolle: de Hardensteins waren in de eerste dertig tot veertig jaar van de zeventiende eeuw een familie van nieuwkomers.
26 ASF, 9 maart 1604 (828) als: 'Pelegromius Herdershuis, Svollensis, phil'.
27 GA Zwolle, Zegelcollectie, Zegel van Palgrum Hardenstein, schepen van Zwolle, 1624.
28 Toen werd hem uit de kloostergoederen een kleine soms geld toebeschikt: 'den laesten september 1609. Balthasar Joannes, dienaer des Godtl Woorts tot Peperga, tot stuijr & Coopinge van boecken & andersins bij ordonnantie 18'; RAF, Statenarchief, Gf50, 7, 87.
29 RA Zwolle, Inv. 107**, b. Het gaat in deze rechtzaak om 'renten' uit 'het ees de Oosterblesse genaemt, onder 't gericht van Steenwijckerwolt gelegen', waarop de kerk van Peperga recht heeft. Stuyvesant heeft Hermens aangeklaagd omdat deze niet zoals Stuyvesant wil in natura (namelijk een mud rogge) de opbrengst betaalt, maar in geld (35 stuivers). Hermens beroept (p. 33) zich erop dat zijn voorzaten al sinds 30 jaar of langer 35 of 36 stuivers betalen. Na advies van enige juristen krijgt Hermens gelijk. Naar alle waarschijnlijkheid ging het hier niet om een principezaak, maar was de inzet praktisch van aard en was in 1612 een mud rogge behoorlijk wat meer waard dan 35 stuivers. Duidelijk is, dat Peperga voor een predikant niet bepaald een vetpot was. Ook de 'steun' uit de kloostergoederen wijst daar op. Over de bezoldiging van plattelandspredikanten, zie L.J. van Apeldoorn, De Kerkelijke Goederen in Friesland. Beschrijving van de ontwikkeling van het recht omtrent de kerkelijke goederen in Friesland tot 1795 (2 dln; Leeuwarden 1915) II, 69-148 en vooral 71 e.v., waar de kwestie van 'roggepachten' wordt behandeld; Groenhuis, De predikanten, 133-147.
30 De stukken bevinden zich in RAF, Stadhouderlijk Archief, 70-11, 43. De tekst van de brief van Balthasar Stuyvesant: 'Ondergeschrevene Dienaer Jesu Christi in sijn gemeente toe Scherpentiel cum annexis attestere & betuige voor de oprechte waerheit, hoe dat (door eernstich versoeck van den E Mathias Franckena secretaris onser Grietenie, beijde mondelijc & schriftelijc aen mij gedaen, dienende om de E Homme van Idzarda in onse respective Westerdorpen mede inde derde stemme te helpen bevorderen in dimunitie ende verminderinge van sijn eigen stemmen) ick na gelegenheit daertoe besich ben geweest, ende oock wij enige hebben bearbeit, dat se op gemelde Idzaerda sijn dirigeert worden, gelijck, sulckes noot sijnde, bij vele onser ingeseteten sal attesteren con voorich. In kennisse der waerheyt hebbe dese geschrevene & ondergeschreven, In scherpenziel des xvi februarij 1619 was ondertekent Balthasar Stuijfsandt'
Zij nog vermeld, dat Franckena zijn grietenijsecretariaat aan de protectie van de oude grietman te danken had gehad en door deze was aangespoord om deze gunst later te vergelden door 'vrundtschap ende dienst' aan de kinderen van de grietman te bewijzen. Hierin was weliswaar gedeeltelijk voorzien doordat Franckena's vader beloofd had Meynardt van Idzaerda destijds als grietman in het zadel te helpen. Ook nu moest Mathias Franckena zijn belofte houden. Uit de stukken (waaronder bovenstaande brief van Balthasar) bleek dat hij dat ook deed.
Vriendelijk dank aan Hotso Spanninga, die me op deze stukken opmerkzaam maakte en door zijn kennis van de materie een interpretatie bood.
31 J. Reitsma, Honderd jaren uit de geschiedenis der Hervorming en der Hervormde kerk in Friesland (Leeuwarden 1876) 431-432. De gang van zaken was dus: De stemgerechtigden in Berlikum beroepen Balthasar Stuyvesant. nadat deze drie of vier keer heeft proefgepreekt (een teken dat S. uit Scherpenzeel wil vertrekken). De Classis Leeuwarden is tegen de beroeping (zogenaamd?) vanwege procedurefouten. De kerkelijke gemeente van Berlikum wendt zich tot de Landdag en ook de Classis zoekt het hogerop bij Gedeputeerde Staten. Deze laatsten stelden de classis en daarmee de kerk in het ongelijk; zij had zich bij beroepingszaken naar 's Lands wetten te 'reguleren'. Reitsma ziet dit alles in het licht van het steeds verder uiteendrijven van kerk en staat. Zie over de ingebrachte bezwaren ook: Schwartzenberg, Charterboek, V, 271-273.
32 RAF, Nedergerecht Menaldumadeel, A11, geeft: contra J. Dircx, imp, 1632 (10 c.g. boeten voor S.), pp. 370, 371; contra Sierck van Heerma, imp, 1632, p. 364; contra Regnerus Suidberg, imp, p. 345r; contra Elcke Jans, molenaar, ged., nov. 1631, p. 270; contra Idem, p. 265.
RAF, Nedergerecht Menaldumadeel, WW23: contra Johannes Feye, 15 juli 1633; contra Eelke Jans, 29 februari 1634 (S. wint); contra Eelke Jans, 21 december 1635 (S. wint).
33 J.J. Kalma, scherp observator vooral van het gedrag van de predikanten, constateert toch wel wat verwonderlijk: 'Wonderlijk genoeg is b.v. het eergevoel sterk ontwikkeld. Dat men iets moest zijn of doen, horen we niet. Het feit, dat iemand ouder is dan een ander of langer in de Classis woont bracht mee, dat hij meer rechten kon doen gelden. Misschien kan er daarom ook beter worden gesproken van geldingsdrang, het primitieve instinkt tot zelfhandhaving, dat zelfs de dronkaard laat gelden tegenover de mens die zich beheersen kan'; Classisboek Sneek, xxvi. Juist in dit opzicht heeft de historische antropologie de geschiedenis 'vooruitgeholpen' met voor de analyse van de openbare orde bruikbare concepten als 'voorrang' en 'eer'.
34 RAF, Nedergerecht Menaldumadeel, A11, p 364 (contra Sierck van Heerma, imp, 1632).
35 Groenhuis, De predikanten, 59-61.
36 Kalma, 'Voedsterlingen' constateert deze ontwikkeling zonder het begin ervan precies te dateren. De bij zijn artikel opgenomen tabellen geven aan dat er tussen 1620 en 1630 sprake was van een omslag. Niet alleen het aantal nieuw benoemde predikanten (110 naar 80, dat is geïndiceerd 88), maar ook het aantal alumnen daaronder (36 naar 22; geïndiceerd 61.1) nam (in sterkere mate) af (Ibidem, 152). Nog sterker nam de omvang van de steun aan alumnen (scholieren en studenten samen) af: van 4447-14-00 cg in 1610 tot 1610-00-00 cg. in 1625 (geïndiceerd op 1610 100 is dat 36.2); Ibidem, 155. (p. 35)
37 De overheid garandeerde een minimumtraktement voor het geval de gemeente dat zelf niet op zou kunnen brengen. Tot 1603 bedroeg dit 300 cg., van 1603 tot 1682: 350 cg.; Faber, Drie eeuwen II, 521. Kalma geeft enkele voorbeelden van situaties (in 1608, 1616 en 1619) waarin door een overschot aan predikanten de gemeentes probeerden de beroepen predikanten bij voorbaat in hun salaris te korten; Classisboek Sneek, 411.
38 J.H. Brouwer (ed.), Encyclopedie van Friesland (Amsterdam-Brussel 1958) s.v. 'Predikant' geeft de familienamen van een aantal van deze dynastieën.
39 Belangrijk in dit verband is ook de in deze jaren gevoerde strijd over het kerkelijk stemrecht. Was het - zoals de Dordtse kerkorde stelde - de hele kerkelijke gemeente die mocht beroepen of waren het - zoals in Friesland de wereldlijke overheid wilde - de rijke grondeigenaars? Deze strijd werd uiteindelijk in 1645 beslist in het voordeel van de laatsten. Vanaf toen (tot diep in de negentiende eeuw) was de predikant afhankelijk van zijn goede contacten met de regenten. Ook bij Stuyvesants benoeming te Berlikum speelde op de achtergrond dit punt mee. Cuperus, Kerkelijk leven, 195-196; Reitsma, Honderd jaren, 329-336. Faber, Drie Eeuwen, 365-371. Groenhuis, De predikanten, 34, gaat op een mogelijk verband tussen oligarchisering en de vorming van stedelijke predikantendynastieën kort in, zonder echter dit proces precies in de tijd te plaatsen.
40 Dit vermoeden is gebaseerd op een vermelding als lid van de Leeuwarder natio in Franeker; zie J. Visser (ed.), Album Collegii Studiosorum ex Gymnasia Leovardiensi (1626-1668) (Franeker 1985) 27.
41 ASF (2617), 12 januari 1630.
42 RAF, Nedergerecht Franeker, HH (ca. 1631/1635). Zie ook Ph.H. Breuker, 'Learboeken op de akademy en de Latynske skoallen yn Fryslan (1585-1685). Mei in list fan biblioteekkatalogi en -ynventarissen fan Frjentsjerter heechleararen út dy jierren', in: Jensma e.a. (red.), Universiteit te Franeker, 449; zie ook: Ph.H. Breuker, 'Boekbezit in Friesland tot ca. 1810. Prolegomena bij een onderzoek aan de Fryske Akademy', Batavia Academica. Bulletin van de Nederlandse werkgroep universiteitsgeschiedenis 9 (1991), afl. 1, 17-24.
43 Het heeft er alle schijn van dat de auctie in het teken stond van een grote schuldensanering. Bij de lijst met geleerde boeken is niet alleen een tweede lijst met voornamelijk Nederlandstalige theologische werkjes gevoegd (die mogelijkerwijs ook uit de boedel van Stuyvesant afkomstig waren (Breuker, 'Learboeken', 449)), maar ook een aantal briefjes en aantekeningen betreffende schuldvereffeningen.
Balthasar Stuyvesant betaalde in 1631, (getuige een aantal kwitanties: 5 januari 1631: 40-00-00; 7 januari 1631: 36-00-00; 7 maart 1631: 19-13-00; en op 18 juli 1631: 13-15-00) in totaal 109-08-00 carolusguldens aan de Franeker secretaris W. Gemmenich die de schuldenregeling afwikkelde.
Ook de schulden worden genoemd. Balthasar Stuyvesant was zekere Johannes Petri 4-01-00, Lijsbet Aerns 18-11-00 en de weduwe van professor Sixtinus Amama 54-06-00 schuldig; totaal dus 76-18-00 cg. Mogelijk ging het bij de laatste hoge schuld om kostgeld. Ten laste van Pieter stonden schulden genoteerd tot een bedrag van 17-01-00, waaronder een schuld van 8-00-00 aan Professor Hachting, mogelijk collegegeld.
De boeken brachten in totaal (43-14-00 (de Latijnse boeken) en 13-03-00 (de Nederlandse)) 56-17-00 op. Daarbij zij opgemerkt dat Balthasar als verkoper ook boeken terugkocht, een argument voor de veronderstelling, dat de boeken inderdaad alle aan Pieter hadden behoord.
De eerste in deze stukken genoemde datum is 5 januari 1631 (eerste betaling door Balthasar Stuyvesant aan Gemmenich), de laatste datum is 2 december 1635 toen het uiteindelijke, kleine positieve saldo werd verrekend.
44 Daarbij de opmerking, dat het veilingverslag samen met de kwitanties verre van een sluitende begroting oplevert. Te oordelen naar de grootte van de totale door Balthasar Stuyvesant ingebrachte som gelds, moet er sprake zijn geweest van veel meer schulden dan in het verslag worden vermeld.
45 Kemperink, 'Stuyvesant', 53.
46 Op 5 januari 1631 zond Balthasar Stuyvesant een eerste som geld naar de secretaris W. Gemmenich.
47 De veiling van Nederlandstalige boeken, ingebonden achter het veilingverslag van Stuyvesants boeken in hetzelfde omslag, vond plaats op 12 november 1632.
48 Daarvoor pleit ook nog een in een later stuk genoemde Acte van Scheiding die op 22 mei 1631 werd opgemaakt. Zie noot 57.
49 Visser, Album, 27; Bij het tekeningetje staat als onderschrift: 'Ob contemptum legum' (vanwege minachting van de wetten). De betekenis van deze symbolen wordt ook gegeven door W. Eekhoff, 'Scholae Leovardiensis ... in inclyta Academia Franequerana', De Vrije Fries 2 (1842) 472 en 475. (p. 36) Zie ook Boeles, Hoogeschool I, 286.
50 I.A.G.W.C., Breeden-Raedt aende Vereenichde Nederlandsche Provintien... Gemaeckt ende gestelt uyt diverse ware en waerachtige memorien door... (Antwerpen, Francoys van Duynen, 1649), 26.
51 Anon., 'Pieter Stuyvesant maakte Harlingen drie eeuwen geleden onveilig', Harlinger Courant 8 oktober 1963. Onderzoek ter bevestiging van dit bericht in de Reces- en Sententieboeken en de Schriftuur en Contumacierol over het betreffende jaar leverde niets op; RAF, Nedergerecht Harlingen.
52 C.M. Ridderikhoff, 'De Franequer Los-Kop', in Jensma e.a. (red.), Universiteit te Franeker, 131, haalt dit 'oerhollandse dreigement' aan uit het kluchtspel Het Franeker Studentenleeven uit 1744.
53 P.A.J. van den Berg, 'Bijlage B. Lijsten van dossiers inzake criminele en civiele processen' in: A.P. van Nienes e.a., De archieven van de universiteit te Franeker, 1585-1812 (Leeuwarden 1985), 227-281. Ook Stuyvesants boekenbezit pleit bovendien eerder voor ernst dan lol.
54 Faber, Drie Eeuwen I, 375; C.R. Boxer, Zeevarend Nederland en zijn wereldrijk, 1600-1800 (Leiden 1976), 91.
55 Kemperink, 'Stuyvesant', 53. De wisseling werd voorgesteld aan de classis Zevenwouden.
56 RAF, G 108 (Resoluties van Gedeputeerde Staten, 1629-1634), dd. 11.11.1633: 'Is bij deese Vergaderinge Dnm StuijffSandt althans Predikant des Goddelijcken woorts in den dorpe Belcum vereert met de beroepinge in den fortresse Delffzijl, vacant geworden sijnde door vertreck van Dno Artopaeo ende dat op alsulcke profijten ende tractament als daer toe is staende ende voor deesen sijn genooten. Committeerde over sulx de heeren Donia & Aijlva (hemme) meede Collegen an gemelten D. StuijffSandt 't voorseide vacante predickampt binnen Delfzijl, uijt den naeme ende van weegen dese vergaederinghe te offereeren.' G.S. hadden tot 1666 het recht om in Delfzijl - buiten de classes om - zelf predikanten te kiezen (J. A. van der Aa, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden (13 dln; Gorinchem 1839-1851) III, 249).
Ook een van Stuyvesants voorgangers te Delfzijl, de oud-kapelaan Rudolph Artopaeus, werd na een heftig conflict in zijn standplaats Franeker door G.S. naar Delfzijl beroepen: Romein, Naamlijst II, 228-229. Daarnaast laat de afhandeling van Stuyvesants benoeming zien hoe hier van dumpen sprake was. Van een formele afronding van de benoeming is het nooit gekomen. G.S. Friesland reageerde eenvoudigweg niet meer op brieven van de classis Appingedam en van de Synode te Groningen. RA Groningen, Handelingen Synode Groningen, 6 mei 1634 (punt l), 26 mei 1635 (punt 20), 9 mei 1636 (punt 18). Stuyvesant stierf op 26 mei 1637. De benoeming van zijn opvolger Gerard a Besten verliep probleemloos (ibidem, 23 mei 1638). Zie ook de volgende noot.
57 GAL, Oud rechterlijk archief, Z 20 (Æstimatieboeken), d.d. 9 april 1638. De inventarisatie/boedelscheiding vond plaats 'op versoeck van Pijtter en Jurrijen Jansen als cosijns van d'voorseide Stuijvesant ende alsoo als voormombers ofte geadsisteert met de twee voorkinderen van geseyde Stuyvesant namelijck Petrus tegenwoordich absent ende Anneke Stuyffsant beijde al maiores zijnde...'. Het huisraad bracht 651-09-00 c.g. op, de bibliotheek 185-00-00 c.g. Niet de hele boedel werd in de verkoop ingebracht. Er stonden schulden ten bedrage van 184-00-00, waarvan de grootste (102-00-00) ten name van zekere Geert Douwes te Berlikum. In GAL, Leeuwarden, Weesboek X7, d.d. 10 april 1638, is vervolgens de Acte van Scheiding opgenomen tussen Pieters enige zuster Anneke en hun stiefmoeder, Stijntje Pieters. Als getuigen traden ook de hierboven genoemde 'naeste bloedverwanten' Pieter en Jurjen Janss. (afkomstig resp. uit Oosterbierum en Franeker) op. In dit stuk is sprake van een eerdere (tot nu toe onvindbare) Acte van Scheiding van 22 mei 1631.
58 VanHoevenberg, 'Stuyvesant', 10 e.v. geeft veel namen.
59 Ibidem, 12.
60 GA Haarlem, Ondertrouwregister d.d. 11 juli 1627: '11 july 1627 Balthazar Stuyvesant, weduwnaar van Dockum, Dinaer des goddelijcken woords tot Berlicum, met Styntjen Pieters van Haerlem, weduwe van Adrian Gerrits.' Uit dit huwelijk werden geboren: Margareta (1628), Catharina (1629), Tryncke (1630) en Balthasar (1631).
61 Anna Jans Stuyvesant van Dokkum trouwde op 11 mei 1621 in Haarlem met Andries Savery van Haarlem. Dat zij een zuster van Balthasar was, kan worden afgeleid uit het feit dat haar zoon Roeland Saverij (geboren in 1622) als pleegzoon in het gezin van Balthasar te Berlikum werd opgenomen; RAF, Nedergerecht Menaldumadeel, Weesboeken 1631.
62 Boxer, Zeevarend Nederland, 90.
63 In zijn loopbaan als commies en later bestuurder bij de West-Indische Compagnie heeft Stuyvesant door zijn opleiding waarschijnlijk beslissende streepjes voor gehad. Niet alleen is van hem onder het motto 'deucht baert vreucht' een gepolijste correspondentie in dichtvorm bekend met zekere John Farret (bewaard in het Scheepvaartmuseum te Amsterdam; zie ook (p. 37) Kemperink, 'Stuyvesant', 53), ook schreef hij brieven in de geleerdentaal Latijn; zie bijvoorbeeld C.C. Goslinga, The Dutch in the Caribbean and on the wild coast, 1580-1680 (Assen 1971), Appendix VII, waar een latijnstalige brief staat afgedrukt van Stuyvesant aan Ruy Fernandez de Fuenmayor, d.d. 14 februari 1642.
64 Geciteerd bij Kemperink, 'Stuyvesant', 53.

(p. 38)

Bijlage 1. De geboorteplaats van Pieter Stuyvesant

Vaak wordt ervan uitgegaan, dat Stuyvesant in Scherpenzeel is geboren.1 Dit is, zoals sommigen ook al wel vermoed hebben,2 niet juist. Dankzij een paar nieuwe archiefvondsten kan dit worden bewezen. De bewijsvoering begint met de vaststelling van de geboortedatum van Pieter Stuyvesant. Er is een tweetal documenten die beide leiden tot 1611 of 1612 als geboortejaar. Allereerst liet Pieter Stuyvesant zich in 1630 aan de universiteit te Franeker inschrijven.3 De gemiddelde leeftijd waarop een student begon met zijn studie was ongeveer 18 jaar. Weliswaar waren er ook mensen die op latere leeftijd besloten te gaan studeren, veelvuldig kwam dit echter niet voor. Pieters inschrijving bij de Leeuwarder studentenvereniging in 1629 is een aanwijzing, dat hij een gemiddelde student was en dus dat hij in 1630 zo ongeveer 18 jaar oud was. 1630 min 18 is 1612. Een niet eerder gebruikt bewijsstuk is vervolgens een notariële acte uit 1646 waarin Stuyvesant voorkomt als getuige van 'omtrent 35 jaar' oud.4 1646 min 35 is 1611.
Het is mogelijk om de geboortedatum verder te preciseren. We moeten ons dan richten op het gezin waaruit Stuyvesant voorkwam. Zijn vader, de predikant Balthasar Joannis Stuyvesant trouwde - vermoedelijk in 1607 - met Margaretha Hardenstein. Het echtpaar kreeg twee kinderen, te weten een zoon Pieter en een dochter Anna. Van deze Anna weten we meer. Op 6 februari 1631 werd zij lidmaat van de kerk te Berlikum, waar haar vader toen predikant was.5 Zij was toen 'in haar achttiende jaar', dus 17 jaar oud. 1631 min 17 is 1614. Op 9 april 1638 waren Pieter en Anna 'beijde al maiores', dat wil zeggen: volwassen.6In die tijd was men volwassen wanneer men de leeftijd van 25 jaar had bereikt of wanneer men getrouwd was. Anneke zou - ook dat weten we - in november 1638 in Amsterdam trouwen.7De conclusie is dus, dat zij in april 1638 25 jaar oud was. 1638 min 25 is 1613. Anna werd dus in 1613 of 1614 geboren. Tot zover de jaartallen. Door bovenstaande vermeldingen te combineren kunnen we in maanden gaan rekenen. Op 6 februari 1631 was Anna nog in haar achttiende levensjaar, dus 17 jaar oud. Op 9 april 1638 was ze tenminste 25 jaar oud en dus moet ze - teruggerekend: 1638 min 1631 is 7 en 25 min 7 is 18 - op 9 april 1631 tenminste 18 jaar zijn geweest. Haar verjaardag viel dus tussen 6 februari en 9 april. Derhalve - nog verder teruggerekend - is Anna na 6 februari 1613 en vóór 9 april 1613 geboren. Omdat zij in april 1638 nog maar pas 25 was en omdat zowel Pieter als Anna toen 'maiores' waren, is een tweede conclusie dat Pieter ouder was dan Anna. Volgens de natuurlijke logica werd hij - 9 april 1613 min 9 maanden is 9 augustus 1612 - dus op zijn allerlaatst op 9 augustus 1612 geboren. Praktisch geredeneerd kan men er echter rustig van uitgaan dat er tenminste een jaar tussen de geboortes van Pieter en Anna zal hebben gezeten. Pieter werd dus op zijn laatst in april 1612 geboren.
Nu kunnen we - vele waarschijnlijkheden leiden uiteindelijk tot zekerheden - opnieuw naar de andere aanwijzingen kijken om het geboortejaar met iets grotere nauwkeurigheid te kunnen vaststellen. Allereerst zijn er dan opnieuw de stukken uit 1646 (Stuyvesant is omstreeks 35 jaar oud) en de inschrijving aan de Franeker universiteit (Stuyvesant is waarschijnlijk 18 jaar oud), die 1611 of 1612 tot het geboortejaar maken. Misschien wel het belangrijkste stuk zou echter de steen op het graf van Stuyvesant kunnen zijn. Het is bekend dat Stuyvesant in februari 1672 overleed. Op de grafsteen stond dat hij 80 jaar oud was. Er kan natuurlijk geen sprake van zijn dat Stuyvesant in 1592 te Dokkum - want daar woonde zijn vader toen waarschijnlijk - werd geboren? Hier moet een fout zijn gemaakt. Ook door andere onderzoekers is daarop al gewezen.8 Deze (p. 24) grafsteen werd waarschijnlijk pas rond 1710/1720 aangebracht en het is niet onwaarschijnlijk dat een steenhouwer toen een 6 voor een 8 heeft aangezien; en in plaats van '60' '80' heeft gebeiteld. Zou dat zo zijn, dan werd Stuyvesant na februari 1611 en voor februari 1612 geboren.
Al deze berekeningen leiden tot de vaststelling dat Stuyvesant in Peperga is geboren. Daar begon vader Stuyvesant zijn loopbaan. Een eerste - nieuwgevonden - vermelding stamt uit september 1609. Toen schonken de Gedeputeerde Staten van Friesland Balthasar Joannis Stuyvesandt, predikant te Peperga, 18 carolus guldens 'tot stuyr ende coopinge van boecken en andersins'.9 Hij stond als predikant in ieder geval tot 12 juni 1612 te Peperga. Op die dag namelijk diende hij vanuit Peperga een aanklacht in tegen een zekere Jan Hermens.10 Omdat we zojuist hebben vastgesteld dat Pieter Stuyvesant op zijn laatst in april 1612 werd geboren, is hiermee het bewijs geleverd, dat hij in Peperga ter wereld kwam.

Noten

1 Bijvoorbeeld door Bartels, NNBW, 1191.
2 In 1959 bracht Kemperink, 'Stuyvesant', 59, als eerste Peperga naar voren. Om zijn veronderstelling verder te bewijzen wordt in dit artikel een aantal niet eerder gebruikte archiefstukken aangehaald.
3 RAF, Archieven Universiteit te Franeker, inv.nr. 104 (Album Academiae Franekerensis): 12 januari 1630, 'Petrus Stuifsandt. Frisius Ling et Philos'. De uitgevers van ASF hebben daar - naar nu blijkt abusievelijk - tussengevoegd (Scherpenzeel).
4 GA Amsterdam, dd. 18 januari 1646: 'de Edele Petrus Stuijvesant, directeur geweest van Curacao in dienst van de West Indische Compagnie alhier, out omtrent 35 jaren...'. Hoewel er in vorige eeuwen veel werd gesjoemeld met jaartallen en leeftijden, mogen we veronderstellen, dat in de geleerde en wat hogere kringen waarin de Stuyvesants verkeerden men van de eigen leeftijd goed op de hoogte was en hoeven we dat 'omtrent' niet al te serieus te nemen.
5 Kemperink, 'Stuyvesant', 51.
6 GA Leeuwarden, Oud-rechterlijk archief van Leeuwadren, Z 20 (Æstimatieboeken): 'twee voorkinderen (kinderen uit een vorig huwelijk) van geseyde Stuyvesant namelijck Petrus tegenwoordich absent (hij was in de tropen) ende Anneke (dat is Anna) beijde al maiores zijnde.'
7 Te weten met de Waalse domineeszoon Samuel Bayard, VanHoevenberg, 4-5.
8 Kemperink, 'Stuyvesant', 56.
9 RAF, Statenarchief 1580-1795, Gf 50-7, dd. 30 september 1609.
10 GA Zwolle, Archief van het schoutambt Steenwijk, 107, dd. 7 oktober 1612.

(p. 40/41)

Bijlage 2. Fragmentgenealogie van de familie Stuyvesant

  1. Joannes Balthazari, herbergier te Dokkum, trouwt N.N.
    1. (Pieter Jans Stuyvesant, trouwt N.N.)
      1. Anneken Pieters Stuyfsant, trouwt Abelus Andreæ, notaris 1653 te Leeuwarden, Oostermeer, Boornbergum en Beetsterzwaag.
    2. Anna Jans Stuyvesant, van Dokkum, trouwt Haarlem 11 mei 1621 Andries Savery, weduwenaar van Haarlem
      1. Roeland, geboren 1632
    3. Balthazar, volgt II.
  2. Ds. Balthazar Joannis Stuyvesant, scholier 1602, theol. Student te Franeker 160, predikant te Peperga 1609, te Scherpenzeel 1620, te Berlikum 1622, te Delfzijl 1634, overleden Delfzijl 26 mei 1637, trouwt 1e Zwolle apr. 1607 Margareta Hardenstein, geb. Zwolle ca. 1575, overleden Berlikum 2 mei 1625, wed. Ds. Petrus Monches, predikant Parrega, trouwt 2e Haarlem 22 juli 1627 Stijntjen Pieters, van Haarlem, wed. Adriaen Gerrits. Uit het eerste huwelijk:
    1. Pieter, volgt III.
    2. Anna Stuyvesant, geb. 1613 trouwt 1e Amsterdam (Waalse Kerk) 7 nov. 1638 Samuel Bayard geb. Breda 8 dec. 1610, overleden 1646/54; trouwt 2e Nieuw Amsterdam 14 okt. 1658 Nicolaas Verleth. (Uit eerste huwelijk twee kinderen, geb. Alphen a.d. Rijn 1644, 1646.)
    Uit tweede huwelijk:
    1. Margaretha Stuyvesant, geb. Berlikum 1628, trouwt 1e Nieuw Amsterdam 30 okt. 1654 Jacobus de Backer, schepen van Nieuw Amsterdam. (Uit dit huwelijk 5 kinderen.)
    2. Catharina Stuyvesant geb. Berlikum 1629.
    3. Trijncke Stuyvesant geb. Berlikum 1630.
    4. Balthasar Stuyvesant, geb. Berlikum 1631.
  3. Pieter Stuyvesant, geb. Peperga ca. 1611 stud. talen en filos. Franeker dec. 1629/a2 jan. 1630, commies op Fernando Noronha 1635, directeur van Curaçao 1643, idem Nieuw-Nederland en Curaçao 1646, test. New York 19 jan. 1671 overl. New York febr. 1672 x Breda 13 aug. 1645 Judith Bayard, geb. Breda (Waalse Kerk) 16 nov. 1608.
    1. Balthazar Lazarus Stuyvesant ged. Nieuw Amsterdam 13 okt. 1647.
    2. Nicolaas Willem, volgt IV.
  4. Nicolaas Willem Stuyvesant ged. Nieuw Amsterdam 2 dec. 1648 overleden 1698 x Elizabeth Slechtenhorst.
  5. Gerardus Stuyvesant 1690-1777 x Judith Bayard.
    1. Nicolas Stuyvesant 1722-1780.
    2. Petrus, volgt VI.
  6. Petrus Stuyvesant 1727-1805 x Margaret Livingston.
    1. Nicholas, volgt VII.
    2. Elizabeth Stuyvesant, geb. 11 feb. 1775, overl. 6 sept. 1854 x Nicholas Fish.
  7. Nicholas William Stuyvesant 1796-1833 x Catherine Livingston Reade.
  8. Peter Stuyvesant 1796-1860 x Julia Martin.
  9. Robert van Rensselaer Stuyvesant 1838-1918, schenker van de Stuyvesant-portretten aan de New York Historical Society.

N.B. De nieuw gevonden gegevens staan cursief afgedrukt.

Ook elders in Nederland komt de naam Stuyvesant voor, maar verwantschap met deze naamgenoten is niet gevonden.

Frederick Thaemsz. Stuyffsant wordt vermeld als oud-schepen van Overveen in 1629. Hij was waarschijnlijk een broer van Huybert Thaemsz. Stuyffsant, kapitein van een oorlogsschip, en overleden tussen aug. en okt. 1623, getrouwd met Cunyertgen Pieters. Onder hun kinderen waren: Aelke Huiberts, getrouwd met Lucas Egberts, echtelieden te Leeuwarden 1623, wier dochters waren Aebel Lucas, vroedvrouw te Leeuwarden, en haar erfgename Abigael Lucas, overl. 1636, op wier erfenis haar oom Frans Huybertss. Stuyvesant, toen te Amsterdam, in 1637 aanspraak maakte; in 1623 en 1638 komt hij te Haarlem voor; Jan Huybertsse Stuyvesant, geb. ca. 1599, korporaal op het schip van zijn vader 1623, boekhouder van het veer van Amsterdam op Haarlem 1635, overl. vóór 1638, tr. Haarlem 3 dec. 1623 Trijn Jans jongedochter van Goor. Uit dit huwelijk: Hendrick, ged. Haarlem 19 maart 1628; Hillegundt, ged. ald. 18 dec. 1630, Eleseabeth, ged. ald. 14 okt. 1632; Johannes, ged. aldaar 20 sept. 1634.

Samuel Ampzing vermeldt in zijn Beschrijvinge ende lof der stad Haarlem, 1628, pag. 78 een hofstede Stuyvesant bij Santpoort: hiernaar werden in 1629 te Haarlem de Stuyvesantstraat en in 1930 het Stuyvesantplein genoemd. C.J. Gonnet vermeldt in Jaarboek der Vereeniging Haarlem 1933 een andere Stuyvesant onder Overveen.