Dr. A.L. Heerma van Voss †

INLEIDING. Op 30 juli 1947 hield mijn vader in Huize Oranjewoud de onderstaande lezing voor een klein gezelschap, waarin zich de Prins der Nederlanden bevond, ter gelegenheid van het prinselijk bezoek aan Friesland. Op verzoek van het Bestuur van het „Fries Genootschap” las ik het stuk in een ledenbijeenkomst van april 1959 voor, terwijl het thans op uitnodiging der Redactie in druk volgt. De tekst is zo goed als ongewijzigd; uit de nalatenschap van mijn vader voegde ik de tekeningen van Marot en enige noten eraan toe.

M. Heerma van Voss.

Wanneer ik in dit gezelschap iets mag mededelen over de Friese stadhouders uit het huis Nassau en over de vorstelijke residentie-verblijven, dan mag ik mij niet vleien met de hoop, in een kort overzicht over de opvolgende vorsten nieuwe gegevens te kunnen vertellen van ingrijpend, historisch belang. Toch is het helaas zo, dat omtrent deze rechtstreekse voorvaderen van H.M. de Koningin bij de doorsnee-Nederlander een betreurenswaardig gemis aan, zelfs oppervlakkige, kennis geconstateerd moet worden. In onze provincie wordt er de laatste tijd naar gestreefd, het geschiedenisonderricht ook de hoofdzaken betreffende de Friese stadhouders en de drie regentessen, die voor haar minderjarige zoons achtereenvolgens het bewind gevoerd hebben, te doen omvatten.
De archiefstukken, waaruit onze kennis van dit onderdeel der geschiedenis geput moet worden, liggen voor de Friese geschiedvorser slechts tendele dicht bij huis. In de eerste plaats komen hier toch in aanmerking het Koninklijk Huisarchief en het archief der Friese stadhouders, welk laatste1 eveneens te 's Gravenhage, in het Algemeen Rijksarchief, berust. Toch is ook te Leeuwarden op het Rijksarchief nog wel het een en ander voor de belangstellende speurder te vinden, maar dat moet moeizaam bijeengegaard worden uit verspreide collecties. Ik doel op de nagelaten papieren in enkele familie-archieven, afkomstig van o.m. de families Hemmema en Vegilin van Claerbergen, die in opvolgende generaties in nauwe ambtelijke en vriendschappelijke relatie tot de stadhouders hebben gestaan, getuige o.a. de uitgebreide (p. 81) brievencollecties, die de geduldige onderzoeker menig interessant detail kunnen onthullen.
Het wordt wellicht niet steeds gerealiseerd, dat na het verraad van Rennenberg in 1580 als eerste stadhouder van Friesland is benoemd niemand minder dan de grote WILLEM DE ZWIJGER. Vanzelfsprekend was het hem in die tijd onmogelijk, zich persoonlijk met de dagelijkse leiding van zaken hier te belasten, reden waarom hij als luitenant- goeverneur aanstelde Bernard van Merode, heer van Rummen. Toch is de Vader des Vaderlands, toen interne moeilijkheden daartoe dringend aanleiding gaven, eenmaal persoonlijk naar dit gewest gekomen en heeft in april 1581 te Harlingen een voorlopig regeringsreglement uitgevaardigd. Bij die gelegenheid schijnt ook een „vluchtig” bezoek (per trekschuit!) aan Leeuwarden te zijn gebracht.
Toen De Merode midden-1583 als plaatsvervanger van de Prins bedankte, benoemde de Friese Landdag tot zijn opvolger tevens kolonel van het krijgsvolk, een graaf van Nassau, die. hoewel nog slechts 23 jaar, in het Noorden als krijgsman reeds bekendheid en roem verworven had. Het was WILLEM LODEWIJK, de oudste zoon van 's Prinsen broeder, graaf Jan de Oude bekend als grondlegger van de Unie van Utrecht, in 1560 te Dillenburg geboren. Prins Willem bekrachtigde deze benoeming 11 februari 1584 en 10 maart d.o.v. landde de nieuwe bewindsman te Harlingen. En toen De Zwijger kort daarop (10 juli) door moordenaarshand viel, was zijn neef de aangewezene om hem als stadhouder op te volgen. Met hem vangt dus de reeks van functionarissen aan uit de tak Nassau-Dietz, die meer dan 200 jaar lang en (anders dan in de overige gewesten) onafgebroken, in Friesland (en afwisselend ook in andere Noordelijke provinciën, uiteindelijk in de gehele Republiek) mede leiding hebben gegeven aan het staatsbestuur. Ik zou uiteraard veel te veel van Uw tijd en aandacht vragen, wanneer ik ook maar enigermate uitvoerig inging op de verrichtingen op velerlei terrein van Willem Lodewijk en zijn opvolgers. Ik moge dus volstaan met enkele bijzonderheden aan te stippen.
Willem Lodewijk, de grote medestander van Prins Maurits op en bij diens vele veldtochten en krijgsbedrijven, maar ook de grondlegger van de Franeker Hogeschool in 1585 (uit zijn bewind dateert eveneens de in 1614 gestichte Universiteit te Groningen, waar hij, evenals in Drente, eveneens met de stadhouderlijke waardigheid bekleed was; de eerste rector aldaar, de (p. 82) vermaarde Ubbo Emmius, rekende hij onder zijn beste vrienden), Willem Lodewijk dan heeft zich niet aanstonds te Leeuwarden gevestigd. Bewaard is zijn instructie aan zijn hofmeester Adam van Haren, uit Franeker, waarin deze opdracht krijgt, er bij de Leeuwarder magistraat op aan te dringen, speciale defensiemaatregelen te treffen en een zuivering op bepaalde verdachte elementen toe te passen: eerst na uitvoering hiervan zal de stadhouder naar de hoofdstad van het gewest zijn zetel verplaatsen, wat hem ter versterking van het moreel onder de bevolking gewenst voorkomt.2 Dat deze voorzorgsmaatregelen niet overbodig waren, zou enige jaren later blijken: in 1587 kwam (gelukkig intijds!) een complot, uit Spaans initiatief voortspruitend, aan het licht, dat niet alleen moord op de stadhouder, maar tegelijkertijd de verrassing van Leeuwarden beoogde. Dit had tengevolge, dat in datzelfde jaar het huwelijk van Willem Lodewijk met zijn nicht Anna, de volle zuster van prins Maurits, niet in de hoofdstad, doch te Franeker voltrokken is. Helaas overleed reeds in het volgende jaar in datzelfde Franeker (op Botnia-huis) de jonge vorstin. - Toch was inmiddels te Leeuwarden, nadat Willem Lodewijk aanvankelijk eerst op het Aytta-huis, vervolgens in een der Cammingha-stinzen in de Grote Kerkstraat verblijf gehouden had, een definitief stadhouderlijk verblijf gevonden. Nog vóór zijn huwelijk kreeg de graaf de beschikking over het voormalige woonhuis van Boudewijn van Loo, dat de Staten hadden aangekocht en dat, in 1603 vergroot met het aangrenzende Dekama-huis, sindsdien als Stadhouderlijk Hof in gebruik is geweest, talloze gedaanteverwisselingen (zij het niet steeds in verfraaiende zin!) heeft ondergaan en tot voor kort ambtswoning was (en binnenkort opnieuw zal zijn) van de Commissaris der Koningin in Friesland.3 Ervoor prijkt thans het standbeeld van Willem Lodewijk, „Us Heit", in 1906 door Hare Majesteit onthuld.
Toen Willem Lodewijk in 1620 de ogen sloot, werd, alleen in Friesland, zijn opvolger zijn dertien jaar jongere broeder ERNST CASIMIR, het elfde van de 24 kinderen uit drie huwelijken van graaf Jan de Oude. Hij had met zijn broeder Lodewijk Gunther aan het hof zijns broeders zijn opvoeding voltooid, diende het (p. 83) vaderland voor en na het Twaalfjarig Bestand onder Maurits en Frederik Hendrik en werd in 1607 luitenant-goeverneur van Gelderland. Als zodanig resideerde hij met Sophia Hedwig van Brunswijk, erfdochter van Spiegelberg, met wie hij in laatstgenoemd jaar in de echt verbonden werd, te Arnhem. Twaalf jaar heeft hij Friesland vervolgens als stadhouder gediend: in 1632 is hij in de veldtocht langs de Maas voor Roermond gesneuveld.
Krachtens reeds tevoren verleend recht van survivance volgde hem op zijn zoon HENDRIK CASIMIR I, aan wie ook Groningen en Drente wederom de stadhouderlijke waardigheid opdroegen. In 1612 te Arnhem geboren, heeft ook hij onder Frederik Hendrik krijgsroem geoogst: voor Hulst is hij in 1640 gevallen. Hij was Landcommandeur van de Duitsche Orde, Balije van Utrecht evenals na hem zijn beide opvolgers en is nimmer gehuwd geweest.
Frederik Hendrik werd in Groningen en Drente zijn opvolger als stadhouder, doch Friesland gaf geen gehoor aan een soortgelijk verzoek en benoemde als zodanig WILLEM FREDERIK, graaf, later vorst, van Nassau-Dietz, heer van Beilstein, baron van Liesveld, de één jaar jongere broeder van Hendrik Casimir. Gaf dit aanvankelijk aanleiding tot enige verwijdering tussen deze en Frederik Hendrik en Amalia van Solms, reeds spoedig trad in deze verbetering in, die uiteindelijk resulteerde in het in 1652 tot stand gekomen huwelijk tussen de Friese stadhouder en ALBERTINE AGNES van Oranje Nassau, de ruim twintig jaar jongere dochter van Frederik Hendrik. - Hoewel natuurlijk ten overvloede moge ik er op wijzen, dat door deze alliantie ons regerend vorstenhuis in moederlijke lijn van Willem de Zwijger, in vaderlijke van Jan de Oude, en dus langs beide zijden van Juliana van Stolberg afstamt. - Willem Frederik heeft te Franeker gestudeerd, vervolgens aan de krijgsverrichtingen voor 's Hertogenbosch en Hulst deelgenomen en zich ook op politiek terrein niet onbetuigd gelaten. Daarbij stond hij aan de zijde van zijn zwager, stadhouder Willem II, tegenover de Hollandse regenten, zodat hij na diens ontijdig overlijden in 1650 uiteraard geen kans had door een aanstelling aldaar het Stadhouderloze tijdperk mede te voorkomen. Wel volgde hij toen in Groningen en Drente Willem II als stadhouder op. De aanvankelijk gespannen verhouding tussen hem en Johan de Witt verbeterde later aanzienlijk, zodat hem (p. 84) de leiding werd toevertrouwd van een hulpexpeditie, die de Republiek uitzond ter ondersteuning van Oost-Friesland tegen de bisschop van Munster. Zich gereedmakend voor een inspectietocht, verwondde hij zich zeer ernstig bij het controleren van een pistool, aan de gevolgen waarvan hij 13 october 1664 te Leeuwarden overleed. Er zijn betreffende dit tragisch sterfgeval enige ontroerende bescheiden over.4
ALBERTINE AGNES bleef als jonge weduwe met drie jeugdige kinderen achter. Haar zoontje Hendrik Casimir werd zowel in Friesland als in Groningen en Drente onmiddellijk aangesteld als stadhouder, aanvankelijk onder regentschap van zijn moeder. Over deze periode van de stadhouderlijke geschiedenis zijn wij uit de nagelaten papieren van haar vertrouwde Raad en Rentmeester, Philip Ernst Vegilin van Claerbergen, vrij uitvoerig ingelicht en dan vertoont zich deze regentes aan ons als een zeldzaam energieke persoonlijkheid. Niet alleen dat zij zich veel moeite gaf voor de opvoeding van haar beide overgebleven kinderen en met krachtige hand de teugels voerde, waar het betrof het beheer van haar bezittingen in en buiten Friesland. Toen in 1672 het oorlogsgeweld ook deze provincie bedreigde, was zij het, die de Friese Staten aanzette tot krachtdadig verweer (schansen, inundaties in de Tjonger- en Lindevallei). Stond op administratief gebied Vegilin haar trouw terzijde, op militair terrein kon zij bouwen, eerst op de generaal Hans Willem van Aylva, later op haar verwant, graaf Johan Maurits van Nassau- Siegen, bijgenaamd „De Braziliaan” (naar zijn goeverneurschap van Brazilië 1636-1644). - Betreffende laatstgenoemde moge ik hier terloops inlassen, dat het aan zijn hof te Kleef was, dat in 1652 de bruiloft van Willem Frederik en Albertine Agnes gevierd werd, dat hij de stichter van het Mauritshuis is en eindelijk, dat hem op zijn terugkeer van de begrafenis van Willem Frederik het ongeval overkwam, dat hij met zijn gevolg door de brug te Franeker zakte en slechts met moeite uit het ijskoude water gered kon worden, welk tragisch gebeuren ter plaatse door een gedenksteen is vereeuwigd. - Van Albertine Agnes zijn ons heel wat brieven en andere bescheiden bewaard, o.a. kinderbriefjes van haar en haar zusje Louise Henriëtte (die door haar huwelijk met de keurvorst van Brandenburg de stammoeder van het huis (p. 85) Hohenzollern zou worden). Deze zijn bewaard onder de papieren van een gewezen hofdame van Amalia van Solms.5
Het lijkt mij hier de juiste plaats om de historische draad even los te laten om kortelings stil te staan bij de stadhouderlijke verblijven. Het stadhouderlijk Hof te Leeuwarden, dat ik in de aanvang vermeldde, deed zich midden-17e-eeuw in volle Renaissance-glorie voor met enkele Gothische restanten in de West-vleugel. Eerst Johan Willem Friso en zijn moeder lieten het, zoals nader blijken zal, vóór zijn huwelijk ingrijpend verbouwen. Daarnaast bezat de stadhouder sinds 1648 de Noorderdwinger van de vesting Leeuwarden, die in dat jaar aan Willem Frederik werd aangeboden voor de aanleg van een lusthof: het nog steeds als „Prinsentuin” vermaarde park. In de perioden, dat de Friese stadhouders ook Groningen als ambtsgebied bezaten, hadden zij ook het Hof te Groningen te hunner beschikking: blijkbaar werd daar slechts incidenteel voor korte tijd geresideerd. - In Friesland vindt men een en andermaal melding gemaakt van de aanwezigheid van het Hof te Bergum, terwijl eveneens vage berichten betreffende een stadhouderlijk jachthuis in de omgeving van Eernewoude in de gedrukte bronnen worden aangetroffen. Tot dusverre is het mij niet mogen gelukken, omtrent een van beide verblijven enig authentiek gegeven aan het licht te brengen. Willem Frederik placht, blijkens zijn correspondentie, behalve te Leeuwarden en Groningen niet zelden op zijn bezittingen in Turnhout te vertoeven. Albertine Agnes verbleef vaak in Duitsland, met name in het stamland Dietz, waar zij in de jaren 1676-1682 het beroemde slot Oranienstein deed verrijzen, doch daarnaast compareert sinds 1665 een nieuw verblijf op Fries grondgebied. De voorlopige Monumentenlijst dezer provincie vermeldt, naar ik meen terecht, dat het huidige Oranjewoud in het begin der 19e eeuw gebouwd werd op de gewelfde kelderverdieping van het gelijknamige voormalige stadhouderlijke buitenverblijf. Nu is het een hoogst ingewikkelde zaak om achter de juiste ontwikkeling van deze stadhouderlijke bezitting te komen. In de meeste gedrukte bronnen kan men lezen, dat Albertine Agnes na het overlijden van haar gemaal in 1664 op de nog bijna onontgonnen heide onder Oudeschoot haar buitenverblijf gesticht heeft, aanvankelijk genaamd Oranjestein; dat dit later voltooid of uitgebreid (p. 86) is door Johan Willem Friso en sindsdien onder de naam Oranjewoud bekend stond. Nu laten de archivalische bronnen ons, zoals gezegd, ten dezen grotendeels in de steek, maar het volgende kan met zekerheid worden vastgesteld.
Niet in 1664, doch eerst 4 juli 1676 kocht6 H.D.H. Albertine Agnes, vorstin van Nassau, gravin van Catzenellenbogen, Vianden, Dietz en Spiegelberg, vrouwe van Beilstein, baronesse van Liesfeld, etc., douairière en voogdes voor 41.000,- Car. gld. een landcomplex onder de klokslag van Oudeschoot in publieke veiling aan en dit moet wel de kern geweest zijn van de bezitting Oranjewoud. Het wordt omschreven als: vier zathen lands aan elkander met huizingen, schuren, gracht en singel, hovingen, bomen en plantage met nog een vierde van „het groot houwbosch". Verkoper was Barent van Sevenaer, heer van Wolferen, voor zijn minderjarige kinderen bij wijlen Margaretha van Thibault, die hun bezitting tendele zelf bewoond en gebruikt hadden en dan ook reeds in 1657 voorkomen als echtelieden in "Oudeschoterwold". Geen onontgonnen heide dus, maar een buitengoed annex boerenbedrijf was het, wat eigendom werd van het huis Nassau en het ligt zeer voor de hand, dat Albertine Agnes het bestaande woonhuis zonder dit noemenswaard te veranderen voor buitenverblijf bestemd heeft. Blijkbaar had het geen speciale naam, tenminste in de eerste tien jaar staat boven de brieven, die des zomers veelvuldig van daar aan Vegilin gericht worden: „op” of „in” „'t Wolt (bij Schooten)", „bij 't Heeren Veen” of „op 't Veen"; eerst in 1681 wordt gesproken van „Oranienwaldt” (nimmer vond ik „Oranjestein": dit zal wel een verwarring met haar bovenvermelde stichting „Oranienstein" te Dietz zijn). In verband ook met die omvangrijke bouwonderneming in Duitsland, welke in dezelfde jaren plaats vond, ligt het niet voor de hand, dat hier tezelfder tijd min of meer overbodige bouwkosten gemaakt zouden zijn, wat trouwens ook niet in de lijn lag van deze zeer secuur administratief georiënteerde vorstin. Albertine Agnes bracht, nadat haar zoon met zijn vrouw in 1683 het Hof te Leeuwarden betrokken had, ook dikwijls de wintermaanden op haar nieuw verblijf Oranjewoud door, dat zij enige maanden na de eerste aankoop nog uitbreidde door onderhands de resterende drie vierde delen van het „Houwbosch" aan te kopen. Zij is er in 1696 ook overleden. (p. 87)
Ook vlakbij onder Brongerga had de prinses nog landbezit, waarvan ik intussen de aankomsttitel tot dusverre niet heb kunnen achterhalen. Er is echter reden om aan te nemen, dat dat perceel, hetwelk in de belastingcohieren eerst als „een plaatske", waar de opzichter woont en later als bos wordt aangeduid, identiek is met wat de 19e-eeuwse atlas van Eekhoff noemt „Tamminga, ook Carolinenburg", niet te verwarren met de Tamminga-state, die later als „Paauwenburg” n.f. onafgebroken bezit van de geslachten Van Haren en Van Scheltinga geweest is. Op die plaats heeft dan later prins Willem IV ter ere van zijn dochter het naar haar genoemde zomerverblijf Carolinenburg gebouwd, dat, blijkens een aankondiging in de Leeuwarder Courant, reeds in 1774 weer met zijn twee vleugels, ringmuur en poorten voor afbraak verkocht is.
Dat Albertine Agnes het op Oranjewoud bestaande boerenbedrijf intens heeft doen voortzetten, wordt ons duidelijk uit een bewaard gebleven, ongedateerde instructie7 voor haar „controlleur en opsiender” aldaar. Tot in de allerkleinste bijzonderheden is daarin geregeld alles wat verband houdt met landbouw en veeteelt, visserij, bijenteelt, watermolen, onderhoud van het prinselijk verblijf met meubilering enz., en nauwkeurige aanwijzingen worden gegeven om te waken voor een zo economisch mogelijk beheer.
Wellicht verdient het aanbeveling thans de tijdelijk losgelaten historische draad weer op te vatten, waarbij ik dan vanzelf nog even terugkom op de verdere lotgevallen van het Hof te Leeuwarden en Oranjewoud.
Wij spraken het laatst van de energieke houding van Albertine Agnes tegenover de oorlogsdreiging in 1672. Deze laatste bracht mee, dat haar zoon HENDRIK CASIMIR II, hoewel toen nog slechts vijftien jaar oud, tot het stadhouderschap geroepen werd in de drie Noordelijke provinciën. Aanstonds is hij met Willem III te velde getrokken, doch een hem in de slag bij Seneffe in 1674 overkomen ongeval legde de grondslag voor de kwaal, die hem op betrekkelijk jeugdige leeftijd ten grave zou slepen. Door minder goede verstandhouding tot de Koning-Stadhouder eerst in 1689 tot veldmaarschalk verheven, nam hij als zodanig deel aan de Negenjarige Oorlog en onderscheidde zich bijzonder bij Fleurus. Inmiddels was hij in 1683 gehuwd met zijn volle nicht (p. 88) Henriëtte Amalia, prinses van Anhalt-Dessau, die hij, toen hij in 1696 stierf, met zeven dochters en één zoon achterliet. Laatstgenoemde, JOHAN WILLEM FRISO, was toen nog slechts negen jaar oud en voor de tweede maal trad een regentes in dit gewest op. Van de bemoeiingen van prinses Henriëtte Amalia als zodanig is ons vooral het een en ander bekend geworden in verband met de zorg voor de stadhouderlijke verblijven in Friesland.
Dr. M. D. Ozinga heeft in zijn werk over de vermaarde architect Daniel Marot, de bouwmeester van de Koning-Stadhouder, wiens kunstenaarshand we terugvinden aan het Paleis-Kneuterdijk, de Koninklijke Bibliotheek, het Huis ten Bosch, de Trèves-zaal, Het Loo en Hamptoncourt, aangetoond, dat deze artist na de dood van Willem III ook belangrijk werk verricht heeft in opdracht van de Friese stadhouderlijke familie. Naar zijn aanwijzingen heeft regentes Henriëtte Amalia niet alleen in de jaren 1707-1709 Oranienstein te Dietz laten moderniseren, doch ook te Oranjewoud en Leeuwarden is hij voor haar en haar zoon Johan Willem Friso werkzaam geweest, zulks blijkens bewaard gebleven correspondentie. In elk geval werkte hij in 1707/1708 aan de binnenarchitectuur van het (nieuwe) Oranjewoud, doch met Dr. Ozinga vermoed ik, dat hij de schepper was van het daar verrezen paleis, dat we kennen uit een schetstekening van Pronk uit 1732 en uit een paar latere afbeeldingen; zoals U bekend zal zijn, zijn de beide imposante vleugels in 1803 en 1805 voor afbraak verkocht. - Het Hof te Leeuwarden onderging volgens ontwerpen van dezelfde bouwmeester ongeveer terzelfder tijd een grondige gedaanteverwisseling. De fraaie Renaissance-gevels van Oost-vleugel en middenpartij, die blijkbaar bouwvallig waren, werden gewijzigd overeenkomstig een, nog niet eerder gepubliceerde schets van Marot8 (afbeelding 1). Ook inwendig kwamen veranderingen: in plaats van de oude traptoren verrees een statig trappenhuis en de grote voorzaal werd geheel nieuw ingericht: een ontwerp-schets9 met aangewezen plaatsen voor, deels nog door Volders te schilderen, familieportretten is eveneens bewaard (afbeelding 2). Uitvoerders van deze belangrijke bouwopdrachten (p. 89) waren de vermaarde Coulons, wier naam te Leeuwarden in hun, nog vrijwel intact bewaard woonhuis voorleeft. Veel is van hun werk helaas niet meer over sinds de 19e-eeuwse verbouwingen aan het Hof. Ik vermeld nog, dat Marot er schoorstenen liet maken van Nassaus marmer, dat te Oranjewoud lag opgeslagen.
Zo waren én Oranjewoud én Leeuwarden in 1709 door de bemoeiingen van moeder en zoon gereed om in nieuwe luister de jonge bruid van de stadhouder te ontvangen. Deze laatste was, na in Franeker en Utrecht te hebben gestudeerd, reeds op 16-jarige leeftijd naar het leger vertrokken en werd in 1707 in Friesland, het volgende jaar in Groningen als erf stadhouder en kapitein-generaal ingehuldigd. Als erfgenaam van Willem III sinds 1702 Prins van Oranje, huwde hij in 1709 met MARIA LOUISE van HESSEN KASSEL. Het slagveld eiste hem echter onmiddellijk na de bruiloftsfeesten weer op en eerst nadat hij zich in hetzelfde jaar bij Malplaquet met krijgslauweren overdekt had, vond hij aan het einde van 1709 gelegenheid, zijn jonge vrouw naar zijn Heitelân te voeren. Op Oranjewoud hield het stadhouderlijk paar eerst enige dagen verblijf, werd daar door de Friese Staten verwelkomd en betrok vervolgens het vernieuwde paleis te Leeuwarden. Weinig kon men toen vermoeden, hoe spoedig aan dit huwelijksgeluk een einde zou komen! We komen thans op zo bekend historisch terrein, dat ik bij het drama van de Moerdijk, waar de prins, op weg naar Den Haag, in de golven de dood vond, niet lang behoef stil te staan. Maria Louise bleef eenzaam in het grote paleis achter met haar dochtertje, waarbij zich zes weken na 's vaders dood nog een stamhouder kwam voegen. Weer regeerde een regentes in Friesland en „Marijke Moei” is zeker de populairste van de drie geweest. Weer stond een Vegilin haar bij opvoeding, bestuur en beheer terzijde! Tot de meerderjarigheid van Willem Karel Hendrik Friso in 1731 heeft zij op het stadhouderlijk Hof geresideerd, om toen het door haar in 1728 aangekochte paleis in de Grote Kerkstraat, nog heden bekend als „Princessehof, te betrekken. 54 jaar heeft zij als prinses-douairière te Leeuwarden gewoond; zij heeft er Achter de Hoven nog een groot buitenverblijf gesticht, dat haar helaas niet lang overleefd heeft, doch waarvan de naam Marienburg ter plaatse nog voortleeft.
Toen Willem IV in 1748 erfstadhouder van alle gewesten werd vertrok het hof naar Den Haag, maar Marijke Moei bleef Leeuwarden trouw en zo bleef Leeuwarden, thans ex-residentie, (p. 90) nog „hofstad” tot zij in 1765 stierf, diep betreurd door de Leeuwarders en de Friezen in het algemeen.
Daarna bleven én het Stadhouderlijk Hof én Oranjewoud als regel onbewoond: slechts een enkele maal herleefde de oude luister, als de stadhouderlijke familie een bezoek aan Friesland bracht. En Willem IV én Willem V plachten dan de reis naar Leeuwarden per jacht naar Lemmer en verder over Oranjewoud te maken: l' histoire se répète!10
Reeds te lang heb ik beslag gelegd op Uw aandacht en ik moge dus hier, aan het einde van wat men meer eigenlijk de Friese stadhouderlijke periode zou kunnen noemen, mijn overzicht besluiten.

BIJLAGEN

Huisarch. no. 2018-29 (portef. 2018, 29-30) sub letter M.
(Vgl. Dr. M. D. Ozinga, Daniel Marot (Amsterdam, 1938), p. 218.)

Huisarch. no. 2018-29 portef. 2018, 29-30) sub letter M.
(Vgl. Dr. M. D. Ozinga, Daniel Marot (Amsterdam, 1938), pp. 218, 219.)

Huisarch. no. 2017-7 (portef. 2015-2017).

d Amsterdam ce 1 d'Oust 1709

Madame

Ayent apris souuante fois par les lestres de Coulon que Votre Altesse Serenisime me fait l'honneur de sint former de ma familles et de mon retour a la Cour m'oblige Madame a mettre la main a la plume pour lan remersier respethussemant de cest bontéz et l'auroit deja fait dé mon retour a Amsterdam. Lorsque je donnéz les bonbons a mes anfans qui les trouverent fort bons en me disen6t que papa estoit bient hureux d'estre a la Cour a faire si bonne cheves(?); ils ce proposoit d'an garder mais - le landemain ils n'ent restat gerre.
Pour ce qui est de mon depart pour Leuwaerde jespere que dant 15 jours sil plaist a Dieu je seray en disposition de partir pour ordonner les omement de la couple du grand escallier qui jespere sera assez beaux. Je vais ordonnéz une grande lanterne pour pendre dant le milieux atachéz en haut et 4 plus petittes pour mettre comme a Loo audessus des palliers. Je suis aprest a faire les balustres du dit escallier et a designer une pensséz pour le plaefond de la grande sale, ou je croït le frere de Sima deja arivéez de Lundy avec 2 compagnions pour canmancer a metre les rïttes. Je cherche toujours des charpentiers et suis enpaine dans trouver qui veuille aller an Frise; cependant il y en a deja 3 d'arivéez et jespere que celuy que gay averté hiert me tiendra sa parolle. Jay soing danvoijer tous les bois que Coulon me mande et dan ce moment je vient d'aretez du beaux bois pour faire les paneaux des lembris et pour faire les 2 portes d'antréz de la maison. Jay soing d'escrire a son Altesse Monseigneur le Prince d'Orange mais je nay point de reponce au deux lestres que je me suis donnéz lhonneur descrire a larmée ou je luy marques ou les ouvrages sont avancéz et ceque nons avons depenssée et ce que jay desseins de faire comme sont que Volders deueroit peindre les protrais (p. 91) en grand en pieds son A.T. Madame et le Defund Prince son Espous, celuy du P. Dorange et son Espousse et celuy du Roy defund d'Angleterre sur la cheminee au millieux, car cest chosses son tres necessaire car le temp caumance a nous presser. Cependant il faut que le Baumeete face getter en bas cette longue pointte de Lucame vis a vis la fenestre de V.A T S car quoy qu il ny a point de danger cela ne laise pas d'aittre fort vilain et tres desagreable estant une chosse a ne point soufrire surtout quant on viendra a bâtir la facade qui joint a la maison de Reneaud sur la place. Cest pourquoy il est temps a present car quant les vittres seront une fois misse on auroit de la paines a les conseruer. Je sulplie Votre A.TS a auoir loeul sur eest chosses et de recomander au Sr Coulon de ne point negligez les croisséez de la galleriees du petit jardin qouyqu il na gere le tempt estent presséz je laduoué a finir les appartements pour loger Leurs AT a quoy les 6 cheminéez font un trerible travaille Cependant Madame comme le Prince ma themoigné quil seroit bien aise d'auoir dans un tempts ou lans l'autre des belles cheminées et des portes, jay creu que je ne deuoit rient epargnéez nont plus que la fâcade que je croy estre Madame de votre aprobation. Et sy le grand escallier sera finy dans mon intantion comme jespere ce ne sera pas la moindre pièce de la maison. Je prie V.A.T. de vouloir mettre dans une de cest lestre cette inclosse pouven avoir plus tot reponce de S A T.M. le Prince.
Je prand la libertée de présenter mes sivillitéz a Mesdames les Princesses vos soeurz estant comme a Votre Altesse Serenisime.

Madame
le tres humble et tres soudmis serviteur
(w.g.) Daniel Marot.

Je prand la liberté de filiciter V.A.T. sur la prise de Tournay et dan peut de la redition du chateau. Voisy la moitie de la campagne passé et Dieu a conserué notre cher Prince et jespere que ce meme Dieu le conseruera jusque a la fin et le ramennera en joye avecque sa charmentes princesse dant la maison que nous luy batison a Leuwaerde a son contentement et a la uotre. Amen.

Noten

1) Thans in bruikleen op het Friese Rijksarchief aanwezig.
2) Fr. stadh. arch. no. 280-22, juni 1585.
3) Verg. ook: A. L. Heerma van Voss, Een aloude Residentie is weer bewoond, in: Nieuw Friesland, 2e Jrg. no. 44, 15 mei 1948.
4) Verg. J. H. Goslings-Lysen in: Leeuwarden 1435-1935, Leeuwarden, 1935, 210.
5) A.v. (noot 4), 203-205.
6) Koopakte proclamatieb. Schoterland Q. 13 f 4 en decreetb. v. d. Hove III. 19.
7) Verg. het art. van noot 4, 212-213.
8) In een brief van hem aan de prinses-douairière d.d. l aug. 1709 (Kon. Huisarch. no. 2017-7, portef. 2015-2017). De reproductie van deze en de volgende tekening geschiedt met vriendelijke toestemming van de Directeur van dit archief.
9) In brief van Marot aan de stadhouder d.d. 19 juni 1709 (a.v. no. 2018-29, portef. 2018, 29-30; sub letter M).
10) De route van het prinselijk gezin werd ook in 1947 ten dele per jacht afgelegd en voerde o.a. van Lemmer Noordwaarts.