Dr. O. Postma

Met de „gouden eeuw” wordt in de regel de 17e eeuw bedoeld, maar het is toch vooral de eerste helft daarvan, die deze naam verdient.
Prof. Brugmans zegt in zijn boek „Het staatkundig en maatschappelijk leven der Nederlandsche steden”, dat vooral de periode van Frederik Hendrik zo genoemd mag worden en De Boer in zijn artikel „De Friesche Kleiboer” (Twee-maandelijksch Tijdschrift 1898) noemt de periode van 1600 tot 1665 een voorspoedige tijd in Friesland, en dan vooral onder invloed van de welvaart in Holland. Brugmans geeft o.m. een lijst van de opbrengst van de belastingen op de tolkantoren, uit welke blijkt, dat deze het hoogst was in 1643.
Voor Friesland kunnen we hieraan toe voegen, dat de opbrengst van de stadsdaler (een belasting op het bier) in Makkum en in Hindeloopen het hoogst was respectievelijk in 1656 en 1646. En uit de huurboeken van de adellijke families Aebinga en Cammingha blijkt, dat de huren der boereplaatsen toenamen tot omstreeks 1665, welk jaar ook door De Boer wordt genoemd. Het schijnt wel, dat deze voorspoedige tijd ook een zekere loszinningheid meebracht op het gebied van kopen en betalen. Wij zullen daarvan iets kunnen zien door het bekijken van enige inventarissen uit die periode en het ligt wel voor de hand, dat wij hierbij vooral denken aan de inventarissen van kleer- en manufactuurwinkels.
Wij beschouwen eerst een winkel in een stad en wel een te Franeker in 1623. Het gaat over de nalatenschap van Sytze Joannis Werstins.
Wij lezen dan:
„Inventaris 9 en 10 Novembris 1623 gemaeckt bij Dirck Obbe zn. praesiderende burgemr. binnen Franeker daertoe bij den gerechte geordonneerde commissaris ende mij Kempe Jacobi Duynterp notaris publyck. ende clercq van de secretarije der stede Franeker van alle alsulcke goederen die ten huyse van Sytze Joannis Werstins zijn bevonden ten praesentie van Magdalene Eelcke dochter weduve van Sytze Joannis Werstins gesterckt met D'Joncker Hessell van Hermana haer vertroude vriendt ende (p. 156) Joannitis Menaldum hoffs van Frieslant gecommitteerde advocaet sampt van Syurdt Hendrix als curator totte ontscheydinghe ouer Tryntye Hendrix dochter....” (en verdere erfgenamen).
De inventaris begint niet, zoals in de regel wel het geval is, met het aanwezige goed, maar met de inschulden en uitschulden. De inschulden zijn vele, en daarom is het ons nu juist te doen. Het begint met 27 bladzijden „boeckschulden”, schulden in het boek staande, waarbij op elke bladzijde 14 à 15 namen genoemd worden; dan volgen er 5 bladzijden „huyspachten”, welke voor ons niet van belang zijn, en daarna nog 8 bladzijden met „brieven, obligaties en andere instrumenten”. Dit zullen wel schulden zijn, die eerst in het boek gestaan hebben en waarvan later een schuldbekentenis is gegeven.
In het boek staan grote en kleine bedragen; het grootste bedrag is dat van Jr. Hessel Raes de Vervou, grietman van Franekeradeel, n.l. 1337 car. gl., maar er staat nog direkt bij: „voor denzelfde 363-7-0 car. gl.”! Eveneens met twee bedragen komt voor D' heer Frans Jongema, n.l. 346-10-0 en 326-1-8 car. gl. Dan volgen Jr. Tyerck van Heerma, grietman van Menaldumadeel, met 506-0-10, Juffr. Doutzen van Hottingha te Tzum met 383-13-8, Juffr. Rixt van Heringha met 348-17-8, Jr. Hero van Hottingha weese ende erffgen. met 307-10-0 car. gl. En dit zijn dan nog alleen de posten boven 300 car. gl.
Als wij „D'heer” ook als „Jonker” mogen opvatten, waren dit allen lieden van adel - die schenen in het bijzonder op fraaie kleren gesteld te zijn. In de winkel wordt ook nogal veel fluweel en satijn genoemd.
Maar er staan ook zeer kleine schulden in het boek. Zo is er een Jelle Jelles met een schuld van 9 stuivers, een Gerrijt Snijder met 0-7-8, en, nog lager, Schelte Cornelis Koperslager met 0-3-0 car. gl. De woonplaats van de schuldenaren wordt er slechts zelden bij genoemd; de moesten zullen wel in de stad zelf gewoond hebben.
Wij komen nu tot de obligaties of schuldbrieven. Daar staat weer dezelfde grietman van Franekeradeel bovenaan. Wij lezen: „holdende op Jr. Hessele Raes de Vervou ende Juffr. Sjouck van Ockinga (zij schijnt de vrouw van de grietman te zijn) de somma van twee duysent caroli gulden de dato den 7den Juny 1615 waarop de interessen zijn betaelt tot den 1en May 1617”. De jonker is dus nog zes jaar achter met het betalen van rente …
Hierna volgt: „noch een oblig. op Vervou ende Ockinga van (p. 157) 1000 ggl.” Hier zijn het goudguldens (= 1,4 car. gl.) en ditmaal is de titulatuur achterwege gelaten, al schijnt van dit bedrag (van dezelfde datum als het vorige) de helft afgelost te zijn. Dan blijft er toch nog een schuld van 2700 car. gl. over en, als wij dan nog denken aan de 1337 en de 363 car. gl. in het boek, dan blijft er nog een aardig kapitaaltje te vorderen - vooral als we daarbij bedenken, dat één gulden destijds heel wat meer betekende dan in de tegenwoordige tijd.
Dit bedrag is ook hoger dan het bedrag bij het boelgoed uit de winkelgoederen gemaakt. Weliswaar is dit laatste niet zo gemakkelijk te bepalen, maar het ligt zeker niet boven de 4000 car. gl.
De weduwe winkelierse schijnt wel op goede voet te hebben gestaan met de adel, wat ook al blijkt uit het bovengenoemde feit, dat zij een jonker tot „vertrouwde vriend” had. Wij zullen ons discreet onthouden van speculaties ten aanzien van de hoedanigheden van de weduwe Werstins, maar we willen tenslotte wel even vermelden, dat het totale bedrag van de uitschulden 2378-11-12 gl. is, waarvan de helft in Amsterdam staat. Waarschijnlijk wonen daar de voornaamste leveranciers der goederen.

II

Wij zullen na dit voorbeeld uit de stad een dorpswinkel beschouwen en wel een manufactuurwinkel te Kollum.
Kollum heeft ook wel iets van een stadje, maar het is geen Franeker en een belangrijk verschil met die stad is hierin gelegen, dat wij te Kollum weinig van een adel merken, terwijl in Franeker en omstreken vrij veel adel zijn woonstee heeft.
In Kollum dan vinden wij in 1629 een inventaris, die ons wel iets zegt. Wij lezen daar:
„Inventarisatie ende beschrijvinghe gedaen ende genomen bij dr. Hayo van Rinia grytman van Collant ende dat nyeue Cruyslandt ten versoecke van.... tsaemen erfgenamen van W. Dyeuer Geerts dr. haer moeder ende respectieve beste moeder ende dat van den sterfhuyse ende goederen bij gemelte Dyeuer metten doot ontruymet ende nagelaten” (28 may 1629).
Deze goederen worden aangegeven door Popcke Wadman „de gemelte Dyeuer Geerts gewesene echteman in wiens bewaringe de goederen dus lange zijn geweest”. Eerst komt het huis: „het erffhuys met noch zeeckere eiggene huysinge staende (p. 158) ende gelegen binnen Collum opt oest van de pyepe op 't suyd van de straete, hebbende de vorn. beyde huysingen als aen malcanderen gelegen zijnde Trijn Eeucke drs. huysinge ten westen en Jacob Arents ten oosten ten naesten”. Het is dus een dubbel huis.
Dan wordt er ook nog 16 pondematen land genoemd en daarna komt de inboedel. Er blijkt naast de kledergoederen ook nog al wat graan te zijn; in die tijd werd dikwijls tegelijk in zeer verschillende goederen handel gedreven. Dit graan wordt geschat op 1477 gl.
Vervolgens komen de manufacturen uit de winkel. Van de lappen wordt de lengte en de prijs opgegeven. Wij noemen b.v.: „103 ellen bay soe swart als rood de ellen 28 st, maeckt 144-4-0 en 98 ellen wit bay ende platsen d'ellen 10 st 8 p. maeckt 51-9-0”. In totaal wordt het 1515-6-8 gl.
Aan geld is er 2051-18-0 gl.
Dan komen de inschulden, welke voor ons vooral van belang zijn. In afwijking van de regel wordt hier begonnen met de „obligaties ende instrumenten”, maar meest staat er dan bij, dat het al betaald is, b.v.: „Roeloff Luues bryeff bedraecht 500 gg bet.”, of „Marten Tadema tot Suyerhuysen bedraecht 100 gg” met „bet.” ervoor.
De schuld wordt hier dus in goudguldens aangegeven. Er zijn 46 posten, waarvan de grootste 572 gg. is. Adellijke personen zijn er waarschijnlijk niet bij. Hierna komen de boekschulden, welke gerangschikt zijn naar de woonplaats van de schuldenaars.
Het begint met de schulden onder de „tijtel” van Kollum. Maar de betrokken personen wonen toch niet alle in Kollum; er zijn er bij van Engwierum, Westergeest en zelfs van Amsterdam. Als voorbeeld geven wij: „Jantje Jacobs schipper is schuldich 70-10-0 en Fop Claes wijnheer is schuldich 37-13-0 c.g.” In tegenstelling met de obligaties worden nu de schulden in caroli guldens uitgedrukt. Onder Kollum staan in het geheel op 12 bladzijden 281 posten. Tot de grootste behoren die van:

Arien Idses te Amsterdam 740-0-0 c.g.
Jan Wyges 734-5-0 c.g.
Freerck Eeuwes 368-0-0 c.g.
Wopke Douues 613-0-0 c.g.
Doitze Brouwer 301-0-0 c.g.

(p. 159)
Waarschijnlijk houdt de post te Amsterdam verband met de graanuitvoer naar Holland.
De nog onbetaalde schulden bedragen in het geheel 3910 c.g., maar bovendien moeten wij rekening houden met de „onwisse posten”, welke in totaal 1513 c.g. bedragen.
Op Kollum volgt de „titel” van Burum. Hieronder worden 56 posten genoemd, waarvan in totaal 833 c.g. onbetaald is en bovendien nog 255 c.g. als „onwis” te beschouwen valt. Hierna komt Augustinusga met 84 posten, waarvan 1500 c.g. onbetaald is en 339 c.g. onzeker. In Gerkesklooster vinden wij 102 posten, waaronder één van 273-3-4 c.g. Hierbij staat echter: „solvit - hij is dus betaald. Maar onbetaald is hier gebleven 1098-10-6.
Onder de titel van Gerkesklooster worden ook Lutkegast, Grootegast, Doezum en Sebaldeburen genoemd. Deze winkel had dus ook klanten in de provincie Groningen. Daarna komen nog Buitenpost met 75 posten en „Swaegh” (Kollumerzwaag) met 94 posten.
Wij zien uit deze dingen, dat men ook buiten de steden niet bevreesd was flinke schulden te maken, als de winkels wilden borgen en voorts, dat gewone lieden in dezen navenant weinig bij de adellijken achterbleven. Over de uitschulden van de Kollumer winkel worden maar onvolledige mededelingen gedaan, zoals: „eenyge personen in Amstelradam ende alhyr in de grietenie compt uuytten sterffhuyse 4337-6-0''. Dan wordt er nog genoemd een Hans van der Voort, die 3277-4-5 te vorderen heeft en een Adriaen de Ploe tot Leyden. die nog zit te wachten op 1239-4-4 gl. Dit zijn de belangrijkste bedragen.
Dat het maken van schulden in deze streken niet zulk een zeldzaam verschijnsel was, blijkt ook nog uit een andere inventaris van een winkel te Kollum in 1636. waarin we 16½ bladzijden met boekschulden vinden en uit een inventaris te Westergeest, waarin 36 bladzijden met inschulden voorkomen. Deze laatste is van 1638.
Dit waren nu alle winkels met kleren en manufacturen, maar het is opvallend, dat ook bij de herbergiers nog al dikwijls de verteringen onbetaald worden gelaten. Wij geven een enkel voorbeeld uit Wommels van 18 Juli 1608, waar we in de inventaris lezen:
„Tiette Meines mederechter ende Trijn syn wijff schulden van verteringe en anders 86 £ ½ st. en hebben costen 5 £ 5 st. van een sierkebanck. (p. 160)
Gatze Hopperts te Leeuwarden van verteringe 50 £.
Heyn Jeltes Rijder onder de dragon. 130 £ 9 st.
Douwe Ritzen 150 c.g. met enige jaren van interest.
Weduwe en erffgenamen van Bude Ferckzn t' Oosterend van verteringe 96 goltg. 12 st. 4 penningen.” En dan zijn er nog vele kleinere schulden.
Ter vergelijking met deze bedragen zullen we ook nog enige andere getallen uit deze tijden opgeven. Het lijkt wel geschikt om daarvoor in de eerste plaats de prijzen van het vee te nemen. In een inventaris van 1636 vinden wij voor de prijs van 2 koeien opgegeven de bedragen: 68, 54 en 52 g.gl, dat is gemiddeld per koe 29 g.gl. of 40 car. gl. 12 st. De koeien zullen per stal getaxeerd zijn. Volgens dezelfde inventaris is de prijs van 2 nieuwe wagens 14 g.gl. en van 2 oude 8 g.gl.
In een inventaris van 1653 vinden wij voor de 2 koeien van de eerste stal 68 g.gl., van de tweede 56 g.gl. en van de derde 49 g.gl.; dat is per koe gemiddeld 28 g.gl. en 23 st. Tussen haakjes zij opgemerkt, dat het schijnt, dat men de beste koeien meest op de eerste of bovenste stal plaatste. Wij vinden hier nog voor de prijs van een paard 29 daelders of 43 c.g. 8 st. De prijs van paarden werd altijd in daalders uitgedrukt.
De weduwe en erfgenamen van Bude van Oosterend zullen dus, als ze drie koeien verkopen, met de opbrengst nog niet eens de schuld in de herberg te Wommels af kunnen doen. Maar bij de manufactuurwinkels zijn er schulden, die een behoorlijk beslag vee vereisen om afgelost te worden......