J.T. Nielsen

In zijn Kort Vertoog van den Staat en de Geschiedenissen der Kerke des Nieuwen Testaments, gedrukt en uitgegeven door Pieter Koumans, Stads-Drukker en Boekverkoper in de Peperstraat, in de Jonge Ruyter te Leeuwarden, 1771, schrijft de bekende Foeke Sjoerds in de Voorrede bij de tweede druk een „nader vertoog aangaande de Sociëteit der Doopsgezinden, Oude Vlamingen genaamt”.
Het loont de moeite kennis te nemen van wat deze dorpsschoolmeester, die aanvankelijk schoenmaker was geweest, geboortig in Ee in 1713 en gestorven in zijn woonplaats Ooster-Nijkerk in 1770, in zijn „nader vertoog” te berde brengt.
Hij deelt mee, dat hij in zijn Beschryving van O. en N. Friesland, deel II uitvoerig gehandeld heeft over de „Leer en Zeden van dat zoort der Mennoniten, die men OUDE VLAMINGEN noemt” en dat hij voor zijn beschrijving gebruikt heeft gemaakt van het boek van S.F. Rues, luthers predikant te Hamburg, getiteld Tegenwoordige Stoet der Doopsgezinden of Mennoniten in de Vereenigde Nederlanden (1745). Rues had in 1741 vele Doopsgezinde Gemeenten in ons land bezocht en beschrijft in zijn boek uitvoerig - naar de stijl van die tijd - de verschillende soorten Doopsgezinden, die ons land toen telde; hij vermeldt de gebruiken, die bij hen in omloop waren.
Rues moet een gezaghebbend man zijn geweest; de beschrijving, die hij geeft van de verschillende gebruiken bij de Doopsgezinden in ons land, is niet alleen voor de Friese schoolmeester-historicus Foeke Sjoerds normatief geweest, ook de helaas te vroeg gestorven prof. dr. Nanne van der Zijpp sluit zich in zijn voortreffelijke studie Geschiedenis der Doopsgezinden in Nederland (Arnhem, 1952) zonder critiek aan bij de mededelingen van Rues, wanneer deze betrekking hebben op de gebruiken, die bij de Oude Vlamingen in zwang waren.
Foeke Sjoerds excuseert zich als volgt:

„Ik had reden te geloven, dat die geleerde Heer (bedoeld is Rues ), geduurende zyn lang verblyf in Holland, en zyn ommegang met veele geleerde en aanzienlyke Doopsgezinden, genoegzaam aangaande den staat dier Sociëteit (die der Oude Vlamingen) onderregt ware (p. 106) geworden: ik bespeurde in dien Schryver zo veele blyken van bekwaamheid, kundigheid, oordeel en opregtheid, dat ik niet kon nalaten, ter goeder trouwe hem te volgen: hier kwam by, dat ik ter plaatze myner wooninge geen de minste gelegenheid had om my mondeling nopens dit stuk te laten onderregten, alzo hier geene personen van die gezintheid gevonden worden”.

Wat Foeke Sjoerds over de Waterlandse en Friese Doopsgezinden had geschreven, had hij ter beoordeling voorgelegd aan „eenige kundige Leeraars en Leden dier gemeente te Leeuwarden” - waardoor enkele veranderingen en nieuwe formuleringen nodig waren geweest -, maar zijn raadslieden hadden hem over de Oude Vlamingen niets kunnen vertellen, zodat Foeke Sjoerds in zijn Beschrijving van O. en N. Friesland (deel 2) in 1768 volledig afgegaan is op wat Rues over de Oude Vlamingen meedeelt. Na omstandig clementie te hebben ingeroepen, vermeldt Foeke Sjoerds, dat hij „kort na het uitkomen van het tweede Deels tweede Stuk myner Beschryving van O. en N. Friesland” een „zeer beleefden Brief van iemant, die zig noemde een mede Opziener in de Doopsgezinde gemeente der Oud Vlamingen” had ontvangen. Hij had zijn naam niet vermeld, maar geschreven dat hij bereid was de nodige correcties te willen verschaffen betreffende de Oude Vlamingen.
Deze anonimiteit bevreemdt ons hedentendage, aangezien de Doopsgezinden en dus ook de Oude Vlamingen in de 18e eeuw van de kant van de overheid geen gevaar meer te duchten hadden. Was het pure beleefdheid of bescheidenheid om zich alleen, wanneer de ander dat wenste, bekend te maken? Wij kunnen het laatste vermoeden, afgaande op de bewoordingen van Foeke Sjoerds. Bevreemdend blijft echter, dat ook na het persoonlijk contact geen naam wordt genoemd. En dat, terwijl „die Heer my niet alleen deszelfs naam en character bekent maakte, maar ook, dat er zedert eene opregte vriendschap tusschen zyn Ed. en my uit geboren is”. Waarom die voortgezette anonimiteit? Foeke Sjoerds meldt, dat de brief van de mede Opziener in de Doopsgezinde gemeente der Oude Vlamingen vergezeld ging van een Geloofsbelijdenis, die volgens het besluit van een algemene Sociëteitsvergadering der Oude Vlamingen in 1755 was uitgegeven en te Groningen gedrukt. Dit moet de Geloofsbelydenisse der Doopsgesinden, bekent onder de naam van Oude Vlamingen zijn geweest. De eerste druk van 1755 werd in 1774 gevolgd door een tweede, in 1805 verscheen een derde, terwijl (p. 107) een nog latere editie, overigens zonder plaats van verschijning en zonder jaartal, een toevoeging bevat: Vragen aan de dopelingen met derzelver antwoorden opgesteld door C.P. Sorgdrager.
Volgens mededeling van de vriend van Foeke Sjoerds telden de Oude Vlamingen 32 Gemeenten, toen de Belijdenis werd opgesteld. Afgaande op de mededeling in The Mennonite Encyclopedia (IV, p. 595 s.v. Groningen Old Flemish Mennonites) waren er in 1710 33 Gemeenten, die zich tot de Oude Vlamingen (in Groningen ook Ukowallisten geheten) rekenden: 15 in Groningen, 4 in Oost-Friesland, 5 in Friesland, 4 in Overijssel, 5 in Noord-Holland, 2 in West-Polen.
De teruggaande lijn in het aantal Gemeenten der Oude Vlamingen is dus ook in de periode 1710-1770 voortgezet, immers in de voorafgaande 17e eeuw waren 19 Gemeenten der Oude Vlamingen - 10 in Groningen, 5 in Friesland, l in Oost-Friesland, l in Overijssel, evenals de Gemeente in Amsterdam en in Middelburg - verdwenen of overgegaan naar andere Doopsgezinde Gemeenten.
Uit de Geloofsbelijdenis van 1755 blijkt, dat men de geloofsstukken van deze Gemeenten niet openbaar in druk, maar alleen in geschrift voorhanden had, waardoor buitenstaanders vaak onvoldoende indruk hadden van wat er bij de Oude Vlamingen werd geloofd. Ook werd onvoldoende gelet op „onderwys boekjes van particuliere personen”, waardoor een onjuist beeld werd gevormd en opvattingen aan de Oude Vlamingen werden toegeschreven, die niet met de werkelijkheid klopten. Vandaar dat deze Geloofsbelijdenis het licht zag.
Foeke Sjoerds meent te mogen concluderen uit het voorwoord op de Geloofsbelijdenis der Oude Vlamingen, dat ze („dit zoort van Doopsgezinden”) niet al te strak staan op de letter van de Belijdenis („de verbindende kragt hunner belydenissen voor Leeraars en Ledematen, niet zeer styf trekken”). Hij vindt dat de oorzaak voor de verdeeldheid onder de Christenen, want „men moet den zin der waarheid uit de H. Schriften zelve halen, en alleen op haar uitspraak, in 't stuk van den Godsdienst, staan of vallen: ook moet men uit Gods onfeilbaar woord alle verschillen beslegten, en altoos in 't midden leggen, de Heilige en onbesmette Evangeliën van onzen Heere Jesus Christus; hetwelk in de Godvrugtige Kerkvergaderingen der Christenen pleeg te geschieden”.
Maar dat mag geen voorwendsel zijn om te gaan tornen aan (p. 108) de officiële kerkelijke leerstukken: „de vastgestelde en goedgekeurde formulieren van eenigheid, en de wel beproefde Geloofsbelydenissen, welke uit Gods woord genomen, en met de Schrift overeenstemmende, banden van kerkelyke eenigheid, kenteekenen van regtzinnigheid, sluitbomen tegen ketteryen, en dwangmiddelen voor dertele verstanden zyn”.
Het is onjuist - aldus Foeke Sjoerds - om deze te zien als „overblyfzelen van den Babylonischen toorenbouw”, want niet het gezag der geloofsbelijdenissen verbindt allen, die Christenen willen heten, maar het gezag van Gods Woord. Vrijwillig kan iemand de „ingevoerde belydenis” aannemen en even vrij staat het hem, als hij er zich niet meer mee kan verenigen, tot een ander kerkgenootschap over te gaan.
Foeke Sjoerds meent deze opmerking wel te moeten maken, want het niet-vasthouden aan de bekende geloofsbelijdenissen is de oorzaak van verdeeldheid.
De eerste correctie, die Foeke Sjoerds op gezag van zijn vriend, de medeopziener in de Gemeente der Oude Vlamingen, vermeldt, is van dogmatische aard. Het betreft het leerstuk van de menselijke natuur van Christus. In navolging van Rues had Foeke Sjoerds geschreven, dat de Oude Vlamingen leerden, dat „de menschelyke natuur van Christus in 't lighaam van Maria van God uit niet geschapen zy, maar dezelve daar na haar aanwas uit het bloed der gezegende maagt bekomen heeft”. Rues had er nog aan toe gevoegd, dat de Oude Vlamingen met dit leerstuk zeer hoog lopen. Maar de Belijdenis van de Oude Vlamingen spreekt een heel andere taal:

„Welke (namelyk de Middelaar Jesus Christus) bleef het geen Hy was, naamlyk God en Gods Zoon, dog door de kragt des H. Geestes en de geboorte uit de Maagt Maria ook wierd wat hy niet was, te weten ware Mensch, ons in alles gelyk, uitgenomen de zonde”.

De tweede correctie betreft het herdopen, zowel van hen, die als kind reeds gedoopt zijn als van diegenen, die als volwassenen in een andere Gemeente gedoopt zijn, bij hun toetreden tot de Gemeente der Oude Vlamingen. Ook dit „misbruik hunner Voorvaderen” is op een generale Sociëteitsvergadering in 1745 te Groningen geheel verworpen.
De derde correctie spreekt over de voetwassing. Ook weer op gezag van Rues had Foeke Sjoerds medegedeeld, dat de Oude Vlamingen de voetwassing in ere hielden. Het was bij de (p. 109) Groninger Oude Vlamingen een „kerkgebruik”, zoals Rues het noemt. Ook N. van der Zijpp volgt de beschrijving, die Rues van de voetwassing geeft zonder meer (a.w. p. 119).
De Geloofsbelijdenis der Oude Vlamingen spreekt alleen van:

„Waar by wy ook EERBIED hebben voor de (van Jezus aan zyne Discipels by 't Avondmaal gebruikte, en onderling bevolene) VOETWASSCHING”.

Foeke Sjoerds deelt volgens het bericht van zijn vriend mee, dat „tegenwoordig de Voetwassching in verre de meeste gemeentes niet meer geoeffent wort”.
Over het gebruiken van geweld en wapenen blijkt Rues wel een juiste weergave van het standpunt der Oude Vlamingen te hebben gegeven. Foeke Sjoerds bericht, dat zij „ten aanzien van den geweldigen tegenstand en 't gebruik der wapenen, zeer naauwgezet zijn, gelovende dat een Christen zig nooit tegen onrechtvaerdig geweld verzetten mag, maar dat hy zyne goederen, vryheid en leven den vyanden moet overlaten, als hy aangevallen wort”. Inderdaad, zo schrijft Foeke's vriend, mogen zij „geen geweldige wederstand doen” en de Geloofsbelijdenis der Oude Vlamingen vermeldt op dit punt, dat ze „zig te onthouden hebben van alle Wederwraak, en alles wat tegen de Christelyke Weerloosheid en Zagtmoedigheid stryd”.
Op de wat spottende vraag van Foeke Sjoerds, waarom het niet geoorloofd is goederen te laden in schepen, die met „grof geschut gewapent zyn”, maar wel te wonen in „bebolwerkte Steden”, antwoordt zijn Oud-Vlaamse vriend, die zich hier ontpopt als een reder, zelf in het bezit van een schip, dat met „zes stukjes of draaibassen” is voorzien, dat dergelijke detailvragen niet zo nauw genomen worden. Het principe van deze zakenman botste blijkbaar niet met zijn geloofsinzichten.
Over Doop en Avondmaal volgt de vierde correctie. Op gezag van Rues had Foeke Sjoerds medegedeeld, dat alleen de Oudsten of Bisschoppen gerechtigd waren Doop en Avondmaal bij de Oude Vlamingen te bedienen en de nieuwgekozen Oudsten met handoplegging in te zegenen en dat alleen een Doop of Avondmaalsbediening wettig was, wanneer deze door een der Oudsten was verricht. Ook N. van der Zijpp volgt bij de beschrijving van de Doop bij de Oude Vlamingen de mededeling van Rues zonder voorbehoud (a.w.p. 115). Maar Foeke's vriend, mede-opziener in de Gemeente der Oude Vlamingen en reder van een bewapend (p. 110) schip schrijft, dat „dit gantsch hunne meening niet is”, dat hij reeds twintig jaar lid is van de Gemeente der Oude Vlamingen en door „hunnen gewoonen Leeraar gedoopt is”. Wel voegt de vriend eraan toe, dat het „volgens eene Sociëteitsresolutie, van den agtsten Juny 1755, binnen Groningen gehouden, aan die Eerwaerdige mannen vriendelyk is toegestaan, om, daar men hen begeert, te doopen, en Leeraars en Diakenen in hunnen dienst te bevestigen”. De Geloofsbelijdenis der Oude Vlamingen vermeldt op dit punt niets.
Gevoelige tenen worden geraakt op het stuk van de ban. Rues had er uitvoerig over geschreven, Foeke Sjoerds minder. Desondanks moet Foeke's vriend zich gekwetst hebben gevoeld, want zijn overigens milde en gematigde brief-toon schijnt vinnig te zijn geweest, toen het ging over de ban. Maar Foeke Sjoerds geeft geen krimp. Het mag zijn, zo zegt hij, dat „die gestrengheid onder de Sociëteit, in deze Provincie niet goeffent wort”, maar dat ze elders wel bedreven wordt, staat voor hem vast en hij beroept zich op Brandt en andere schrijvers.
Vervolgens komt de kleding van de Oude Vlamingen ter sprake. Foeke Sjoerds weet en hij deelt dat als een algemeen bekend feit mee, dat de Doopsgezinden over het geheel en in het bizonder ook de Oude Vlamingen niet zo ingetogen zijn als hun voorzaten. „De weitsche klederen, fyn linnen, huisgeraden, schilderyen, kostbare porceleinen, zilvere gaspen op de schoenen, paruiken, en veele andere zaaken, die voorheen met den ban bestraft pleegen te werden, zyn thans onder dit genootschap overvloedig te zien, en strekken ten bewyze, datze hunne voorgaande strengheid vry veel hebben afgelegt; ten minsten hier in de Nederlanden op veele plaatzen”.
Foeke's vriend bericht, dat in zijn Gemeente de gehele kerkeraad en vele broeders met „paruiken gedekt” zijn, dat de meesten zeer wel gekleed zijn. Hij vindt dat een bedenkelijke zaak en Foeke is dat met hem eens, maar hij heeft in Groningen en in de Ommelanden mensen gevonden, die aan hun oude zeden en gewoonten vast hielden. Hij meent, dat dezen „onder de zogenaamde Dantziker Oude Vlamingen tehuis hooren”, maar zo vervolgt hij „of dat verbazend uiterlyk onderscheid is toe te schryven aan het verschil van min of meer gestrenge kerktugt, kan ik niet met zekerheid zeggen”.
Over de buitentrouw - het huwelijk met een niet-Doopsgezinde (p. 111) geeft Foeke Sjoerdt een nadere precisering op grond van de brief van zijn vriend. De Geloofsbelijdenis der Oude Vlamingen vermeldt:

„Wy belyden dat God voor altyd, (schoon niet volstrekt voor ieder een) heeft ingestelt het Huiwlyk; dat geen Gelovige met een te na bestaande, nog met een Ongelovige mag beginnen; maar 't welk bestaat in de allernauwste Vereeniging alleen van twee gelovige Persoenen; die ook noyt om iets anders als Overspel mogen scheiden”.

Wie zijn de ongelovigen in die tijd? Joden, Heidenen en Turken, zo meldt Foeke, maar zijn vriend voegt er nog aan toe: de leden van de Roomse kerk, maar „geene van de Protestantsche gezintheden; ten ware, zy zig door een ergerlyk leven, leere en gedrag, als ongelovigen mogten vertoonen”. Foeke voegt er op zijn beurt aan toe, dat het hem verwondert, dat op de lijst van ongelovigen niet de Socinianen voorkomen, „tegen welker onchristelyke leeringen de Sociëteit dezer Doopsgezinden, zig in hare belydenis vry bondig verklaart”.
Dat geleerdheid bij de Oude Vlamingen niet bijster in tel was, is bekend. Foeke had medegedeeld, dat „die by hen aangemerkt werd, als eene lighamelyke oefening, die weinig nut doet”. Oudsten en Leraars behoeven niet te beschikken over een uitgebreide geleerdheid, maar zij moeten ervaren zijn in de Heilige Schrift, in de leerstukken en een „onstraffelyk leven” leiden. Foeke had ook vermeld, dat het bij de Oude Vlamingen ongeoorloofd was, dat „een jongeling zig op de Hooge School begeve”. Dat is juist, schrijft Foeke's vriend, alleen het is niet ongeoorloofd om naar de Hooge School te gaan - dat mag dus! - maar wel geldt geleerdheid voor onze leraars niet als noodzakelijk. Foeke Sjoerds vindt dat een kwalijke zaak: „In tegendeel leeraart de bevinding, hoe schrale Predikers het zomtyds zyn, die zelf weinige geleertheid bezittende, zig niet of weinig van geleerde Schriften bedienen: wier boekvertrekken met een zeer gering huisraad voorzien zyn, of die te traag en vadzig zyn, om 'er gebruik van te maken”.
Een bezoldiging ontvingen de Doopsgezinde leraars niet. Foeke deelt mee, dat „de Oude Vlamingen het ongeoorlooft pleegen te agten, voor de waarneeming van het Leeraarampt eenige wedde te geven of te nemen, dan alleen in gevalle van armoede, en zulks by wege van vrywillige gaven, even als aan de armen in nood worden uitgedeelt”. (p. 112)
Maar ook op dit punt corrigeert zijn vriend hem, wanneer hij schrijft, dat „meer dan eene gemeente hare Leeraars tractement geve”.
Ten aanzien van de ecclesiologie liggen de zaken ook even anders dan Foeke in zijn eerste druk heeft gesteld. De Belijdenis der Oude Vlamingen spreekt over de „Onzigtbare en Zigtbare Kerk” als volgt:

„Wy belyden dat Jesus Christus, als 't Hoofd der Kerke, altyd gehad heeft, nog heeft, en tot aan des werelds voleynding hebben zal, eene eensdeels zigtbare, dog anderdeels onzigtbare, heerlyke Gemeente, die zonder vlek, of rimpel, of iets diergelyks, maar heilig en onberispelyk is: welke om de nauwe vereeniging met haar Hoofd en Leden, te regt genoemt wordt een Huis en Woonstede Gods: de Bruid des Lams, en Christus Lighaam: schoon zy (zo wel als de wyze onder de dwaze Maagden) leven in de uiterlyke Kerkgemeenschap met veele, die niet anders als de gedaante der Godzaligheid hebben”.

Foeke is het daar volkomen mee eens en hij zegt, dat de Oude Vlamingen, evenals de Hervormde godgeleerden, de ware kerk alleen uit waarachtige gelovigen achten te bestaan, die op grond van hun belijdenis, godsdienstige „openbare pligten, en uitwendige gemeenschap” zichtbaar is en ten opzichte van hun verborgen leven voor den Heer, onzichtbaar is. Foeke verwijst hier naar de Nederlandse Geloofsbelijdenis, art. XXVII-XXIX.
Met betrekking tot het punt van het „stil of stemmelijk gebed”, zegt Foeke Sjoerds, dat hij geschreven heeft, dat de Oude Vlamingen in hun godsdienstoefeningen gewoon zijn hun gebeden stilzwijgend te doen, zowel voor als na de prediking. Maar Foeke's vriend corrigeert ook deze mededeling door te schrijven, dat „thans in meest alle de gemeentens twee stemmelyke gebeden worden gedaan, zonder knielen; dog dat 'er eenige gemeenten zyn, die de stille gebeden beter houden”.
Tenslotte vermeldt Foeke Sjoerds de vragen aan de Dopelingen, welke dezen met JA hebben te beantwoorden. Deze vragen zijn - aldus Foeke - toegevoegd achter de Geloofsbelijdenis van 1755.
Het zijn er vier, terwijl N. van der Zijpp melding maakt van drie (a.w. p. 115). Maar niet alleen het aantal, ook de inhoud van de vragen is verschillend. N. van der Zijpp beroept zich op Rues, terwijl Foeke Sjoerds de tekst van de vragen aan de Geloofsbelijdenis ontleent.
„Synoptisch” naast elkaar gesteld, krijgen we dit beeld: (p. 113)

Geloofsbelijdenis van 1755:N. van der Zijpp (= Rues):
Vraag 1:
„Of gy ook belyd, dat daar is een eenig GOD, bestaande in Vader, Zoon en Heiligen Geest, met zodanige Deugden en Volmaaktheden, als in onze Geloofsbelydenis uit de Heilige Schrift is aangetoont. Erkennende ook dat gemelde H. Schrift van een Goddelyke oorsprong is: en dus een regel van ons geloof en wandel”?
Gelooft gy dat?
 
Vraag 2 :
„O gy ook belyd, dat gy u door menigerlei overtredingen, in gedagten, woorden en werken, tegens God uwen Schepper hebt bezondigt, met een hertelyke leedweezen over dezelve, begeerende vergevinge by God, door het volmaakte Soenoffer van Christus?”
Wat zegt gy daar op?

„of hun alle zonden van harte leed zijn?”
Vraag 3:
„Of gy ook belyd, dat Jezus Christus is de Eeuwige en Eenig geborene Zoone Gods, zynde ons van den Vader geschonken, tot onze eenige Propheet, volmaakte Hogepriester, en Eeuwige Koning: om volkomen Zalig te maken, alle die door Hem tot God gaan. En of gy hem ook tot zulk een einde begeert, u met eene ook, onder een afkeer van alle zonden, aan Hem opdragende, om niet u zelven te leven, maar voor Hem, die voor ons gestorven en opgewekt is?”
Wat antwoord gy hier op?

„of zij geloven, dat Jesus van Nazareth de Zoon van den levenden God zij?”
Vraag 4:
„Of gy ook het Hooftzakelyke dier geloofsbelydenis, waar van gy onderwezen zyt, met ons voor Schriftmatig erkent, en ook met ons verhoopt in (p. 114) vrede te beleven, en of gy dan daar op van my begeert te ontfangen den Christelyken Waterdoop, in den name des Vaders, ende des Zoons, ende des Heiligen Geestes?” Wat zegt gy daar op?

„of zij aannemen, dat de leer dezer gemeente met den woorde Gods eenstemmig zij?”

Zowel Foeke Sjoerds als N. van der Zijpp wijzen erop, dat op elk der vragen afzonderlijk met „JA” dient te worden geantwoord. Daarna kan „de bediening des Doops voeglyk dus geschieden”, aldus Foeke Sjoerds. N. van der Zijpp vermeldt, dat de Oudste van onder zijn stoel een kleine stenen kruik of kan neemt, die met water is gevuld. Hij houdt deze in zijn linkerhand en legt zijn rechterhand op het hoofd van de dopeling. Op zijn belijdenis - die hij kort herhaalt - en op zijn eigen begeerte, doopt hij hem in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest. Terwijl hij deze woorden spreekt, houdt hij de kruik of kan boven het voorhoofd van de dopeling en licht dit driemaal op, zodat tot drie keer toe water uit de kruik op het hoofd van de dopeling vloeit. Na een korte vermaning reikt hij de gedoopten de hand, richt hen op, de een na de ander, noemt hen, na hen gekust te hebben, lieve Broeder of lieve Zuster en verwelkomt hen met een geestelijke gelukwensing (a.w.p. 115).
Foeke Sjoerds geeft de tekst van het formulier op grond waarvan de Doop plaatsvindt:

„Op de bekentenisse uwes Geloofs, en op de belydenisse uwer zonden, met een voornemen des herten, om u, door de Genade Gods van alle gekende zonden af te keeren, en aan God en onzen Zaligmaker over te geven, om aan zynen wille onderworpen te zyn. Begerende daar op den Waterdoop te ontvangen, zoo Doop ik u in den Name des Vaders, ende des Zoons, ende des Heiligen Geestes, wenschende dat Christus zelve u met den Heiligen Geest en vyer Doope, en uw goede voornemens door zyn genade bevestige”.

Foeke Sjoerds moge minder omstandig de situatie bij de Oude Vlamingen beschreven hebben dan Rues, wel omstandig is hij in zijn verontschuldigingen, waarom hij - te goeder trouw - onjuiste mededelingen over deze Doopsgezinden heeft gedaan. Andere Doopsgezinde groeperingen hadden hem over hun geloofsaangelegenheden goed geïnformeerd, „maar het genootschap der Oude Vlamingen schynt wat schaars van Schryvers voorzien te zyn, althans 'er zyn my geene voorgekomen, die my van eenigen (p. 115) dienst konden zyn. Had ik hunne gedrukte Belydenis eerder gehad, ik zou 'er my van bedient hebben”.

Wij mogen blij zijn met deze correcties, die Foeke Sjoerds heeft aangebracht in de tekening van de Oude Vlamingen in de 18e eeuw. Al te zeer was deze tekening bepaald door de eenzijdige voorstelling van zaken, ons gegeven door S.F. Rues. Of hij daarbij ook voldoende aandacht heeft besteed aan de wat „afgescheiden” Oude Vlamingen?
In ieder geval wordt het beeld van hen, door Foeke Sjoerds geschetst in zijn tweede druk van Kort Vertoog . . . (1771) en gebaseerd op een uitvoerig schrijven van een mede-opziener in een Gemeente der Oude Vlamingen zelf, vrij wat genuanceerder.
Moge deze Doopsgezinde groepering, afgescheiden omstreeks 1630 van de Vlamingen omdat zij een samengaan van de Vlamingen met andere Doopsgezinde groeperingen verwierp, zoals in 1610 in Harlingen was gebeurd, tot de stijle Doopsgezinden gerekend werden (zeker in de 17e eeuw), in de loop van de 18e eeuw - zo wordt uit de correctie van Foeke Sjoerds wel duidelijk - breken ook onder de Oude Vlamingen andere, minder strakke opvattingen door.
De oudste opgave van het aantal Oude Vlamingen dateert van 1710 en vermeldt, dat er 2500 gedoopte leden waren; dit aantal is in 1767 verminderd tot 1280 en in 1800 zijn er nog 800 over; In 1815 wordt de Sociëteit der Groninger Oude Vlamingen opgeheven. De overgebleven Gemeenten zochten en vonden aansluiting bij andere Doopsgezinde Gemeenten.

Geraadpleegde literatuur

Foeke Sjoerds, Kort vertoog van den Staat en de Geschiedenissen der Kerke des Nieuwen Testaments, van Christus geboorte tot op den tegenwoordigen tyd. Tweede druk, Leeuwarden, 1771.
N. van der Zijpp, Geschiedenis der Doopsgezinden in Nederland, Arnhem, 1952.
Idem, art. Groningen Old Flemish Mennonites en art. Groninger Doopsgezinde Sociëteit, in The Mennonite Encyclopedia, vol. II, p. 595-597, 1956.
Encyclopedie van Friesland, art. Foeke Sjoerds, Amsterdam-Brussel, 1958.